Uitspraak AT van 25 maart 2021 (zaaknummer: 20/65 AT)

(download als pdf)

Trefwoorden

Onvoldoende onderzoek naar eigen werk. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Waarschuwing. 

Artikelen Gedragscode SRA

Artikel 1 en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA

Samenvatting

Het AT is van oordeel dat beklaagde jegens klaagster niet de zorg heeft betracht die van hem als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mag worden. Hij heeft er onvoldoende op toegezien dat hij beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens ten aanzien van het eigen werk als kraamverzorgster. Uit hoofde van zijn zorgplicht en de op hem rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige mogen worden verwacht dat hij zorgvuldig onderzoek had gedaan en tijd en moeite had genomen om klaagster uitleg te geven over het (aanvullend) onderzoek en daarbij zorgvuldig navraag te doen naar de zienswijze van klaagster. Beklaagde wordt gewaarschuwd.

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

klaagster

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “beklaagde”,
gemachtigde: mevrouw mr. I. Veldhuizen

1. Procesverloop

1.1. Door middel van het websiteformulier is door klaagster op 28 april 2020 een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij het websiteformulier zijn door klaagster 7 bijlagen gevoegd.

1.2. Op 6 juli 2020 is door beklaagde op de klacht gereageerd. Bij deze reactie horen 14 bijlagen.

1.3. Op de reactie van beklaagde van 6 juli 2020 is door klaagster gereageerd met een ongedateerd stuk met de titel “Reactie op verweer 6 juli 2020”.

1.4 De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 7 oktober 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet tot een oplossing heeft geleid en daarmee niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klaagster is meegedeeld dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.5. Met het e-mailbericht van 12 november 2020 heeft klaagster aan het secretariaat SRA laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd. Als nadere toelichting op de klacht heeft klaagster het eerder ingediende stuk “Reactie op verweer 6 juli 2020” bij het e-mailbericht van 12 november 2020 gevoegd.

1.6. Op 5 augustus 2020 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift ingediend.

1.7. Vanwege de corona-maatregelen is, met instemming van zowel klaagster als beklaagde, afgezien van mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege. In plaats daarvan zijn partijen in de gelegenheid gesteld om bij het Tuchtcollege een schriftelijke pleidooi in te dienen van welke mogelijkheid zowel klaagster als beklaagde gebruik hebben gemaakt. Vervolgens hebben klaagster en beklaagde nog schriftelijk op elkaars schriftelijke pleidooien gereageerd.

1.8. Na deze schriftelijke reacties heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op genoemde stukken, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij [organisatie].

2.3. In het kader van herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster heeft beklaagde op 8 oktober 2018 een rapport “Arbeidsdeskundig Onderzoek” opgesteld. De conclusie van het rapport is dat klaagster per 1 mei 2018 minder dan 35% arbeidsongeschikt (31,61%) wordt geacht.

2.4. Naar aanleiding van dit rapport heeft klaagster met het e-mailbericht van 26 oktober 2018 vragen en opmerkingen over het rapport aan beklaagde toegezonden. De vragen en opmerkingen van klaagster hadden betrekking op de weergave van het eigen werk van klaagster als kraamverzorgster in het rapport (aantal uren, nachtwerk) en de geschiktheid voor het eigen werk.

2.5. Met de e-mailberichten van 5 november 2018, 30 november 2018 en 21 december 2018 heeft klaagster bij beklaagde navraag gedaan naar de stand van zaken en voortgang.

2.6. Naar aanleiding van het e-mailbericht van 21 december 2018 heeft beklaagde aan klaagster laten weten, dat hij het aanvullende arbeidskundige onderzoek naar de geschiktheid voor de maatgevende arbeid heeft afgerond en de rapportage per post aan klaagster is toegezonden. Het aanvullend onderzoek is vastgelegd in het rapport “arbeidsdeskundig onderzoek” van 21 december 2018. De conclusie van het onderzoek naar de geschiktheid voor de maatgevende arbeid blijft in dat rapport ongewijzigd: klaagster wordt niet geschikt geacht voor de maatgevende arbeid.

2.7. Op 1 februari 2019 heeft klaagster per e-mail bij beklaagde haar onvrede over de rapporten van 8 oktober 2018 en 21 december 2018 kenbaar gemaakt. Volgens klaagster is er geen zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek gedaan naar het eigen werk (nachtwerk) en de herplaatsingsmogelijkheden bij de werkgever.

