Uitspraak AT van 26 juni 2020 (zaaknummer: 20/59 AT)

Uitspraak

AT van 26 juni 2020 (zaaknummer: 20/59 AT)

Trefwoorden

Zorgplicht. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Zorgvuldig onderzoek. Passende functies. Waarschuwing.

Artikelen Gedragscode SRA

Artikel 1, 3 lid 1 en 3, 4 en 6

Samenvatting

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft gehandeld in strijd met de artikelen 1, 3, 4 en 6 van de Gedragscode SRA. Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde zich in de aanloop naar de totstandkoming van de definitieve rapportage onvoldoende bewust is geweest van de zorgvuldigheid die van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. Van beklaagde had verwacht mogen worden dat zij de tijd en moeite had genomen om aan klager uitleg te geven over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige. Daarbij had zij zich zorgvuldig dienen te vergewissen van de juiste weergave van het gesprek met de werknemer. Voorts is het Tuchtcollege van oordeel dat van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht had mogen worden dat zij zorgvuldig onderzoek zou doen naar de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever. In haar rapportage had beklaagde op een voor klager kenbare wijze in moeten gaan op de (mede door klager aangedragen) feiten. Dat is niet gebeurd, waarvoor zij een waarschuwing krijgt opgelegd.

Uitspraak

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

klager

tegen

beklaagde
gemachtigde: mr. I. Janssen, advocaat in Utrecht.

1. Procesverloop

1.1. Via het webformulier is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Als bijlage bij het ingediende webformulier is gevoegd de brief van klager aan beklaagde van 7 oktober 2019 met het voornemen tot indiening van een klacht.

1.2. Op 6 november 2019 is door beklaagde op de klacht gereageerd. Bij deze reactie is een aantal bijlagen gevoegd.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 6 januari 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Klager heeft op 6 januari 2020 aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen en zijn klacht toegelicht bij brief d.d. 19 januari 2020 met 3 bijlagen.

1.5. De gemachtigde van beklaagde heeft op 9 april 2020 namens beklaagde een verweerschrift ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 28 mei 2020. Ter zitting is klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.7. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. In augustus 2019 is door de werkgever van klager aan beklaagde opdracht verstrekt om in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar de re-integratiemogelijkheden van klager.

2.3. Op 2 september 2019 voert beklaagde in dat kader gesprekken met de werkgever van klager, met klager en met de werkgever van klager en klager gezamenlijk.

2.4. Op 3 september 2019 pleegt beklaagde overleg met de bedrijfsarts over de beperkingen van klager. Op diezelfde dag stuurt klager beklaagde een mail met de eerstejaarsevaluatie en het verzuimprotocol en een aantal inhoudelijke opmerkingen over de handelwijze van de werkgever met het verzoek aan beklaagde om deze in het verslag van het gesprek met klager op te nemen. Deze mail is door beklaagde, zoals zij zelf aangeeft, voor kennisgeving aangenomen.

2.5. Op 9 september 2019 is de arbeidsdeskundige rapportage door beklaagde aan klager en aan de werkgever van klager toegezonden met de mogelijkheid om binnen 1 week nog aanpassingen van de rapportage aan beklaagde door te geven.

2.6. Op 17 september 2019 is de definitieve versie van de rapportage door beklaagde vastgesteld. Van klager werd geen reactie ontvangen, maar klager was, zo bleek achteraf, op vakantie. Op verzoek van de werkgever van klager werd het onderdeel van het rapport met de titel ‘gesprek met de werkgever’ door beklaagde aangepast.

2.7. Klager reageert na terugkomst van zijn vakantie, op 24 september 2019, op het rapport en geeft aan zeer teleurgesteld te zijn in het rapport. Terwijl de werkgever volgens klager in het rapport uitgebreid wordt geciteerd, is het verslag van het gesprek met klager volgens klager summier, niet volledig en niet correct. Klager voert een aantal volgens hem belangrijke punten aan die niet in rapport van beklaagde zijn opgenomen.

2.8. Naar aanleiding van de reactie van klager neemt beklaagde op 24 september 2019 telefonisch contact op met klager en laat een bericht op de voicemail van klager achter.

