Uitspraak AT 2 mei 2016

(zie ook de annotatie bij deze uitspraak)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van klager tegen de register-arbeidsdeskundige, verder te noemen: "beklaagde".

Procesverloop

Bij brief van 16 september 2015 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige. De raadsvrouw van klager heeft deze klacht toegezonden aan SRA bij brief van 20 oktober 2015. Beklaagde heeft verweer gevoerd bij brief van 27 oktober 2015. Klager heeft op 23 november 2015 gereageerd op het verweerschrift van beklaagde.

De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft bij brief van 28 december 2015 medegedeeld dat het resultaat van de bemiddeling vruchteloos is. Op 22 januari 2016 heeft klager verzocht de klacht door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege te laten behandelen. In die brief heeft klager verzocht zijn klacht in behandeling te nemen en daarop een uitspraak te doen. Beklaagde heeft SRA bericht dat hij bij zijn standpunt blijft.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege vond plaats op 31 maart 2016. Partijen zijn ter zitting verschenen, klager vergezeld door zijn raadsvrouw, mr. K.F.J. Machielsen. Partijen hebben vragen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Klager heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Het verzekerd beroep is monteur. Klager exploiteert samen met zijn vader (67 jaar) een autoglasservicebedrijf (een vennootschap onder firma met 65% winstdeel voor verzekerde en 35% winstdeel voor de vader van verzekerde). Er is geen personeel in dienst bij de onderneming.

Artikel 1.5 van de toepasselijke polisvoorwaarden bepaalt dat van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake is "indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor de verzekerde voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel redelijkerwijs kan worden verlangd. Vanaf het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid wordt daarbij tevens rekening gehouden met mogelijkheden voor aanpassing in werk en werkomstandigheden en de daarmee verband houdende taakverschuiving binnen het eigen beroep of bedrijf."

De verzekeringsmaatschappij heeft beklaagde als arbeidsdeskundige opdracht gegeven tot het verrichten van arbeidsdeskundig onderzoek. In dat verband heeft beklaagde klager op 9 januari 2014 bezocht. Beklaagde heeft zijn rapportage uitgebracht op 20 januari 2014. Blijkens de vraagstelling ging het om het verrichten van een oriënterend arbeidsdeskundig onderzoek ter beantwoording van de volgende vragen:

- Wat is de te verwachten herstelduur?

- Welke mate van arbeidsongeschiktheid kan worden aangehouden?

- Welke re-integratiemogelijkheden zijn er?

Als klachten/reden van melding van arbeidsongeschiktheid heeft beklaagde genoteerd als volgt: "Verzekerde deelt mede als gevolg van slijtageklachten aan de nekwervels problemen te ondervinden met verrichtingen als rijden, tillen, dragen, duwen en trekken, boven schouderhoogte tillen/reiken e.d. Er is sprake van pijnklachten uitstralend naar de linkerarm en -schouder. Bovenstaande diagnose is getrokken door een orthopeed. Naast de fysieke klachten slaapt verzekerde slecht, hij wordt meermalen wakker van pijnsensaties."

Beklaagde heeft de werkzaamheden van klager als verzekerde van de verzekeringsmaatschappij voor de melding van arbeidsongeschiktheid naar taken ingedeeld, te weten: 5 uur verkoop/inkoop/acquisitie/advisering. Leidinggeven/toezicht/lesgeven/instructie verrichtte klager niet. Aan de administratie/bureauwerk/personele zaken besteedde hij 5 uur per week. Hij reisde zakelijk 3 uur per week. Gedurende 30 uur per week verrichtte hij handenarbeid/lichamelijke werkzaamheden. In totaal bedroeg de werkweek van klager voor de melding van arbeidsongeschiktheid bij de verzekeringsmaatschappij aldus 43 uur. Beklaagde heeft als kenmerkende belasting van het werk genoteerd als volgt:

"Het inkopen en administratie taken vergen zitten, reiken, hand- en vingergebruik (computerbediening). De taakbelastingen zijn licht en af te wisselen.

