inloggen

Uitspraak CAT 27 oktober 2017

Uitspraak CAT 27 oktober 2017

Zaaknummer 17-13 CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van

klaagster,

gemachtigde: mr. R. Gerretsen, advocaat te Utrecht,

appellante in hoger beroep,

 

tegen

 

beklaagde,

gemachtigde: mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht,

verweerder in hoger beroep.

 

 

Procesverloop

1.1 Bij beroepschrift van 29 juni 2017 heeft klaagster tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van 12 juni 2017 met zaaknummer 16-29/AT, gegeven tussen klaagster en beklaagde. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder "Feiten." 

 

1.2 Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 24 augustus 2017.

 

1.3 Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft klaagster bij brief van 8 september 2017 een verklaring van mr. B. namens de Raad van Bestuur van werkgever van beklaagde ingediend. Op deze productie is door beklaagde gereageerd bij e-mail van 12 september 2017.

 

1.4 Bij e-mail van 31 augustus 2017 heeft mr. Ausma medegedeeld dat beklaagde en hij niet ter zitting zullen verschijnen en "nu de beslissing toeziet op de termijn, ga ik er vanuit dat indien uw college daar anders tegenaan kijkt, er een nieuwe datum wordt bepaald voor een inhoudelijke behandeling."

 

1.5 Namens klaagster heeft mr. Gerretsen bij e-mail van 1 september 2017 geprotesteerd tegen de 'veronderstelling' van mr. Ausma dat een nieuwe datum wordt bepaald voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.

 

1.6 In reactie op de onder 1.4 en 1.5 vermelde e-mails heeft de voorzitter van het college op 4 september 2017 aan mrs. Ausma en Gerretsen het volgende doen weten:

"Namens de voorzitter deel ik u mede dat het uitgangspunt van mr. Ausma als verwoord in zijn e-mail van 31 augustus 2017 i.f. dat "Nu de beslissing toeziet op de termijn, ga ik ervan uit dat indien uw college daar anders tegenaan kijkt, er een nieuwe datum wordt bepaald voor een inhoudelijke behandeling." door het college niet wordt gevolgd.

Er vindt een zitting plaats op 22 september 2017 en het CAT is voorshands niet voornemens een nadere zitting te bepalen. Het is aan partijen te bepalen of zij (al dan niet vertegenwoordigd) dan ter zitting wensen te verschijnen (behoudens oproeping overeenkomstig artikel 21 lid 2 Tuchtreglement)."

 

1.7 Op 22 september 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster en haar gemachtigde hebben het woord gevoerd. Beklaagde noch zijn raadsman zijn ter zitting verschenen.

 

1.8 Ten slotte is uitspraak bepaald.

 

De feiten

2.1 Het Arbeidsdeskundig Tucht­college heeft in zijn uitspraak waarvan beroep onder 'Feiten' geen feiten vastgesteld maar slechts het verloop van de tuchtprocedure in eerste aanleg. Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege zal de tussen partijen vaststaande feiten waarvan het bij zijn beoordeling uitgaat hierna vermelden.

 

2.2 Aan klaagster, voorheen verzorgende in loondienst, is in 1998 een WAO-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Op initiatief van klaagster, die (verder) wenste te re-integreren in het arbeidsproces, heeft in maart 2008 een gesprek plaatsgevonden met beklaagde in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige. Volgens het rapport van beklaagde van 17 maart 2008 (de "Re-integratievisie") is klaagster "een vrouw die traumatische ervaringen in haar jeugd heeft gehad." Volgens beklaagde was in verband met deze traumatische ervaringen intensieve begeleiding aangewezen.

 

Afgesproken is dat klaagster bij een re-integratiebedrijf een zgn. IRO-traject (Individuele Re-integratieovereenkomst) zou gaan volgen, waarbij beklaagde door werkgever werd aangewezen als haar "vaste aanspreekpunt."

2.3 Volgens de "Bijstelling re-integratievisie" van beklaagde van 12 juli 2010 heeft beklaagde "in de afgelopen twee jaar gedurende het traject bij [het re-integratiebedrijf] regelmatig contact gehad met cliënt. Er is sprake van ernstige PTSS. Zij heeft individuele therapie en daarnaast groepstherapie. (…) Het traject is enkele malen 'on hold' gezet omdat er sprake was van (ziekenhuis-)opnames die samenhingen met de (het CAT leest:) PTSS. (…)." Beklaagde rapporteert het verzoek van klaagster tot scholing tot doktersassistente via het ROC te steunen en maakt ervan gewag regelmatige (telefonische) contactmomenten in te lassen om de voortgang te monitoren.