2.9. Op 25 september 2019 laat klager per mail aan beklaagde weten, geen behoefte te hebben aan een gesprek. Beklaagde heeft volgens klager voldoende informatie ontvangen. Klager geeft aan ook contact te hebben gehad met het UWV en de SRA. Beklaagde geeft per mail van dezelfde datum aan, dat aanpassing in goed overleg mogelijk is, dat er volgens een bepaald format wordt gerapporteerd en dat zij bereid is om in gesprek te gaan over aanpassingen.

2.10. Klager laat op 26 september 2019 aan beklaagde weten, dat hij vindt dat hij zowel mondeling als schriftelijk voldoende informatie aan beklaagde heeft verstrekt, dat hij deze informatie graag eerst opgenomen wil zien in de rapportage en daar vervolgens op zal reageren. Beklaagde reageert dezelfde dag met het verzoek om een belafspraak.

2.11. Op 27 september 2019 laat klager nogmaals aan beklaagde weten, dat hij eerst een aangepaste tekst wil ontvangen. Dezelfde dag stuurt beklaagde klager een aangepaste versie van het rapport toe. Daarbij geeft beklaagde aan dat ze recht heeft willen doen aan de opmerkingen van klager en het haar voorkeur heeft het samen telefonisch te bespreken.

2.12. Klager deelt beklaagde op woensdag 2 oktober 2019 mee, dat de aangepaste versie opnieuw incompleet is en een onjuist beeld schetst. Daarbij stuurt klager aan beklaagde tevens een voorgenomen klacht bij de SRA toe, met het verzoek uiterlijk de vrijdag daarop een correcte rapportage te sturen met de zaken die klager heeft aangegeven.

2.13. Na overleg met een collega, die beklaagde adviseert de opmerkingen van klager integraal over te nemen, stuurt beklaagde aan klager en de werkgever van klager een aangepaste versie van het rapport met daarin opgenomen (blz. 12) de tekst van klager.

2.14. Klager reageert dezelfde dag, verwijt beklaagde ‘lapwerk’, geeft aan met de aangepaste versie niet akkoord te zijn en verzoekt beklaagde om, vanwege de ophanden zijnde vakantie van beklaagde, een collega de afhandeling van het rapport over te laten nemen.

2.15. Op 3 oktober 2019 laat klager aan de werkgever, de bedrijfsarts en beklaagde weten dat hij de aangepaste versie van het rapport afwijst, dat hij gesproken heeft met de SRA, dat de SRA de gang van zaken laakbaar vindt, dat de opmerkingen van klager volgens de SRA in de rapportage moeten worden meegenomen en door de SRA is verwezen naar de klachtenprocedure. Diezelfde dag bespreekt beklaagde de klacht als casus in haar OT Groep.

2.16. Op 8 oktober 2019 laat klager aan beklaagde weten, dat hij een klacht naar de SRA voorbereidt.

2.17. Na terugkeer van vakantie, stuurt beklaagde klager een mail waarin zij haar rol als arbeidsdeskundige uitlegt en aangeeft dat indiening van een klacht bij de SRA de beste weg is. Klager reageert daar op 16 oktober 2019 op met de mededeling dat hij de klacht heeft ingediend.

3. De klacht

3.1. De klacht heeft betrekking op de arbeidsdeskundige rapportage van beklaagde van 17 september 2019. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, het volgende:

a. beklaagde heeft klager als arbeidsdeskundige niet alle relevante informatie verschaft (klachtonderdeel a);

b. beklaagde is in strijd met de op haar als arbeidsdeskundige rustende verantwoordelijkheid niet op een redelijke wijze met klager in gesprek gebleven (klachtonderdeel b);

c. de conclusie van het arbeidsdeskundig onderzoek dat er geen passende functie voor klager bij de werkgever beschikbaar is, is niet gebaseerd op een gedegen onderzoek (suggesties van cliënt zijn niet vermeld en niet meegewogen) en is niet voldoende onderbouwd (klachtonderdeel c);

d. beklaagde heeft onvoldoende zelfkennis, zelfreflectie, zorgvuldigheid, billijkheid en professionaliteit in het tegemoet treden van de cliënt getoond (klachtonderdeel d);

e. de rapportage van beklaagde vermeldt niet de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust (klachtonderdeel e);

f. beklaagde heeft de op haar rustende geheimhoudingsplicht jegens klager geschonden (klachtonderdeel f);

g. beklaagde heeft gehandeld in strijd met de financiële zorgvuldigheid (klachtonderdeel g).

