Uitspraak AT 2 mei 2016 (annotatie)

In deze zaak heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) als tuchtmaatregel een berisping opgelegd. Het is een duidelijke uiteenzetting van het tuchtcollege over de tekortkomingen van de registerarbeidsdeskundige (AD); het betreft vooral de niet-inzichtelijke wijze waarop hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarnaast wordt hem verweten ten onrechte op meerdere momenten geen contact met klager (KL) te hebben gezoch

Situatieschets

Het betreft een klacht van een monteur, die samen met zijn vader een autoglas-servicebedrijf exploiteert. Er is geen ander personeel in dienst bij het bedrijf. De arbeidsongeschiktheidsverzekering is afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij.

In een oriënterend arbeidsdeskundig onderzoek in januari 2014, heeft de AD geconcludeerd dat op basis van de voorlopig vastgestelde beperkingen de ingeschatte mate van arbeidsongeschiktheid 75 % bedraagt; hij vermeldt echter tevens de impact van de klacht niet goed te kunnen schatten. Zonder een inzichtelijke afweging van resterende mogelijkheden in deeltaken wordt dit percentage bepaald. In maart 2014 wordt KL hierover geïnformeerd en op 1 april 2014 wordt gerapporteerd aan de verzekeraar.

Na een hier opvolgend medisch expertise-onderzoek worden de beperkingen van KL nader omschreven. De AD meldt aan KL dat hij op basis van deze gegevens in november 2014 opnieuw een onderzoek zal verrichten, waarbij KL aangeeft het met de beperkingen niet eens te zijn. De AD komt op basis van zijn onderzoek tot een bijstelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage naar 12 %; hij rapporteert aan de verzekeraar en de uitkering aan KL wordt vervolgens gestaakt.

Aangezien KL tegen beëindiging van de uitkering bezwaar aantekende, rapporteert de AD aanvullend aan de verzekeraar in maart 2015. Op grond van dat vervolgonderzoek, waarbij de AD gebruik maakt van algemene gegevens uit de branche en informatie van de website van het bedrijf van KL, komt hij tot een bijgesteld percentage van 15 % arbeidsongeschiktheid; hij merkt daarbij op dat KL in zijn bezwaar weliswaar heeft aangegeven dat de tijdsbestedingen niet juist zijn, maar dat hij op geen enkele wijze heeft aangetoond hoe deze in de praktijk dan wel zijn. Dat dwingt de AD tot het maken van een professionele inschatting. Mocht er sprake zijn van een ander taak/tijdsverdeling, dan adviseert hij de verzekeraar bij verzekerde over het jaar voorafgaand aan de uitval facturen op te vragen waaruit moet blijken of zijn inschatting al dan niet juist is.

De klacht

Het volgende wordt de AD verweten:

1. bij gebreke van de belastbaarheid van KL tijdens het eerste AD-onderzoek had de AD niet lager dan 80-100% arbeidsongeschiktheid kunnen uitkomen;

2. de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is onvoldoende zorgvuldig verricht;

3. het inzage en correctierecht is KL ontnomen;

4. de AD-rapporten zijn niet in concept aan KL voorgelegd;

5. KL is van oordeel dat de AD zijn visie heeft gebaseerd op onjuiste aannames en veronderstellingen;

6. KL meent dat sprake is van willekeur en schijn van partijdigheid;

7. de inzet van derden is op een onjuiste wijze in de AD-beoordeling betrokken;

8. volgens KL is een volledige beperking in een van de kerntaken reden voor vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid;

9. de AD heeft zich uitgelaten over de mate van arbeidsongeschiktheid in zijn rapport van maart 2015 zonder contact te hebben met KL;

10. de AD-rapporten zijn innerlijk tegenstrijdig, althans niet (goed) verenigbaar met elkaar;

11. KL is van oordeel dat de AD niet in overeenstemming heeft gehandeld met de professionele standaard van arbeidsdeskundigen.

Het AT behandelt de punten 1,2,3,5,6,7,8,9,10 en 11 gezamenlijk; dit betreft de inhoudelijke klachtonderdelen gericht tegen de AD-onderzoeken, alsmede de zorgvuldigheid en wijze van berekening. Klachtonderdeel 4 betreffende het inzage- en correctierecht wordt separaat behandeld.