 

2.4 In 2012 heeft klaagster werkgever van beklaagde verzocht om een andere arbeidsdeskundige. De mededelingen van klaagster hebben de werkgever aanleiding gegeven haar Bureau Integriteit in te schakelen, die na verricht onderzoek neergelegd in een 74 blz. tellend "Rapport feitenonderzoek", bij "Beslisdocument" van 8 november 2012 heeft gerapporteerd aan de districtsmanager van werkgever. Het rapport en het beslisdocument zijn beide door klaagster geanonimiseerd overgelegd maar beklaagde heeft niet betwist dat die stukken op hem betrekking hebben. Het beslisdocument houdt de volgende conclusie in:

 

"6. Conclusie, advies en besluit Hoofd Bureau Integriteit,

Conclusie

Er is sprake van een zeer ernstige schending van de integriteit

De heer [arbeidsdeskundige] heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan zeer ernstige, frequente, grensoverschrijdende, seksuele gedragingen ten aanzien van cliënte en aldus gehandeld in strijd met het professioneel statuut arbeidsdeskundigen en de gedragscode van werkgever.

In hoeverre voornoemde gedragingen zijn gebeurd met instemming van cliënte is niet vastgesteld omdat de verklaringen van de heer [arbeidsdeskundige] en cliënte hieromtrent tegenstrijdig zijn.

De verklaringen van de heer [arbeidsdeskundige] en cliënte verschillen ook ten aanzien van de aanloop tot voornoemde gedragingen.

Wel is uit de telefoniegegevens gebleken, dat het initiatief tot contact bij zowel de heer [arbeidsdeskundige] als cliënte heeft gelegen en dat beiden in 2011 en 2012 over en weer circa 700 keer met elkaar hebben gebeld c.q. ge-smst. Ook uit de aangetroffen email berichten is gebleken, dat beiden deze over en weer hebben verzonden en dat de inhoud in het begin zakelijk was maar in de loop van de tijd steeds persoonlijker van aard werd.

De schending weegt des te zwaarder aangezien voornoemde gedragingen allen onder werktijd en dan ook nog niet alleen thuis bij cliënte maar zelfs op het werk van de heer [arbeidsdeskundige] zijn gebeurd.

 

(…)

Met betrekking tot het in het begin van zijn contact met cliënte door de heer [arbeidsdeskundige] raadplegen van het medisch dossier van cliënte (in het begin van zijn contact met haar) dan wel van een ander medisch dossier, kan eveneens geen schending van de integriteit worden vastgesteld. (…)

De heer [arbeidsdeskundige] was er wel van op de hoogte, dat cliënte qua functioneren op sociaal en persoonlijk gebied beperkt was.

Ook is vastgesteld, dat de heer [arbeidsdeskundige] in de loop van zijn contacten met cliënte steeds meer kennis kreeg over haar traumatische seksuele, psychiatrische verleden. Waar de heer [arbeidsdeskundige] aldus van meet af aan extra terughoudendheid had dienen te betrachten jegens cliënte gelet op haar uiterst kwetsbare, afhankelijke positie, heeft hij onder misbruik van zijn functie als arbeidsdeskundige het tegenovergestelde gedaan in een steeds verdergaande en meer verwijtbare mate.

(…)"

 

2.5 Blijkens het loopverbaal (proces-verbaal voorgeleiding) van Politie Utrecht heeft op 24 oktober 2012 een zgn, "informatief gesprek" plaatsgevonden met klaagster, naar aanleiding van een melding van het Bureau Integriteit van werkgever van beklaagde. Zij hadden gemeld dat een personeelslid seksueel grensoverschrijdend gedrag had vertoond tegenover een cliënte. Tijdens het informatief gesprek verklaarde klaagster moeite te hebben zaaksinhoudelijk te verklaren. Verder verklaarde zij dat zij seksueel misbruikt was door een arbeidsdeskundige. Deze arbeidsdeskundige, die later bleek te zijn verdachte [beklaagde], begeleide haar bij het re-integratieproces. Klaagster liep in dit proces omdat zij posttraumatische-stress in chronische vorm en dissociatieve klachten had. [Beklaagde] zou haar, zowel op kantoor als bij thuisbezoeken, misbruikt hebben. Dit zou ook gebeurd zijn terwijl zij aan het "herbeleven was". [Beklaagde] zou met zijn vingers in haar vagina zijn geweest. Verder zou hij haar klem hebben gehouden, waardoor zij ging herbeleven.