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. In het geval van deze klacht gaat het met name om artikel 1 Gedragscode SRA, waarin is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht neemt. Daarnaast wordt in dit geval getoetst aan het vereiste van artikel 3 aanhef en onder 1 en 3 Gedragscode SRA, waarin is vastgelegd dat de rapportage van een arbeidsdeskundige de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeldt waarop het berust en in de rapportage op inzichtelijke wijze uiteen wordt gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Daarnaast doet beklaagde een beroep op artikel 4 van de Gedragscode SRA, dat van de arbeidsdeskundige nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden vraagt, en artikel 6 van de Gedragscode SRA, waarin is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige geheimhouding betracht van de hem toevertrouwde gegevens.

6. De ontvankelijkheid van de klacht

6.1. Als meest verstrekkende verweer voert beklaagde aan dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat sprake is van onjuiste toepassing van artikel 9.6 Tuchtreglement SRA, waarin is vastgelegd dat een klacht pas ter beoordeling aan het Tuchtcollege mag worden voorgelegd als door de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA is vastgesteld dat bemiddeling vruchteloos is.

6.2. Beklaagde mocht er, zo wordt door beklaagde gesteld, na uitvoering van de bij bemiddeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA gemaakte afspraken op vertrouwen dat de klacht daarmee was afgehandeld. Er is niet, althans niet kenbaar, door de Ombudsman vastgesteld ten aanzien van welk onderdeel of onderdelen van de klacht klager en beklaagde niet tot elkaar zijn gekomen en (verdere) bemiddeling vruchteloos was. Klager heeft zich, bij de bemiddeling, ook niet het recht voorbehouden de klacht alsnog bij het Tuchtcollege in te dienen, aldus beklaagde.

6.3. Het Tuchtcollege passeert dit verweer.

6.4. In artikel 3.2. Tuchtreglement SRA is vastgelegd, dat klager het recht heeft een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege en dat, alvorens klager bij het Tuchtcollege ontvankelijk is, de Arbeidsdeskundig Ombudsman dient te hebben vastgesteld dat (verdere) bemiddeling vruchteloos is. Krachtens artikel 9.6. Tuchtreglement SRA geldt vervolgens, dat indien en voor zover de Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft vastgesteld, dat (verdere) bemiddeling vruchteloos is, klager de mogelijkheid heeft om zijn klacht aan het Tuchtcollege voor te leggen. Daarbij geldt krachtens artikel 5.2. Tuchtreglement SRA dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman zich (schriftelijk) niet inhoudelijk uit laat over de klacht.

6.5. De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft, na indiening van een klacht, dus een louter bemiddelende en geen inhoudelijke taak. Om een klacht aan het Tuchtcollege voor te leggen is slechts vereist dat de Ombudsman vaststelt dat (verdere) bemiddeling vruchteloos is. Dat heeft de Ombudsman met de brief van 6 januari 2020 aan het secretariaat SRA laten weten. Daarmee lag de weg naar het Tuchtcollege voor klager open.

Dat door beklaagde inmiddels voldaan was aan in het kader van bemiddeling gemaakte afspraken, doet daar volgens het Tuchtcollege niet aan af, te meer niet omdat de afspraken niet inhielden, dat klager zijn klacht, na uitvoering van de afspraken, zou intrekken. Beklaagde kon en mocht daar volgens het Tuchtcollege ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen. Sterker nog blijkens de afspraken, zoals weergegeven in het verweerschrift van beklaagde van 9 april 2020, zou klager na ontvangst van de gecorrigeerde arbeidsdeskundige rapportage nog laten weten of hij de klacht wil afsluiten dan wel wil laten doorzetten naar het Tuchtcollege. Overigens, maar dat geheel ter zijde, de stelling van beklaagde dat klager zich bij bemiddeling expliciet het recht zou moeten hebben voorbehouden om zijn klacht alsnog aan het Tuchtcollege voor te leggen, is niet vastgelegd in het Tuchtreglement en verdraagt zich naar het oordeel van het Tuchtcollege ook niet met de systematiek van het Tuchtreglement en het doel van bemiddeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman.

Het stond klager naar het oordeel van het Tuchtcollege derhalve volledig vrij om zijn klacht alsnog aan het Tuchtcollege voor te leggen.