De uitvoerende taken vergen: staan af te wisselen met lopen, klimmen tot 1 à 1,5 meter, bouwt steiger voor vrachtauto's/bussen/bedrijfsauto's, gebogen werken, torderen, reiken (veelvuldig tot > 1 meter met gewicht), bovenhands werken, hand- en vingergebruik, tillen en dragen tot 15-30 kg (ruiten uit kit verwijderen). Verzekerde deelt mede geen straatreparaties uit te voeren, als de klant iets heeft, moet hij naar de werkplaats komen, daar zijn de omstandigheden optimaal voor een goede kwaliteit van de reparatie/plaatsing."

Naar zeggen aan beklaagde deed klager na de melding van arbeidsongeschiktheid de administratie en de inkoop. Verder assisteert hij bij reparaties. Het verwijderen en plaatsen van complete voorruiten lukt hem niet goed meer. De handeling lukt echter wel, tijdens en erna treden pijnklachten op.

Beklaagde heeft in zijn rapport ten aanzien van de belasting in de functie en de belastbaarheid van klager genoteerd als volgt:

"Ik kan de impact van de klacht op dit moment niet goed inschatten. In de taakbelasting komt werken in een voorovergebogen houding inclusief reiken in samenhang met tillen tot gemiddeld 15 kg relatief vaak voor. Bij verwijderen van de defecte ruit moet de kitlaag worden verwijderd. Dit vergt trekken met kracht in een voorovergebogen houding. Dergelijke verrichtingen lijken mij knelpunten voor de belastbaarheid."

Beklaagde komt aldus tot de volgende conclusie:

- "Wat is de te verwachten herstelduur? Dit zal afhankelijk zijn van de ernst en de behandelmogelijkheden, verder medisch onderzoek is gaande hiernaar;

- welke mate van arbeidsongeschiktheid kan worden aangehouden? Mijn voorstel te komen op een uitval van 50% haalt het niet. Ik baseer dit op bijkomende taken en de lichtere werkzaamheden in de uitvoering. Verzekerde stelt hoofdzakelijk voorruiten te vervangen, voor reparaties gaat de klant vaak naar de concurrentie. In overleg met verzekerde wordt tot nader orde een uitval van 75% = klasse 65-80% aangehouden;

- welke re-integratiemogelijkheden zijn er? Ik heb dit alvast besproken met verzekerde, hulpmiddelen waarbij de taakbelastingen gereduceerd worden zijn er niet. Handmatig werk is nu eenmaal een kernmerk in de branche; ander, meer passend werk, kan het bedrijf niet bieden. (…)."

Aansluitend aan dit rapport informeert beklaagde de verzekeringsmaatschappij bij brief van 1 april 2014. Hij geeft dan aan, voor zover relevant, als volgt:

"Ik heb verzekerde op 31 maart 2014 telefonisch gesproken. Hij deelt mede dat hij bij neuroloog (en niet orthopeed) Idzinga is geweest. Deze constateerde artrose niveau C6 en C7 aan beide zijden.

Operatief ingrijpen is geen optie, wel kan een injectie worden gegeven. Verzekerde laat dit niet doen, daar hij hierover geen goede berichten hoort. Het behandeladvies is Mensendiecktherapie. In overleg met de huisarts heeft verzekerde besloten fysiotherapie te volgen; dit zou hetzelfde zijn. Aan medicatie heeft verzekerde Lyrica en een middel voor het slapen. Hij neemt de medicatie gedoseerd, daar hij er niets door voelt en suffig wordt. Met betrekking tot het leveren van inzet wijzigt er niet veel, het tillen en dragen van autoruiten en het reiken in voorovergebogen/getordeerde houding levert pijnklachten aan de nek. Het lukt verzekerde wel, echter de pijn is na enige tijd niet uit te houden. Verder als wat sturende en regelende taken komt verzekerde niet. Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt een kennis van zijn vader ingeschakeld, die wil helpen. Verzekerde geeft aan zijn inzet niet te kunnen uitbreiden".