Het zou gebeurd zijn dat zij door het herbeleven verlamd raakte en toen ze weer bijkwam merkte dat [beklaagde] met zijn vingers in haar vagina zat. (…)

Het informatief gesprek verliep uitermate moeizaam en duurde ruim 2,5 uur, door het constante heen en weer lopen van [klaagster], haar weerstand om te verklaren over inhoudelijke zaken en door haar emoties. Hierbij werden nog niet details bevraagd, zoals in een eventuele aangifte wel zou gebeuren. Aan het einde van het gesprek was [klaagster] zichtbaar ernstig vermoeid (…).

 

Door officier van justitie mr. N. Rose, werd besloten verdachte [beklaagde] ambtshalve te vervolgen, mede omdat er het sterke vermoeden was dat [klaagster] een aangifte, met een duur van meerdere dagen, niet aan zou kunnen.

 

Het vermoeden was dat een aangifte zeker twee weken zou duren, gezien het aantal incidenten en het tempo waarin [klaagster] haar verhaal vertelde. (…)

 

Derde verhoor verdachte [beklaagde]

Op woensdag 4 december 2013 werd verdachte […] voor de derde maal gehoord. (…) Hij verklaarde onder andere dat hij, op verzoek van [klaagster], haar geholpen had met verstikkingsangst, door zijn hand op haar keel te leggen. Tevens zou hij [klaagster], op haar verzoek beetgehouden hebben op plekken in haar woning, om tot rust te komen of te aarden. Het bezoek in haar woning was ook op haar verzoek. Verder zou [beklaagde] op verzoek van [klaagster] meerdere malen, zijn hand op haar kruis, zoweI op als onder haar kleding, hebben gelegd. Wel zou [beklaagde], op eigen initiatief, zijn vinger in [klaagsters] vagina hebben gedaan, maar daar zou zij achteraf over hebben aangegeven dat dat hielp om een trauma te verwerken. Eenmaal zou hij een vinger een stukje in haar anus hebben gedaan, omdat hij dacht dat dit nodig was om de "pijn" eruit te halen. Daar had [klaagster] boos op gereageerd, waarna [beklaagde] zijn excuses aanbood en zij dat verder hadden uitgepraat. Ook verklaarde [beklaagde] dat hij, met door [klaagster] aangeschafte vibrators, op haar verzoek, haar daar mee aangeraakt had, door met een rondjes te draaien over haar clitoris en met de ander rond de ingang van de vagina. [Beklaagde] verklaarde verder dat er voor hem niets seksueels was aan de handelingen die hij had verricht en benadrukte dat [klaagster] vaak aan had gegeven dat zijn handelingen haar hielpen. Hij had nooit van haar vernomen dat zij iets niet had gewild.

 

2.6 Bij beschikking van 23 januari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2678, heeft de kantonrechter op daartoe strekkend verzoek van de werkgever van beklaagde de arbeidsovereenkomst tussen haar en beklaagde ontbonden. De beschikking houdt o.m. het volgende in:

"[verweerder] heeft, zoals hij ook ter zitting nog heeft erkend, met zijn vingers in de vagina van de bewuste cliënte gezeten. Dergelijke handelingen kunnen niet anders dan als seksuele handelingen worden gekenschetst. Dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden toen de cliënte officieel geen cliënte van [verweerder] meer was, acht de kantonrechter irrelevant. De cliënte is met [verweerder] in contact gekomen als zijnde zijn cliënte. Niet gebleken is dat [verweerder] haar op enig moment te kennen heeft gegeven dat hij niet meer bij haar zaak betrokken was. Sterker nog, hij heeft juist afspraken met haar gemaakt om te praten over haar seksuele trauma dat een belangrijke rol speelde bij haar arbeidsongeschiktheid en om haar te 'helpen'. Van dat 'helpen' maakte de seksuele handelingen deel uit en die vonden plaats bij cliënte thuis onder werktijd, welke bezoeken door [verweerder] 'huisbezoeken' werden genoemd en onder werktijd op het kantoor van [verweerder]. Daarmee kan die relatie niet als privé worden aangemerkt.