6.6. Op grond daarvan is het Tuchtcollege van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.

7. De overwegingen van het Tuchtcollege

7.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van beklaagde bij het uitbrengen van haar rapportage van 17 september 2019 als volgt.

Klachtonderdeel a (onjuist geïnformeerd)

7.2. Klager stelt dat beklaagde hem onjuist heeft geïnformeerd met de opmerking: “Als de werkgever stelt dat er geen passend werk is, dat er dan ook geen mogelijkheden zijn. Aan het eind komen dan de advocaten en dan stopt het. Dat kun je maar het beste gewoon aanvaarden.” Beklaagde geeft aan dat zij denkt dat zij dit niet gezegd heeft, in ieder geval niet op deze manier en met deze strekking.

7.3. Het woord van klager staat daarmee tegenover het woord van beklaagde. Nu het Tuchtcollege noch aanleiding heeft om aan het woord van klager te twijfelen noch aanleiding heeft om te twijfelen aan het woord van beklaagde en de aannemelijkheid van het door klager gestelde daarmee niet kan worden vastgesteld, acht het Tuchtcollege de feitelijke grondslag voor dit klachtonderdeel onvoldoende en wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b (niet op redelijke wijze in gesprek gebleven)

7.4. Het Tuchtcollege geeft beklaagde toe, dat zij, na oplevering van de definitieve rapportage op 17 september 2019, verschillende pogingen heeft gedaan om met klager in gesprek te gaan over het rapport en aanpassing daarvan en dat klager zich ter zake daarvan bepaald niet welwillend heeft opgesteld. In die zin is dit klachtonderdeel ongegrond.

7.5. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het Tuchtcollege tegelijkertijd van oordeel dat beklaagde zich in de aanloop naar de totstandkoming van de definitieve rapportage van 17 september 2019 onvoldoende bewust is geweest van de zorgvuldigheid die van haar als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. Zoals uit de vaste rechtspraak van het Tuchtcollege blijkt, dient de arbeidsdeskundige er in een situatie als deze op bedacht te zijn, dat de belangen van zowel de werkgever als van de werknemer groot zijn, deze belangen veelvuldig aanleiding zijn tot zijn ernstige geschillen en de rapportage van de arbeidsdeskundige daarbij een belangrijke rol speelt. In dat verband is het van belang dat de arbeidsdeskundige het onderzoek zorgvuldig uitvoert en de rapportage van de arbeidsdeskundige niet een extra bron van conflicten vormt.

7.6. Al in het e-mailbericht van 3 september 2019 heeft klager aan beklaagde in vervolg op het gesprek van de dag daarvoor aangegeven dat hij het van groot belang vindt dat en welke opmerkingen in het verslag van beklaagde worden opgenomen.

Beklaagde heeft deze opmerkingen, zoals gezegd, voor kennisgeving aangenomen en niet in haar rapportage opgenomen en verwerkt.

7.7. Uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en de werkgever van klager verzond, de tijd en moeite had genomen om aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, naar aanleiding van zijn mail, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de werknemer. Zij had daarbij ook het belang voor klager van zijn opmerkingen moeten onderkennen, mede in relatie tot het verslag van het gesprek met de werkgever. Dat altijd met een bepaald ‘format’ wordt gewerkt, levert volgens het Tuchtcollege geen rechtvaardiging op voor de door beklaagde gevolgde handelwijze.

Op dat punt heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege niet de zorg betracht die van haar als arbeidsdeskundige mag worden verwacht.

7.8. Dit geldt volgens het Tuchtcollege overigens ook voor de fase na oplevering van het rapport op 9 september 2019. Van beklaagde had als arbeidsdeskundige verwacht mogen worden dat zij meer zorg jegens klager had betracht, toen een reactie van klager op het rapport van 9 september 2019 uitbleef. Verder ziet het Tuchtcollege niet in, waarom beklaagde niet meer zorg en flexibiliteit toonde toen er een zeer kritische en teleurgestelde reactie van klager op het rapport van beklaagde van 17 september 2019 kwam. Door meer begrip voor en toenadering tot klager, had beklaagde veel ongenoegen bij klager kunnen wegnemen en op een evenwichtige manier recht kunnen doen aan de positie van klager in relatie tot zijn werkgever.