Beklaagde concludeert naar aanleiding van een en ander als volgt:

"Het is algemeen bekend dat de handel in autoruiten door de zachte winter veel minder opdrachten heeft opgeleverd dan gebruikelijk, mogelijk is hiervan in het bedrijf van verzekerde ook sprake. Ik adviseer u uw medisch adviseur informatie te laten inwinnen bij de behandelend neuroloog dan wel een expertise-onderzoek uit te zetten gericht op het vaststellen van de belastbaarheid dan wel een prognose te krijgen voor de toekomst."

In afwachting van verdere berichtgeving blijft beklaagde er echter bij dat klager 65-80% arbeidsongeschikt is. Dat adviseert hij dan ook aan de verzekeringsmaatschappij.

Aansluitend heeft een expertise plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij de belastbaarheid aan beklaagde gerapporteerd als volgt:

- "Klimmen beperkt tot 5 meter;

- bovenhands werken beperkt tot 15 minuten aaneen;

- tillen beperkt tot geregeld 10 kg en soms 20 kg;

- duwen en trekken beperkt tot geregeld 10 kgf en soms 20 kgf;

- dragen beperkt tot geregeld 10 kg, soms 20 kg."

De medisch adviseur heeft in de toelichting op het belastbaarheidspatroon weergegeven dat er sprake is van geringe degeneratieve afwijking in de halswervelkolom. Daardoor is het voorstelbaar dat klager niet in staat kan worden geacht om zeer zware fysieke arbeid uit te voeren, zoals zwaar til-, duw- en trekwerk, langdurig achtereen boven schouderhoogte heffen of werken waarbij de nek langdurig in een gedwongen stand moet worden gehouden of langere tijd in een uiterste stand (maximaal buigen/strekken/draaien) moet worden gehouden.

Op langere termijn is toename van de degeneratieve afwijking te verwachten waarbij de belastbaarheid afneemt.

Tijdens het daaropvolgend arbeidsdeskundig onderzoek heeft beklaagde aan klager op 6 november 2014 medegedeeld dat de aldus in kaart gebracht belastbaarheid de grondslag vormt voor het nadere arbeidsdeskundig onderzoek. Klager gaf aan dat hij het met de aangegeven beperkingen niet eens was. Klager liet weten dat hij nog altijd beperkingen ervaarde bij het tillen, werken in een voorovergebogen houding waarbij kracht gezet moet worden (autoruit lossnijden uit kit) en reiken vanuit een gebogen houding. Meer specifiek gaf klager ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten aan dat hij reparaties en vervanging verrichtte van autoruiten bij personenauto's, vrachtauto's, bussen en campers. De verhouding tussen ruiten voor vrachtauto's en bussen en personenauto's schatte hij in op ongeveer 50/50. Tevens worden sterretjes gerepareerd, aldus klager, deels in de werkplaats en deels via mobiele service. De vervanging betreft hoofdzakelijk voorruiten. Het vervangen van ingetikte zijruiten komt in beperkte mate voor, aldus klager.