2.8. Met haar e-mailbericht van 17 februari 2019 heeft klaagster beklaagde herinnerd aan haar onbeantwoord gebleven e-mailbericht van 1 februari 2019. 

2.9. Beklaagde heeft daarop gereageerd met zijn e-mailbericht van 18 februari 2019 waarin beklaagde aangeeft dat hij in het kader van zijn onderzoek contact heeft gezocht met de werkgever, dat de werkgever (naar het Tuchtcollege is gebleken: in de persoon van mevrouw X) een verklaring heeft afgelegd en dat hij op basis daarvan tot de aangegeven uitkomst van de aanvullende rapportage is gekomen. Beklaagde geeft aan dat hij er van uitgaat dat de werkgever de waarheid spreekt en dat klaagster, als zij het met de uitkomst niet eens is, in bezwaar kan gaan.

2.10. Klaagster reageert dezelfde dag met een e-mailbericht waarin zij nogmaals haar onvrede uit en vraagt waar zij terecht kan met haar klacht als bezwaar niet meer mogelijk is. Beklaagde geeft daarop aan dat klaagster een klacht kan indienen bij [organisatie].

2.11. De klacht die klaagster bij [organisatie] heeft ingediend is op 3 mei 2019 ongegrond verklaard. 

2.12. Op 7 februari 2020 heeft klaagster een verzoek tot schadevergoeding bij [organisatie] ingediend. Een beslissing op dat verzoek is bij het Tuchtcollege niet bekend.

2.13. Op 25 maart 2020 heeft klaagster aan beklaagde laten weten dat zij het gedrag van beklaagde wil laten toetsen door het Tuchtcollege en zij bij de SRA een klacht gaat indienen. 

3. De klacht

3.1. De klacht houdt, kort samengevat in, dat beklaagde het arbeidskundig onderzoek, dat heeft geresulteerd in genoemde rapporten van 8 oktober 2018 en 21 december 2018, niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat beklaagde daarbij niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen.

3.2. De klacht bestaat uit de volgende deelklachten:

a. beklaagde heeft ten onrechte geen contact opgenomen om e-mailberichten te verifiëren;

b. beklaagde heeft niet met klaagster gecommuniceerd;

c. beklaagde heeft mevrouw X ten onrechte betrouwbaar en onafhankelijk geacht;

d. beklaagde heeft er niet op toegezien dat hij over betrouwbare medische gegevens beschikte;

e. beklaagde is er ten onrechte van uitgegaan dat traplopen en nachtwerk tot het werk van kraamverzorgster behoort;

f. beklaagde heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de herplaatsingsmogelijkheden;

g. beklaagde heeft niet met respect jegens klaagster en niet onafhankelijk gehandeld.

3.3. Daarmee zou verweerster hebben gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA (in acht nemen van de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige) en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (de arbeidsdeskundige ziet er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toe dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken). 

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan. 

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Omdat de klacht is ingediend voor 1 augustus 2020 geldt voor de behandeling van de klacht krachtens artikel 22.2 van het Tuchtreglement nog het Tuchtreglement zoals dat gold voor de wijziging van het Tuchtreglement met ingang van 1 augustus 2020.

5.2. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. 

5.3. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.  

5.4. Daarbij is in dit geval het volgende van belang. Bij de beoordeling van het handelen van de arbeidsdeskundige door het Tuchtcollege gaat het er niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.5. In het geval van deze klacht gaat het met name om de hiervoor reeds genoemde artikelen 1 Tuchtreglement en 1 en 2 lid 2 Gedragscode SRA.

5.6. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klaagster: het Tuchtcollege beperkt zich tot een beoordeling van de handelwijze van de arbeidsdeskundige en geeft geen oordeel over de arbeidsrelatie met de voormalige werkgever van klaagster, de beëindiging van deze arbeidsrelatie, het handelen van de voormalige werkgever, het handelen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV, de gevolgen voor klaagster van het handelen van verweerster en het schadevergoedingsverzoek dat door klaagster bij [organisatie] is ingediend. Dit laat het Tuchtcollege bij de beoordeling van de klacht buiten beschouwing. 

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klaagster en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van beklaagde bij het arbeidskundig onderzoek dat heeft geleid tot de totstandkoming van zijn rapporten van 8 oktober 2018 en 21 december 2018 als volgt.

6.2. Met betrekking tot klachtonderdeel c wijst het Tuchtcollege er op, dat het Tuchtcollege niet treedt in de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van mevrouw X. Het Tuchtcollege gaat er echter van uit dat klaagster met dit onderdeel van de klacht bedoelt, dat beklaagde zijn (aanvullende) onderzoek niet enkel op de verklaring van de werkgever in de persoon van mevrouw X had mogen baseren. Daar komt het Tuchtcollege hierna op terug.