Klachtonderdelen c en e (onderbouwing rapport)

7.9. Het Tuchtcollege neemt de klachtonderdelen c en e samen. Kort en goed komen deze klachtonderdelen er op neer, dat beklaagde volgens klager niet op een zorgvuldige wijze heeft onderzocht of er geen andere passende functies bij de werkgever voor handen zijn waarin klager kan re-integreren. Verder klaagt klager er over dat beklaagde in haar rapport niet voldoende beargumenteerd heeft dat er geen andere passende functies bij de werkgever zijn en pas in de versie van de rapportage, na bemiddeling door de Ombudsman, op de door klager aangedragen feiten, suggesties en bevindingen met betrekking tot ander passend werk bij de werkgever is ingegaan.

7.10. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn deze onderdelen van de klacht gegrond. Gezien het belang voor klager van een gedegen onderzoek naar en afweging van de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever en de signalen die klager daar aan beklaagde over gaf, had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mogen worden dat zij hier zorgvuldig onderzoek naar zou doen en in haar rapportage op een voor klager kenbare wijze zou ingaan op de (mede door klager aangedragen) feiten.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege is de rapportage van beklaagde van 17 september 2019 op dit punt erg summier en wordt niet op inzichtelijke wijze uiteengezet op welke gronden beklaagde tot de conclusie komt dat er voor klager geen ander passend werk bij de werkgever aanwezig is. Daarmee voldoet de rapportage van beklaagde van 17 september 2019 niet aan de eisen van artikel 3 aanhef en onder 1 en 3 van de Gedragscode SRA.

Klachtonderdeel d (professionaliteit)

7.11. De opstelling van beklaagde bij bemiddeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman, die door klager als “zeer defensief en offensief” wordt gekwalificeerd en volgens klager getuigde van weinig zelfkennis, zorgvuldigheid, billijkheid en professionaliteit, hetgeen door beklaagde wordt betwist, laat het Tuchtcollege buiten beschouwing. De bemiddeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman en de houding en uitlatingen van partijen daarbij vallen buiten de tuchtrechtelijke toetsing door het Tuchtcollege. Bovendien is ook hier sprake van het woord van klager tegenover het woord van beklaagde en valt door het Tuchtcollege niet genoegzaam vast te stellen wat de houding van beklaagde was en welke uitlatingen daarbij door beklaagde zijn gedaan.

Klachtonderdeel f (geheimhouding)

7.12. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn door klager geen feiten gesteld waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat beklaagde de op haar rustende geheimhoudingsplicht jegens klager heeft geschonden. Weliswaar is de casus door beklaagde ingebracht in haar OT Groep op 3 oktober 2019, maar blijkens het verslag van deze bespreking is dat geanonimiseerd gebeurd en zijn daarbij door beklaagde geen vertrouwelijke gegevens met betrekking tot klager gedeeld. Ook overigens is het Tuchtcollege niet gebleken van een schending van de geheimhoudingsplicht.

7.13. Het Tuchtcollege verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel g (financiële zorgvuldigheid)

7.14. Ter zitting is met klager besproken dat artikel 4 van de Gedragscode SRA (financiële zorgvuldigheid) ziet op de financiële aangelegenheden in de uitvoering van het beroep van arbeidsdeskundige en dit niet ziet op het nadeel dat klager stelt te hebben geleden doordat er door de afhoudende en trage reacties van beklaagde op de verbetersuggesties van klager geen gedegen arbeidsdeskundige rapportage lag bij de WIA-aanvraag. Aan klager is toegelicht dat het Tuchtcollege geen oordeel geeft over dit nadeel.

7.15. Met klager werd afgesproken dat dit klachtonderdeel door het Tuchtcollege voor het verdere buiten beschouwing wordt gelaten.

8. Slotsom

8.1. Nu de hiervoor genoemde klachtonderdelen b, c en e van de klacht gegrond zijn, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk gegrond dient te worden verklaard.

9. Tuchtmaatregel

9.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

9.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

9.3. Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde zich daarvan bij de totstandkoming van de rapportage van 17 september 2019 onvoldoende bewust is geweest en ook bij de behandeling ter zitting onvoldoende inzicht toonde in de tekortkomingen van haar handelwijze.

9.4. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige betreft. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

9.5. Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gedeeltelijk gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 26 juni 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois, lid

B. Gerringa, lid