Klager gaf aan dat hij altijd met twee man werkte. De ruit moet namelijk in één keer goed in de kit worden gezet. De vervanging van ruiten wordt uitsluitend in de werkplaats gedaan. Voor vrachtauto's en bussen beschikt het bedrijf over een werkplateau waarmee op hoogte kan worden gewerkt. Verzekerde levert desgevraagd tot heden inzet in de inkoop, administratie en het repareren van sterretjes in ruiten. Er is geen personeel in dienst. Vader hielp mee. Tevens werd een vriend van vader ingeschakeld nu klager deels was uitgevallen. De productieve inzet van klager werd ingeschat op maximaal 15 uur per week, soms minder, aldus stelt beklaagde in zijn rapport van 14 november 2014. Beklaagde heeft daarbij aangegeven dat hij van oordeel was dat klager binnen de vastgestelde belastbaarheid in staat was om de commerciële inkoop, de administratie en de zakelijke reizen zonder problemen uit te voeren. Voor de uitvoerende taken kende hij 25% toe aan het kleine reparatiewerk. Dat kwam volgens beklaagde neer op 7,5 uur per week. Daarbij specificeerde beklaagde dat het ging om het repareren van sterretjes e.d. Hij acht klager daarvoor binnen de belastbaarheid geschikt. Beklaagde vervolgt dan dat er aldus 22,5 uur resteren. Hiervan schat hij dat 10% het vervangen van zijruiten betreft, ofwel 2,25 uur. Voor die taken acht hij klager geschikt. Er resteren dan 20,24 uur voor de voorruiten. Beklaagde schat 50% personenautoruiten en 50% vrachtauto/autobusruiten. Beklaagde heeft daarbij aangetekend als volgt:

"Het verwijderen van defecte ruiten vergt duwen en trekken in een voorovergebogen houding. Dit vergt naar schatting 25% van de tijd ofwel 5 uur per week. Voor dit werk acht ik verzekerde ongeschikt. Daar sprake is van personeel/hulp kan dit werk gedelegeerd worden. Plaatsing vergt tillen en kort dragen, daar met 2 man wordt geplaatst reduceert het gewicht van de personenautoruit tot 10 kg en voor de vrachtautoruit tot 15 kg. Dit valt binnen de vastgestelde belastbaarheid, waardoor ik geen uitval toereken."

Resteert het verwijderen en weer monteren van de binnenspiegel, ruitenwissers, opruimen en schoonmaken, de taakbelasting in deze taken overschrijdt de belastbaarheid niet, aldus beklaagde die berekent dat sprake is van 5 uur uitval. Er resteren dan 38 uur aan te leveren inzet. Op een norminzet van 43 uur berekent hij de mate van arbeidsongeschiktheid als

43 - 38 : 43 x 100 = 12%.

Naar het Tuchtcollege heeft begrepen heeft de verzekeringsmaatschappij de uitkering aan klager aansluitend gestaakt. Naar aanleiding van bezwaar van klager heeft beklaagde op 16 maart 2015 aanvullend aan de verzekeringsmaatschappij gerapporteerd. Blijkens dat rapport zijn de te beantwoorden vragen:

- "Wat is het gemiddelde gewicht van een voorruit voor een personenauto?

- Wat is het gemiddelde gewicht van een voorruit van een vrachtauto?

- Wat is het gemiddelde gewicht van een voorruit voor een touringcar/bus?

- Wat is de verhouding tussen reparatiewerk en vervangingswerk procentueel?

- Wat is de verhouding in de vervanging van voorruiten, zij- en achterruiten procentueel?

Beklaagde rapporteert dat het gemiddeld gewicht van een personenautovoorruit 18 kg is (minimaal 16, maximaal 20 kg); de gewichten van ruiten van vrachtauto's en touringcars weet men niet. Gemiddeld is sprake van 35% vervanging van voorruiten; 40% reparatiewerk (sterretjes repareren e.d.) en 25% van zij-/achterruiten. Beklaagde geeft aan dat die informatie overeenkomt met die uit zijn eigen database. Nadere navraag naar het gemiddelde gewicht van een vrachtautoruit wijst uit dat die 45 kg bedraagt (minimaal 30, maximaal 60). Het gemiddelde gewicht van een touringcarruit bedraagt 90 kg (minimaal, maximaal 120 kg). Aansluitend rapporteert beklaagde nog dat hij de website van het bedrijf van klager heeft bezocht. Daaruit blijkt dat wel degelijk autoruitschades voor personenauto's gerepareerd worden en vervangen. Tevens wordt dit gedaan voor vrachtauto's, campers, touringcars en oldtimers.

