inloggen

Uitspraak AT 7 juni 2018

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, hierna te noemen: "het Tuchtcollege",  op de klacht van klager tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen "beklaagde", voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. J.

Procesverloop

Op 13 maart 2017 is door klager een klacht ingediend over de handelwijze van beklaagde bij het secretariaat SRA. Bij brief van 1 mei 2017 heeft beklaagde verweer gevoerd. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een bespreking van de klacht door de Arbeidsdeskundig Ombudsman. Bij brief van 6 februari 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken. Hij heeft klager laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

 

Bij brief van 20 februari 2018 heeft klager zijn klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd, naar aanleiding waarvan beklaagde een verweerschrift heeft ingediend.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 1 juni 2018. Ter zitting is klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Klager en beklaagde hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Het Tuchtcollege heeft partijen laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

Het Tuchtcollege gaat - voor zover relevant - uit van de navolgende feiten.

Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij [werkgever beklaagde]. Klager is zelfstandige. Zijn corebusiness is de verkoop van een zeewaterfilter voor aquaria.

Het filter is ontwikkeld door biologen. Het gebruik daarvan vraagt om specifieke kennis en vaardigheden, zoals het doen van metingen.

De heer S. werkt sedert 1 mei 2015 bij klager. S. is zijn zwager. In het kader van de WAJONG heeft klager verzocht om de loonwaarde van S. in de huidige functie te bepalen. Daartoe heeft klager een aanvraag ingediend bij [werkgever beklaagde].

Beklaagde heeft de werkplek op 15 februari 2017 bezocht en op die dag met klager en werknemer gesproken. Aansluitend heeft beklaagde op 22 februari 2017 een arbeidsdeskundig rapport loonwaardebepaling opgesteld. Meer specifiek valt in het eindrapport van beklaagde te lezen dat zij het functioneren van S. heeft vergeleken met de arbeidsprestatie die verwacht kan worden van een reguliere, gezonde werknemer in de normfunctie medewerker tuincentrum, afdeling dier en vijver. Deze normfunctie behoort tot de CAO Fashion, Sport en Lifestyle, module geldend voor tuincentra en valt in de schaal A. In de normfunctie is het werktempo volgens beklaagde niet belangrijk. Dat heeft zij aangegeven met een "+". Ter toelichting op de gekozen normfunctie heeft beklaagde geschreven dat deze functie het verzorgen van de winkel omvat, alsmede de schappen, waaronder opruimen en schoonmaken, het verzorgen van de dieren, het schoonmaken van de dierverblijven (knaagdieren en aquaria) en het adviseren van de klachten. De hoofdtaken/werkzaamheden in een normfunctie komen voor meer dan 60% overeen met de werkzaamheden van de medewerker binnen deze organisatie, aldus beklaagde.

Beklaagde heeft haar rapport aansluitend toegezonden aan klager. Aansluitend is tussen partijen discussie ontstaan over het rapport, zowel mondeling als schriftelijk. Klager heeft daarbij aangegeven dat hij met name het onderdeel "tempo" met een weging van 1/9 en "niet belangrijk" onjuist geduid achtte.

Klager heeft bij [werkgever beklaagde] een klacht tegen beklaagde ingediend. Deze is ongegrond verklaard. Klager heeft tevens bezwaar ingesteld tegen de beslissing van [werkgever beklaagde]. Het bezwaar is gegrond verklaard.

De klachten

De klacht bestaat uit drie onderdelen, te weten dat (i) beklaagde inhoudelijk niet bekwaam is; (ii) geen sprake is van transparante/toetsbare opstelling en (iii) beklaagde de indruk van partijdigheid en belangenverstrengeling heeft gewekt.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hierna volgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van art. 11.2 van het Tuchtreglement toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Beklaagde heeft primair bestreden dat klager in zijn klachten kan worden ontvangen, nu geenszins blijkt dat hij als cliënt of opdrachtgever kan worden gezien. Het Tuchtcollege overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 1 Tuchtreglement SRA definieert het begrip "cliënt" als volgt: "Degene op wie de werkzaamheden van de arbeidsdeskundige betrekking hebben".