 

Naar het oordeel van de kantonrechter is het plegen van dergelijke seksuele handelingen bij een cliënte die bovendien op seksueel vlak getraumatiseerd is, uitermate ongepast en zeker voor een arbeidsdeskundige een doodzonde. Dat had [verweerder] zich moeten realiseren, of dat nu in een gedragscode staat vermeld of niet. Daarbij doen de omstandigheden van het geval, zoals door [verweerder] genoemd, niet ter zake. Of het nu op verzoek van de cliënte was of niet, of [verweerder] er nu seksueel opgewonden van raakte of niet, of de cliënte nu zelf dildo's heeft aangeschaft of niet, dergelijk gedrag is voor een arbeidsdeskundige uit den boze. De bezwaren die [verweerder] heeft aangevoerd met betrekking tot onzorgvuldig en eenzijdig feitenonderzoek en onzorgvuldig horen omdat deze feiten en omstandigheden niet zijn uitgediept, zijn naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet relevant. Het verwondert de kantonrechter dat [verweerder] het laakbare van zijn handelen nog steeds niet lijkt in te zien. Ter zitting heeft hij nota bene nog gezegd dat hij - als ondeskundige - cliënte beter met haar trauma heeft geholpen dan al haar therapeuten, terwijl er een rapport van een psychotherapeute ligt waarin wordt gesproken van revictimisatie. (…)"

 

2.7 In de brief van 29 januari 2013 van de behandelend psychiater en psycholoog van Altrecht trauma trtc van klaagster aan de afdeling Urgentie huisvesting van een gemeente, wordt het volgende vermeld:

"Achtergrond:

[Klaagster] is in 2009 bij het Top Referent Trauma Centrum (TRTC) in Zeist onder behandeling gekomen. Zij is zeer ernstig getraumatiseerd vanaf een zeer jonge leeftijd. Als gevolg hiervan ontwikkelde zij ernstige en chronische posttraumatische stress klachten (PTSS) en dissociatieve klachten. Zij kwam bij ons centrum met de vraag om verder te gaan met verwerking van haar traumatische gebeurtenissen. Op dat moment zou zij gaan starten met een nieuwe opleiding als doktersassistente in het kader van een WAO traject. Die opleiding heeft zij inmiddels afgerond maar in het afgelopen jaar is duidelijk geworden dat haar arbeidsdeskundige haar langdurig en ernstig sexueel heeft misbruikt bij haar thuis. Augustus 2012 heeft zij hiervan aangifte gedaan bij werkgever van beklaagde. Inmiddels is deze zaak uitgebreid onderzocht door deze werkgever, is de betrokken arbeidsdeskundige ontslagen en wordt juridisch vervolgd door werkgever en ambtshalve door de politie.

Patiënte heeft zeer ernstige psychische schade opgelopen door dit gebeuren en kan eigenlijk nauwelijks meer in haar huidige huis verblijven omdat zij voortdurend herinnerd wordt aan het misbruik in meerdere ruimtes in haar huis. Zij slaapt niet meer en kan ook nauwelijks meer eten. Zij is angstig in haar huis door terugkerende (het CAT leest:) herbelevingen van wat er daar heeft plaatsgevonden. (…) In psychiatrische zin zal zij pas in staat zijn haar leven weer op te pakken wanneer zij een nieuwe start kan maken in een andere plaats en in een andere woning.(…)."

 

2.8 Bij aanmeldbrief van 23 december 2015 van dezelfde psychiater en psycholoog van Altrecht trauma trtc worden de volgende diagnoses met betrekking tot klaagster geduid:

"As I: Hoofd 300.14 Dissociatieve identiteitsstoornis

309.81 Posttraumatische stress-stoornis

As II: 301.4 Obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis

As III: 625 Pijn en andere symptomen van vrouwelijke geslachtsorganen

53011 Oesofagus reflux

26622 Vitamine B12 deficiëntie

280 IJzergebreksanemie

As IV: Problemen binnen de primaire steungroep

Problemen gebonden aan de sociale omgeving

Woonproblemen

As V: GAF-score (h): 25

As V: GAF-score (v): 25

 

2.9 In de strafzaak tegen beklaagde heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 4 juli 2016 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 november 2014, waarbij beklaagde is veroordeeld terzake van seksueel binnendringen als strafbaar gesteld bij artikel 243 Sr., vernietigd en beklaagde vrijgesproken. Tegen dit arrest heeft het Openbaar Ministerie cassatieberoep ingesteld.