Beklaagde beschrijft voorts uitvoerig de werkzaamheden aan de hand van de algemene informatie uit de branche. Die informatie heeft hij mede toegepast aan de hand van de informatie uit de website van het bedrijf van klager.

Daarbij noteert beklaagde als volgt:

"Mocht sprake zijn van een andere taak/tijdsverdeling dan adviseer ik u facturen op te vragen bij verzekerde over het jaar voor de uitval waaruit moet blijken of de hierboven ingeschatte verhoudingen al dan niet kloppen."

Aansluitend is beklaagde uitvoerig ingegaan op de diverse bezwaarpunten die klager aan de verzekeringsmaatschappij heeft laten weten. Daarbij heeft beklaagde aangegeven dat hij van oordeel is dat klager weliswaar heeft aangegeven dat de tijdsbestedingen niet juist zijn doch dat hij op geen enkele wijze aantoont hoe deze in de praktijk dan wel zijn. Dat dwingt beklaagde "tot het maken van een professionele inschatting als nu genoemd", aldus beklaagde. Mocht het desondanks anders zijn dan adviseert beklaagde de verzekeringsmaatschappij de facturen van de werkzaamheden in het jaar van uitval ter inzage te vragen. Daaruit kan de werkelijke tijdsbesteding aan de diverse taken worden vastgesteld.

Beklaagde is wel van oordeel dat klager terecht een punt maakt van de gewichten van de vracht- en touringcarruiten. Beklaagde geeft aan dat hij zich indertijd gebaseerd heeft op de door klager verstrekte informatie. In de praktijk blijken de maximale gewichten nog hoger te liggen dan aangegeven. Dat maakt klager naar het oordeel van beklaagde aldus ongeschikt voor het tillen van die ruiten om te vervolgen: "Er komt bij de demontage/montage echter meer kijken dan alleen het tillen en plaatsen van de ruit, voor de bijkomende taken acht ik verzekerde geschikt." De feitelijke tijdsbesteding aan tillen schat beklaagde op 20% van de tijd; dat komt neer op 1,6 uur extra uitval. Mitsdien is de uitval 5 + 1,6 = 6,6 uur. Mitsdien resteren 36,4 uren aan inzet. De mate van arbeidsongeschiktheid berekent beklaagde dan van 43 - 36, 4 : 43 x 100 = 15%.

De klacht

De klachten die klager tegen de handelswijze van beklaagde heeft ingediende komen er - kort gezegd - op neer dat beklaagde bij gebreke van de belastbaarheid van klager tijdens het eerste arbeidsdeskundig onderzoek niet minder dan 80-100% arbeidsongeschiktheid had kunnen uitkomen (1). Daarnaast is klager van oordeel dat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid onvoldoende zorgvuldig is verricht (2 en 3). Het inzage- en correctierecht is klager ontnomen, omdat de arbeidsdeskundige rapporten niet in concept aan klager zijn voorgelegd (4). Klager is voorts van oordeel dat beklaagde zijn visie heeft gebaseerd op onjuiste aannames en veronderstellingen in plaats van op feiten (5).

Voorts is volgens klager sprake van willekeur en schijn van partijdigheid (6). De inzet van derden is op een onjuiste wijze in de arbeidsdeskundige beoordeling betrokken (7).

Een volledige beperking in één van de kerntaken leidt volgens klager tot volledige arbeidsongeschiktheid en niet tot minder dan 25% arbeidsongeschiktheid, zoals beklaagde heeft berekend (8). Beklaagde heeft zich voorts uitgelaten over de mate van arbeidsongeschiktheid in zijn rapport van 16 maart 2015 zonder contact te hebben met klager (9). Voorts is klager van oordeel dat de rapporten innerlijk tegenstrijdig zijn, althans niet (goed) verenigbaar met elkaar (10). Ten slotte is klager van oordeel dat het handelen van beklaagde niet in overeenstemming is met de professionele standaard van arbeidsdeskundigen (11).