Het AT gaat uitgebreid in op de vereiste zorgvuldigheid en is van oordeel dat deze verplichting onvoldoende is nagekomen. Hoewel het niet ongebruikelijk is een oriënterend onderzoek te doen, zoals is verricht in januari 2014, is de uiteenzetting met betrekking tot taken, werkzaamheden en vaststelling van het percentage niet te volgen. Dit hoeft naar de mening van het Tuchtcollege op zichzelf nog niet te betekenen dat sprake zou zijn van volledige uitval. Essentieel is dat uit het rapport niet is op te maken welke deeltaken leiden tot uitval en in welke duur. Ook valt niet op te maken hoe de relevante beroeps- en bedrijfsomstandigheden, zoals het ontbreken van personeel in het bedrijf van verzekerde, zich verhouden tot de beantwoording van de onderzoeksvragen door de AD. Hiermee schiet de rapportage op een essentieel onderdeel tekort, namelijk een heldere uiteenzetting van de mate waarin de beperkingen in de weg staan aan de uitoefening van de werkzaamheden in het betreffende beroep.

Het AT is van oordeel dat ten onrechte geen contact is geweest met KL voordat hij de rapporten van november 2014 en maart 2015 opstelde. Zeker gezien de essentiële verschillen tussen het eerste rapport van januari 2014 had dit mogen worden verwacht, voordat de verzekeraar werd geïnformeerd.

De beoordeling berust niet op feiten maar op niet bij KL geverifieerde aannames. Hiertegen maakt het AT ernstig bezwaar. Bij een dergelijk onderzoek is precisie en inzichtelijkheid vereist ter vaststelling van deeltaken verbonden aan het verzekerde beroep, tijdsbesteding en arbeidsbelasting. Het AT hecht zwaar aan een duidelijke uiteenzetting, gebaseerd op feiten.

Bij het onderzoek in maart 2015 heeft de AD een uitvoerig (nieuw) onderzoek verricht, met gebruikmaking van gegevens van zijn eigen kantoor en van gegevens verstrekt door lokale reparatiebedrijven, zonder daarover met KL van gedachten te wisselen. Mede gezien het feit dat hij op een geheel andere wijze te werk is gegaan dan in het eerste onderzoek, had hij op grond van zijn nieuwe bevindingen in maart 2015 met KL in contact moeten treden. Hetzelfde concludeert het AT ten aanzien van het rapport van november 2014. Terecht betoogt KL dat de diverse rapporten gebaseerd zijn op aannames en onjuistheden, innerlijk tegenstrijdig en niet met elkaar verenigbaar zijn.

Vanuit ethisch oogpunt verwijt het AT de AD dat hij zijn toenaderingsverantwoordelijkheid heeft geschonden door niet met KL in contact te treden waar dat noodzakelijk was voor zijn rapporten van november 2014 en maart 2015. De inhoudelijke klachten worden op alle punten gegrond geacht.

De klacht ten aanzien van het correctie- en inzagerecht worden door het AT verworpen omdat nergens is vastgelegd dat een AD een conceptrapportage zou moeten opstellen; ook is niet gebleken dat de AD dit heeft toegezegd aan KL.

De Tuchtmaatregel

Het AT motiveert haar keuze voor de berisping als volgt:

Een waarschuwing is te omschrijven als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Een berisping daarentegen heeft een duidelijk verwijtende en veroordelende strekking.

Het AT acht met een waarschuwing niet te kunnen volstaan omdat de AD door de gevolgde werkwijze naar haar oordeel laakbaar heeft gehandeld. Dit betreft het niet-verifiëren van gegevens, het ontbreken van een helder inzicht in de te beoordelen aspecten van het verzekerde beroep, de AD heeft zonder contact te leggen met KL na indiening van het bezwaar een geheel nieuwe deeltaakanalyse vervaardigd en zijn nieuwe bevindingen niet met KL besproken. Door dit alles is niet na te gaan of de door hem gemaakte berekeningen juist zijn.

Deze handelwijze acht het Tuchtcollege schadelijk voor het aanzien van de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen. Daarbij heeft meegewogen dat de AD ter zitting weinig tot geen besef toonde van de ernst van zijn nalatigheden.

 

Commentaar

Het Tuchtcollege hecht terecht grote waarde aan de kern van het arbeidsdeskundige werk; inzichtelijk maken dat de gebruikte gegevens betrouwbaar en van toepassing zijn, op heldere wijze inzicht verschaffen in de weging van beperkingen en passende (deel)taken, tijdsbesteding en berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid; daarbij dienen de specifieke omstandigheden in een bedrijf en beroep te worden meegenomen. Opnieuw wordt benadrukt dat de AD de plicht heeft de verzekerde op cruciale momenten te benaderen en te informeren. Nu deze essentiële verplichtingen niet zijn nagekomen, is m.i. de maatregel met de verwijtende strekking op zijn plaats.

 

Mw. mr. V. Fransçoise,

Register-arbeidsdeskundige

 

 

© 2018 Stichting Register Arbeidsdeskundigen