 

Overwegingen

3.1 In zijn uitspraak waarvan beroep heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, op daartoe strekkend betoog van beklaagde, klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht gelet op artikel 3.3 sub b. van het Tuchtreglement SRA dat inhoudt dat een klacht niet ontvankelijk is indien deze niet is ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de gedraging betrekking heeft. In dit verband overwoog het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege het volgende.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat het vermeende misbruik heeft plaatsgehad in de periode van januari 2011 - januari 2012. Vanaf dat moment is de driejaarstermijn gaan lopen. Klaagster heeft haar klacht ingediend op 8 mei 2016. Tussen het moment waarop het vermeende misbruik zou hebben plaatsgevonden en het moment van het indienen van de klacht waren derhalve meer dan drie jaren verstreken. Naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kunnen op de in artikel 3.3 sub b. genoemde termijn geen uitzonderingen worden aanvaard. Steun daarvoor put het Tuchtcollege ook uit het feit dat SRA er kennelijk voor heeft gekozen om de termijn in het huidige Tuchtreglement uitdrukkelijk tot drie jaar te beperken, zulks in tegenstelling tot de voor 1 oktober 2010 geldende regeling waarin geen enkele termijn was opgenomen.

Gelet op het voorgaande strandt het (impliciete) betoog van klaagster op een verschoonbare termijnoverschrijding.

Ten overvloede verwerpt het Tuchtcollege dat betoog in deze zaak ook overigens, omdat klaagster zelf heeft verklaard, dat zij zich in april 2012 naar aanleiding van gesprekken met haar psychotherapeut realiseerde dat het (beweerdelijke) gedrag van beklaagde in hoge mate grensoverschrijdend was. Daarover heeft zij ook uitvoerig verklaard tijdens het onderzoek van Bureau Integriteit van werkgever dat eveneens reeds plaatsvond in 2012. Aan een en ander doet voorts evenmin af dat klaagster kennelijk pas kort voor de indiening van de klacht bekend is geworden met de mogelijkheid tot het kunnen indienen van een klacht tegen beklaagde bij de SRA, aldus het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege.

 

3.2. Het beroep keert zich in de eerste plaats tegen de niet-ontvankelijk verklaring van klaagster in haar klacht. Klaagster verzoekt het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege af te wijken van de in beginsel strakke termijn van 3 jaar, althans van de regel dat die termijn gaat lopen na de gewraakte handeling ook als cliënt daartoe nog niet in staat is. De klacht dient, aldus klaagster, alsnog ontvankelijk te worden verklaard, de inschrijving van beklaagde dient te worden doorgehaald met bepaling dat niet opnieuw kan worden ingeschreven, althans een in goede justitie te bepalen sanctie.

Klaagster legt samengevat daaraan in haar beroepschrift en bijlagen ten grondslag dat onbegrijpelijk is

i. dat in de AT-uitspraak de gedragingen van beklaagde worden omschreven als 'vermeend misbruik' terwijl beklaagde de klachten inhoudelijk niet heeft weersproken, zodat daarmee hetgeen namens klaagster is aangevoerd als onweersproken is komen vast te staan;

ii. dat geoordeeld is dat op artikel 3.3 sub b. van het tuchtrecht geen uitzonderingen kunnen worden aanvaard. Klaagster ziet de argumenten genoemd in de brief van 7 december 2016 niet te terug in de uitspraak waarvan beroep. Meent de SRA nu werkelijk, dat ongeacht de ernst van de gedragingen, nooit ofte nimmer kan worden afgeweken van de 3-jarentermijn? Dat oordeel is in redelijkheid niet vol te houden, zeker als de door klaagster aangevoerde gronden in acht worden genomen.

iii. dat het Tuchtcollege 'ten overvloede' oordeelt dat er geen sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat klaagster zich al sinds april 2012 realiseerde dat het gedrag van beklaagde in hoge mate grensoverschrijdend was. De verschoonbare termijnoverschrijding ziet niet op het moment waarop bij klaagster bekend was dat het gedrag van beklaagde grensoverschrijdend was, maar op het (latere) moment dat zij het voor het eerst aankon te klagen bij SRA.

 

Klaagster leest de uitspraak van het AT zo dat nu zij eind 2012 heeft verklaard bij werkgever van beklaagde, zij dan ook wel vanaf eind 2012 had kunnen klagen bij de SRA.