Het verweer

Beklaagde voert verweer dat hierna zal worden besproken.

De werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege

Artikel 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen over de werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de klachten aan de statuten, reglementen, gedragsregels en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

De overwegingen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege

Vooropgesteld geldt dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen van de arbeidsdeskundige niet gaat om het geven van antwoord op de vraag of het handelen beter of anders had gekund of gemoeten. Het Tuchtcollege geeft uitsluitend antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover geklaagd wordt is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Bij de beoordeling van de klacht onderdelen zijn met name de artikelen 1 en 3 van de Gedragscode SRA van belang. In artikel 1 is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 3 bevat eisen die gesteld worden aan rapportages.

Op grond van hetgeen hiervoor is aangegeven overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Het Tuchtcollege ziet uit processueel oogpunt aanleiding om alle klachtonderdelen die inhoudelijk gericht zijn tegen de arbeidsdeskundig onderzoeken, alsmede de onzorgvuldigheid en de wijze van berekening gezamenlijk te behandelen (1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11).

Daarbij gaat het Tuchtcollege aldus tevens in op de klachtonderdelen die gericht zijn tegen het zonder contact met klager rapporteren op 16 maart 2015 en de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid, waarbij het Tuchtcollege tevens aandacht schenkt aan het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de professionele standaard van arbeidsdeskundigen. Het Tuchtcollege zal het vierde klachtonderdeel dat is gericht tegen het inzage- en correctierecht separaat behandelen.

Tot uitgangspunt geldt dat van een registerarbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verwacht (Vgl. AT SRA 22 oktober 2014). Beklaagde heeft zich van deze verplichting naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende gekweten. Op zichzelf is in de markt van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet ongebruikelijk om een oriënterend arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten, waarbij dan tevens voorlopig de mate van arbeidsongeschiktheid wordt ingeschat op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Aldus is ook beklaagde te werk gegaan bij het opstellen van zijn rapportage van 20 januari 2014. Daarbij wreekt zich evenwel dat het Tuchtcollege niet kan nagaan hoe beklaagde tot de mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen. Zo stelt hij dat zijn voorstel om te komen op een uitval van 50% "het niet heeft gehaald", waarna kennelijk in overleg met klager tot nader order een uitval van 75% resulterend in de klasse 65-80% is aangehouden. Beklaagde heeft weliswaar aangegeven dat hij dat baseert op bijkomende taken en de lichtere werkzaamheden in de uitvoering waar klager stelt dat hoofdzakelijk voorruiten worden vervangen en dat de klant voor reparaties vaak naar de concurrentie gaat. Die uiteenzetting is voor het Tuchtcollege echter, zo zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet te volgen. Anders dan klager betoogt, behoeft dat echter naar de overtuiging van het Tuchtcollege op zichzelf nog niet tot gevolg te hebben dat een volledige uitval moet worden aangehouden. Essentieel voor het Tuchtcollege is dat uit de rapportage niet is op te maken welke deeltaken die zijn verbonden aan de handarbeid/lichamelijke werkzaamheden leiden tot uitval en in welke duur. Evenmin is op te maken hoe de voor verzekerde relevante beroeps- en bedrijfsomstandigheden, zoals het ontbreken van personeel in het bedrijf van verzekerde, zich verhouden tot de beantwoording van de onderzoeksvragen door beklaagde. Daarmee schiet de rapportage naar de overtuiging van het Tuchtcollege tekort op het essentiële onderdeel van een heldere uiteenzetting van de mate waarin de (bij dit oriënterend onderzoek volgens verzekerde bestaande) beperkingen in de weg staan aan het uitoefenen van de aan het verzekerd beroep verbonden werkzaamheden.

Met klager is het Tuchtcollege voorts van oordeel dat beklaagde ten onrechte geen contact heeft gezocht met klager alvorens hij zijn rapporten van 14 november 2014 en 16 maart 2015 heeft opgesteld.