Het begrip "opdrachtgever" wordt in het betreffende artikel gedefinieerd als: "Natuurlijke of rechtspersoon die de arbeidsdeskundige opdracht geeft om onderzoek te verrichten of advies uit te brengen".

Het begrip "secretariaat" is gedefinieerd als "secretariaat SRA".

Ingevolge art. 2.1 Tuchtreglement SRA kan uitsluitend een cliënt of een opdrachtgever een klacht indienen bij het secretariaat, een en ander met inachtneming van art. 3.4 van het Tuchtreglement SRA.

Art. 2.4 Tuchtreglement SRA bepaalt dat na ontvangst van de klacht het secretariaat onderzoekt of de klacht is ingediend door een cliënt of opdrachtgever en dat, indien geen sprake is daarvan, de klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Art. 3.5 Tuchtreglement SRA bepaalt: "Indien de klacht niet tijdig is ingediend of niet voldoet aan de in dit reglement gestelde eisen, kan het (C)AT zonder verder onderzoek een beslissing geven die strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van klager. De beslissing is met redenen omkleed en wordt op schrift gesteld".

Het AT heeft kennis genomen van de klacht van klager en stelt vast dat deze betrekking heeft op de behandeling door beklaagde van een aanvraag tot een loonwaardebepaling. Ter zitting heeft klager op vragen van het College desgevraagd toegelicht dat de werkzaamheden van de arbeidsdeskundige betrekking hebben op zijn bedrijf. De arbeidsdeskundige heeft immers onderzocht welke werkzaamheden aan de functie van S. zijn verbonden en welke loonwaarde aan de inzet van S. moet worden vastgesteld ten opzichte van de normfunctie. Daarmee is (het bedrijf van) klager, werkgever van S., aldus het onderwerp van de werkzaamheden van beklaagde. Anders gezegd is klager "cliënt" in de zin van art. 1 Tuchtreglement SRA, omdat klager degene is op wie de werkzaamheden van de arbeidsdeskundige betrekking hebben.

Nu klager aldus "cliënt" is in de zin van art. 1 Tuchtreglement SRA, kan hij mitsdien worden ontvangen in zijn klacht. Aldus kan in het midden blijven of, en zo ja in hoeverre, klager (tevens) "opdrachtgever" is in de zin van art. 1 Tuchtreglement SRA.

Inhoudelijk oordeelt het Tuchtcollege als volgt. Het gaat er bij de beoordeling van het arbeidsdeskundig handelen niet om wat er - achteraf gezien - allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Het Tuchtcollege beantwoordt uitsluitend de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege toetst de handelwijze van de arbeidsdeskundige dus niet aan sociaal-zekerheidsrechtelijke normen en treedt ook niet in de beoordeling van de inhoudelijke juistheid van het werk van de arbeidsdeskundige. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige van klager heeft gehad.

Bij de beoordeling van de onderhavige klacht is met name art. 3 van de Gedragscode SRA van belang. Daarin is vastgelegd welke eisen aan rapportages van arbeidsdeskundigen worden gesteld.

De overwegingen van het Tuchtcollege

(i) Inhoudelijke onbekwaamheid

Het is vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dat verwacht mag worden dat de rapportage van de arbeidsdeskundige zodanig is dat deze op zich geen bron van conflicten worden doordat deze niet duidelijk genoeg is over de wijze waarop de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen.

Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (Vgl. AT-SRA 7 mei 2018). Daarom worden de in art. 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De arbeidsdeskundige dient op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Bovendien wordt van de arbeidsdeskundige verwacht dat deze de gegevens waarvan wordt uitgegaan bij opstelling van de rapportage verifieert bij een cliënt alvorens deze in een rapportage op te nemen en aan opdrachtgever uit te brengen (AT-SRA 28 februari 2011).