 

3.3 Bij verweerschrift in hoger beroep heeft beklaagde volhard in zijn standpunt dat klaagster niet ontvankelijk is. Beklaagde maakt twee kanttekeningen bij de door klaagster in hoger beroep overgelegde verklaringen van haar huisarts en therapeut. Volgens beklaagde is het onmogelijk vol te houden dat klaagster in juli 2012 het examen doktersassistente had behaald en zij het traject in wilde om werk te vinden maar zij niet in staat zou zijn om een klacht in te dienen bij de SRA. Op 20 oktober 2014 was klaagster aanwezig ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland. Zij voerde toen het woord hoewel zij vertegenwoordigd werd door een advocaat had. Als zij toen niet in staat geweest zou zijn om een klacht in te dienen, had haar advocaat dat namens haar kunnen doen. "Terzijde" merkt beklaagde op dat klaagster "ook nu weer persisteert in het verspreiden van halve waarheden en leugens. (…) Voor de behandeling van de beroepzaak is dat echter niet van belang (…). In het arrest van het Hof in Arnhem wordt aangegeven dat uiterst behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaringen van [klaagster]. Dat blijkt nu opnieuw/nog steeds het geval", aldus beklaagde.

4.1 Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege neemt voor de beoordeling tot uitgangspunt dat volgens artikel 3.3 aanhef en onder b. van het Tuchtreglement "De klacht voorts niet-ontvankelijk (is), indien deze niet is ingediend binnen 3 jaar na de dag waarop de gedraging betrekking heeft." Klaagster heeft in hoger beroep niet gegriefd tegen de overweging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat het "(…) misbruik heeft plaatsgehad in de periode van januari 2011 - januari 2012. Vanaf dat moment is de driejaarstermijn gaan lopen." Nu eveneens vast staat dat klaagster op 8 mei 2016 haar klacht tegen beklaagde bij het Tuchtcollege heeft ingediend, is deze in beginsel niet-ontvankelijk. Het college onderzoekt hierna of klaagster niettemin kan worden ontvangen in haar klacht, waartoe zij in de brief van 7 december 2016 heeft gesteld dat het beroep van beklaagde op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2 Het college stelt vast dat (ook) met betrekking tot bij wet ingesteld tuchtrecht in (recente) wetgeving een 3-jaarstermijn is ingesteld, vgl. bijv. artikel 46g van de Advocatenwet. In de Toelichting wordt als achtergrond van die termijn gesteld "(…) dat een advocaat om redenen van rechtszekerheid erop moet kunnen vertrouwen dat hij na verloop van een bepaalde periode niet langer geconfronteerd kan worden met eventuele fouten die hij in het verleden beroepsmatig heeft gemaakt.

 

Anders gezegd: een klager moet niet oneindig lang wachten met het indienen van een klacht, maar moet deze binnen een redelijke termijn indienen." (Tweede Nota van Wijziging, 32 382, nr. 10, p. 77). Voor de redelijk handelende klager biedt lid 2 van artikel 46g Advw. een respijttermijn van een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

4.3 Blijkens zijn in 2.2 genoemde rapport wist beklaagde van de traumatische ervaringen die klaagster in haar jeugd heeft gehad en was er volgens beklaagde in verband met deze traumatische ervaringen intensieve begeleiding aangewezen. In de gedeeltelijk geciteerde "Bijstelling re-integratievisie" van 12 juli 2010 spreekt beklaagde over ernstige PTSS bij klaagster en daarmee verband houdende (ziekenhuis-)opnames die het re-integratietraject 'on hold' zetten. Dit correspondeert met de in 2.7 geciteerde brief van 29 januari 2013 van Altrecht waaruit blijkt dat klaagster in 2009 bij haar Top Referent Trauma Centrum onder behandeling is gekomen.

4.4 Beklaagde heeft in de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden als arbeidsdeskundige (opnieuw) contact gekregen met klaagster. Wat er zij van de (juridisch-technische) vrijspraak van beklaagde door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - waartegen cassatieberoep hangt bij de Hoge Raad -, blijkens de eigen verklaringen van beklaagde afgelegd tegenover het Bureau Integriteit van werkgever, als verdachte bij politie en ter zitting van de kantonrechter heeft beklaagde misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar ernstig seksueel misbruikt. Het college heeft er om redenen van terughoudendheid voor gekozen onder "De feiten" niet de verklaringen van beklaagde in het uitvoerige "Rapport feitenonderzoek" en het proces-verbaal van het derde verhoor als verdachte weer te geven, maar de meer terughoudende samenvattingen daarvan in het "Beslisdocument" (2.4) resp. het loopverbaal (2.5). Deze stukken spreken reeds voor zich, evenals de beschikking van de kantonrechter in 2.6. Dat beklaagde meent ten verwere in hoger beroep "terzijde" op te moeten merken dat klaagster ook nu weer persisteert in het verspreiden van halve waarheden en leugens is illustratief voor zijn niets ontziende houding jegens klaagster.