Gelet op de essentiële verschillen in uitgangspunten tussen het eerste rapport van 20 januari 2014 had van beklaagde in de gegeven omstandigheden mogen worden verwacht dat hij contact zou opnemen met klager alvorens de verzekeraar zijn rapport van 14 november 2014 en dat van 16 maart 2015 toe te zenden.

Het Tuchtcollege weegt daarbij mee dat beklaagde in beide rapporten is uitgegaan van diverse aannames die hij bij klager niet heeft geverifieerd. Desgevraagd heeft beklaagde dat ter zitting van het Tuchtcollege beaamd. Aldus heeft het kunnen geschieden dat een beoordeling heeft plaatsgevonden die niet is gebaseerd op feiten, maar op aannames. Het Tuchtcollege maakt tegen die werkwijze ernstig bezwaar in de situatie van een arbeidsongeschiktheidsverzekering die dekking biedt tegen uitval in de (eigen) werkzaamheden. Van de arbeidsdeskundige mag bij een dergelijk onderzoek worden verwacht dat hij precies nagaat welke deeltaken aan het verzekerde beroep zijn verbonden en hoe groot de tijdsbesteding en arbeidsbelasting is die met de uitvoering van de diverse deeltaken is gemoeid.

De rapporten die beklaagde in dit verband heeft vervaardigd bieden daarover onvoldoende uitsluitsel. Daarbij komt nog dat beklaagde na afronding van de primaire werkzaamheden naar aanleiding van het bezwaar dat klager heeft aangetekend bij de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar in maart 2015 een uitvoerig (nieuw) arbeidsdeskundig onderzoek heeft verricht. Daarbij heeft hij de database ter zake van autoglasherstel van zijn eigen kantoor geraadpleegd en diverse contacten gehad met lokale reparatiebedrijven. Daarmee heeft beklaagde in feite een geheel nieuw onderzoek naar het verzekerd beroep en de daaraan verbonden deeltaken uitgevoerd zonder daarover met klager van gedachten te wisselen. Dat gaat naar de stellige overtuiging van het Tuchtcollege niet aan. Beklaagde had immers aldus reeds ofwel in het primaire onderzoek aldus te werk dienen te gaan, danwel naar aanleiding van zijn bevindingen in maart 2015, zoals gezegd, opnieuw in contact moeten treden met klager naar aanleiding van zijn nieuwe bevindingen.

Aan de totstandkoming van het rapport van 14 november 2014 kleven dezelfde gebreken, waarbij het Tuchtcollege nog aantekent dat beklaagde ook daar ten onrechte is uitgegaan van aannames, zonder deze bij klager te verifiëren. Aldus heeft het immers, zoals klager terecht betoogt, kunnen gebeuren dat de diverse rapporten gebaseerd zijn op onjuistheden, aannames, innerlijk tegenstrijdig zijn en daardoor niet met elkaar zijn te verenigen.

Beklaagde heeft een database gebruikt die gebaseerd is op franchise-bedrijven met meerdere personeelsleden en alleen personenauto ruiten herstellen (Autotaalglas en Carglass).

De database is irrelevant ten aanzien van het onderdeel vrachtwagenruiten-herstel. De belastbaarheid is voorts niet afdoende en/of onjuist gewogen aan de arbeidsbelasting. Zo ontbreekt bijvoorbeeld volledig de weging van bovenhands werken, die bij het herstellen van "sterretjes" zeker van belang is, als ook de beoordeling van de duw- en trekkrachten en combinatiebelastingen. Beklaagde past de belasting voor tillen en dragen naar het oordeel van het Tuchtcollege ook onjuist toe door te stellen dat het een klein onderdeel is van het werk in het totaal.