Het Tuchtcollege overweegt als volgt. De arbeidsdeskundige heeft in het arbeidsdeskundig rapport de loonwaardebepaling van 22 februari 2017 de functie "medewerker tuincentrum, afdeling dier en vijver" tot uitgangspunt genomen. Beklaagde heeft de competentie "werktempo" als "niet belangrijk" gewaardeerd. Desgevraagd ter zitting heeft zij uitgelegd dat zij voor deze normfunctie heeft gekozen vanwege haar ervaring in eerdere onderzoeken naar de loonwaardebepaling. Beklaagde heeft desgevraagd tevens verklaard dat werktempo in die normfunctie als niet-belangrijk werd gewaardeerd.

Klager heeft in zijn schriftelijke en, naar het Tuchtcollege ter zitting heeft begrepen, mondelinge commentaar op het arbeidsdeskundig rapport gevraagd naar een toelichting op dit element. Beklaagde heeft ter zitting betoogd dat zij die uitleg aan klager heeft verstrekt, maar deze niet in het arbeidsdeskundig rapport heeft verwerkt. Desgevraagd ter zitting door het Tuchtcollege heeft beklaagde tevens aangegeven dat zij in voorkomend geval wel degelijk haar rapport van een nadere toelichting voorziet, indien daartoe naar haar oordeel aanleiding bestaat na commentaar. Beklaagde was echter in dit geval van oordeel dat haar arbeidsdeskundig rapport voldoende duidelijk was.

Het Tuchtcollege deelt die visie niet. Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt immers geen (enkele) toelichting op het als niet belangrijk aangeduide element "werktempo". Zulks klemt te meer ook, daar klager daar (naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht) vragen over heeft gesteld. Beklaagde ontkent dat ook niet. Het had naar de overtuiging van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat beklaagde het arbeidsdeskundig rapport op dit punt nader had toegelicht. Door dit achterwege te laten voldoet het rapport niet aan de eisen die art. 3 Gedragscode SRA daar aan stelt.

Gelet op het voorgaande is het Tuchtcollege van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

(ii) Geen transparante/toetsbare opstelling

Beklaagde ontkent het verwijt. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen welke van beide lezingen de juiste is, maar ziet evenmin aanleiding om meer geloof te hechten aan de lezing van een van beide partijen. Dat betekent dat het bedoelde verwijt niet is komen vast te staan en het klachtonderdeel aldus wordt afgewezen. Dat ligt erin dat de gedraging waarop dit verwijt berust aldus feitelijk niet is komen vast te staan, en dus evenmin kan worden aangenomen dat de bedoelde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is (Vgl. AT-SRA 26 maart 2014).

(iii) Onafhankelijkheid

Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat beklaagde geen onafhankelijk oordeel heeft uitgebracht. Noch uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt naar de mening van het Tuchtcollege, dat beklaagde haar onderzoek niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgevoerd. Het klachtonderdeel dat hierop betrekking heeft dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat klager kan worden ontvangen in zijn klacht, en deze, voor zover hiervoor aangegeven, gedeeltelijk gegrond is. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Maatregel

Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in art. 22 van het Tuchtreglement het gegrond verklaarde deel van de klacht moet leiden.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekort schiet in de motivering. Zo zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voldoet het arbeidsdeskundig rapport immers niet aan de eisen van inzichtelijkheid en consistentie. Uit de feiten, omstandigheden en bevindingen die in het rapport zijn vermeld vinden de in de uiteenzetting genoemde gronden immers onvoldoende steun. Tegelijkertijd is het Tuchtcollege er ambtshalve mee bekend dat aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde ter zake van het gegrond bevonden onderdeel de maatregel van een waarschuwing dient te worden opgelegd (art. 22.1 onder b Tuchtreglement SRA).

Beslissing

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege acht klager ontvankelijk in de klacht, acht deze, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond en legt beklaagde ter zake daarvan de maatregel van een waarschuwing op. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 7 juni 2018 door E.J. Wervelman, voorzitter, B. van Lieshout en F. Hoebink, leden.

Voor dezen:

 E.J. Wervelman, voorzitter