4.5 Beklaagde heeft niet betwist

- de wijze waarop het "Rapport feitenonderzoek" tot stand gekomen is, nml. door meerdere, noodzakelijk kortdurende, bezoeken van medewerkers van het Bureau Integriteit aan de kliniek waar beklaagde opgenomen was, verslaglegging en terugkoppeling;

- dat aanvankelijk (niet klaagster maar) werkgever van beklaagde melding bij politie heeft gedaan;

- de beschreven gang van zaken tijdens het "informatief gesprek" (2.5);

 

- dat het OM op ambtshalve vervolging heeft ingezet omdat er het sterke vermoeden was dat [klaagster] een aangifte, met een duur van meerdere dagen, niet aan zou kunnen (2.5);

- dat klaagster eerst op 14 januari 2014 als getuige is gehoord door politie.

4.6 Klaagster heeft gesteld en ter zitting van het college toegelicht eerst in 2016 in staat te zijn geweest bij het Tuchtcollege een klacht in te dienen tegen beklaagde. In aanmerking genomen hetgeen in 4.5. is vermeld, de toestand van klaagster zoals door beklaagde zelf gerapporteerd (4.3), het nadien plaatsgevonden hebbende ernstige seksuele misbruik door beklaagde waardoor "Patiënte zeer ernstige psychische schade (heeft) opgelopen" (2.7) en nog in december 2015 ernstige psychische aandoeningen worden gerapporteerd en een GAF-score van 25 (2.8), acht het college dit voldoende aannemelijk. Klaagster heeft eerst in 2016 nieuwe woonruimte gekregen (begeleid) waardoor zij enige rust gevonden heeft. Vervolgens heeft zij alsnog kunnen klagen bij het Tuchtcollege. Nu klaagster binnen een jaar nadien heeft geklaagd zou het inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk te verklaren. De door beklaagde in zijn verweerschrift aangevoerde kanttekeningen doen aan het voorgaande onvoldoende af.

4.7 Beklaagde heeft terecht niet aangevoerd dat, laat staan waarom, hij erop zou hebben mogen vertrouwen dat klaagster geen klacht meer jegens hem bij het Tuchtcollege zou indienen na afloop van de 3-jaarstermijn volgens artikel 3.3 aanhef en onder b. van het Tuchtreglement. Nu iedere toelichting terzake ontbreekt moet, gegeven de ernst van de misdragingen van beklaagde, geoordeeld worden dat een zodanig vertrouwen misplaatst zou zijn.

4.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de grieven II en III van klaagster gegrond, klaagster is ontvankelijk in haar klacht. Nu het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, anders dan het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, in 4.4 tot een inhoudelijke beoordeling is gekomen, dient geconcludeerd te worden dat ook grief I gegrond is.

4.9 Beklaagde heeft, als overwogen in 4.4, als arbeidsdeskundige in de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden in contact gekomen met klaagster, misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar ernstig seksueel misbruikt. Het misbruik heeft plaatsgevonden bij klaagster thuis - haar privédomein, waar klaagster zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen - en op kantoor - de plaats waar een uitkeringsgerechtigde in het kader van zijn aanspraken soms geacht wordt te verschijnen. Daarmee heeft beklaagde het vertrouwen dat in een register-arbeidsdeskundige mag worden gesteld in ernstige mate beschadigd. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode.

Gelet op artikel 22 van het Tuchtreglement SRA kan bij deze stand van zaken naar het oordeel van het college niet worden volstaan met andere, met name lichtere, maatregelen dan onder de beslissing weergegeven.

 

Beslissing

 

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

- verklaart het beroep gegrond;

- legt aan beklaagde op de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register;

- bepaalt dat beklaagde zich niet opnieuw kan inschrijven in het register.

 

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 27 oktober 2017 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren P. van Kesteren en J. Wieman, leden. 

 

 

Mr. J.W. van Rijkom