Het Tuchtcollege hecht aan dit alles zwaar, omdat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij tekent het Tuchtcollege nog aan dat beklaagde uit oogpunt van ethiek zijn toenaderingsverantwoordelijkheid als arbeidsdeskundige jegens klager heeft geschonden, door niet met klager in gesprek te komen waar dat noodzakelijk was ter uitvoering van de opdracht ten behoeve van zijn rapporten van 14 november 2014 en 16 maart 2015. Gelet op al het voorgaande acht het Tuchtcollege de klachtonderdelen die gericht zijn tegen de inhoudelijke arbeidsdeskundige beoordeling door beklaagde gegrond.

Het klachtonderdeel dat is gericht tegen het inzage- en correctierecht wordt verworpen. Dit klachtonderdeel gaat uit van de veronderstelling dat een arbeidsdeskundige een concept-rapportage moet vervaardigen. De Gedragsregels SRA bepalen dat in zijn algemeenheid niet, zoals ook expliciet blijkt uit de Toelichting op artikel 3. Daarbij tekent het Tuchtcollege aan dat (ook) niet is komen vast te staan dat beklaagde aan klager heeft toegezegd een concept van zijn rapport te zullen opstellen.

Tuchtmaatregel

Nu sprake is van gegronde klachten over de handelwijze van beklaagde, is de vraag aan de orde of een tuchtmaatregel aan beklaagde moet worden opgelegd en, zo ja, welke tuchtmaatregel genoemd in artikel 22 lid 1 Tuchtreglement SRA dit dient te zijn.

Teneinde meer inzicht te bieden in de afwegingen die door het Tuchtcollege bij beantwoording van deze vraag worden gemaakt en daarin meer uniformiteit aan te brengen, overweegt het Tuchtcollege - in lijn met zijn beslissing van 22 oktober 2014 - als volgt. Een waarschuwing zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 onder b Tuchtreglement SRA is te omschrijven als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Een berisping (artikel 22 lid 1 onder c Tuchtreglement SRA) heeft een duidelijk verwijtende en veroordelende strekking (Vgl. MvT, Kamerstukken II 1985-1986, 19 522, nr. 3, p. 76).

Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan in deze zaak evenwel - hoewel beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk werd veroordeeld - met een waarschuwing niet worden volstaan.

Beklaagde heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege laakbaar gehandeld door zijn rapporten te baseren op aannames zonder die bij klager te verifiëren. Beklaagde heeft voorts geen helder inzicht gegeven in de aard en omvang van de diverse deeltaken die behoren bij het verzekerd beroep. Bovendien heeft beklaagde naar aanleiding van bezwaar van klager bij de verzekeraar tegen zijn primaire arbeidsdeskundige beoordeling zonder met klager contact te leggen een geheel nieuwe deeltaakanalyse vervaardigd en deze vervolgens ook niet met klager besproken. Door dit alles is niet na te gaan of, en zo ja in hoeverre, de door hem gemaakte berekeningen binnen het verzekerd beroep juist zijn. Deze handelwijze is schadelijk voor het aanzien van de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen. Het Tuchtcollege laat bij de oplegging van de maatregel meewegen dat beklaagde, zelfs na daarop ter zitting uitvoerig te zijn bevraagd, weinig tot geen besef toonde van de ernst van de nalatigheden in de door hem gevolgde handelwijze. Op grond hiervan is het Tuchtcollege van oordeel, dat oplegging van de maatregel van een berisping op zijn plaats is.

Beslissing

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verklaart alle klachtonderdelen met uitzondering van het vierde onderdeel gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van een berisping op. Nu de klacht aldus gedeeltelijk gegrond is verklaard dienen ingevolge artikel 3.7 van het Tuchtreglement SRA de door klager voldane administratiekosten ter hoogte van euro 50 aan hem te worden gerestitueerd nadat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 16.1 van het Tuchtreglement SRA ongebruikt is verstreken.

Deze uitspraak is gegeven op 2 mei 2016 door E.J. Wervelman, voorzitter, B. Gerringa en M. Castricum, leden.

Voor dezen:

E.J. Wervelman, voorzitter