6.3. Klachtonderdeel d is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Beklaagde beschikte ten tijde van zijn arbeidskundige onderzoek over een recente en actuele rapportage van de verzekeringsarts van het UWV. Uit de stukken blijkt niet dat er aanleiding was voor een nieuw medisch onderzoek dan wel van signalen waaruit beklaagde had moeten afleiden dat hij niet, althans niet zonder nader overleg, van de rapportage van de verzekeringsarts kon en mocht uitgaan. Daarmee kan naar het oordeel van het Tuchtcollege niet gezegd worden dat door beklaagde is gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA.

6.4. De stukken bieden naar de mening van het Tuchtcollege ook geen grond voor het oordeel dat beklaagde klaagster niet met respect heeft behandeld en beklaagde zich niet onafhankelijk heeft opgesteld. Daarmee is klachtonderdeel g naar het oordeel van het Tuchtcollege ook ongegrond. 

6.5. Een onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden bij de werkgever is geen relevant onderdeel van een arbeidskundig onderzoek in het kader van herbeoordeling van de WIA. De vraag naar herplaatsingsmogelijkheden had niet in de rapportage moeten worden meegenomen. Per abuis is deze vraagstelling toch meegenomen in de rapportage van 8 oktober 2018. Beklaagde heeft bovendien geconcludeerd dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, zonder, zo wordt door beklaagde ook erkend, dat daar onderzoek naar is gedaan. Daarmee heeft beklaagde niet zorgvuldig gehandeld en is door beklaagde onnodige verwarring bij klaagster veroorzaakt. De klacht van klaagster daarover (klachtonderdeel f) is naar het oordeel van het Tuchtcollege gegrond. Dit is door beklaagde ook erkend. Beklaagde heeft zijn excuses aangeboden en heeft aangegeven zijn werkwijze naar aanleiding van deze fout ook te hebben aangepast.

6.6. Ter zake van de klachtonderdelen a, b, c en e gezamenlijk is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde jegens klaagster niet de zorg heeft betracht die van hem als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mag worden en beklaagde er onvoldoende op heeft toegezien dat bij zijn onderzoek beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens over het eigen werk van klaagster als kraamverzorgster.

6.7. De signalen van klaagster na het eerste rapport van 8 oktober 2018 hadden voor beklaagde aanleiding moeten zijn om zorgvuldig onderzoek te doen naar het eigen werk van klaagster (met name op het punt van nachtwerk en traplopen) en klaagster daarbij te betrekken. Beklaagde had in dat verband naar het oordeel van het Tuchtcollege niet alleen af mogen gaan op de verklaring van de werkgever in de persoon van mevrouw X maar had ook navraag moeten doen bij klaagster en de verklaring van de werkgever bij klaagster moeten verifiëren alvorens zijn rapportage van 21 december 2018 uit te brengen. Ook had beklaagde, zeker na de diverse herinneringsmailtjes van klaagster, contact met klaagster moeten opnemen, klaagster moeten horen en klaagster uitleg moeten verschaffen over zijn aanvullende onderzoek. Nu heeft beklaagde ten onrechte en zonder enige toelichting op 21 december 2018 volstaan met de mededeling per e-mail aan klaagster dat het aanvullende onderzoek is afgerond en het rapport per post aan klaagster wordt toegezonden.

6.8. Genoemde handelwijze brengt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook met zich mee dat klaagster er in klachtonderdeel e terecht over klaagt dat beklaagde onvoldoende onderzocht en geverifieerd heeft of traplopen en nachtwerk tot het eigen werk van klaagster als kraamverzorgster behoren. De blijkens de stukken bij beklaagde ten tijde van het onderzoek daarover bekende informatie en het bij beklaagde bekende standpunt van klaagster, vormden daarvoor naar de mening van het Tuchtcollege meer dan voldoende aanleiding. Ze hadden voor beklaagde in ieder geval aanleiding moeten zijn om op dit punt een deugdelijk gemotiveerde afweging te maken en deze afweging te verantwoorden en vast te leggen in zijn rapportage.  

6.9. In diverse uitspraken is door het Tuchtcollege reeds gewezen op de hoge mate van zorg en toenaderingsverantwoordelijkheid die van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. 

Uit hoofde van zijn zorgplicht en de op hem rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat hij zorgvuldig onderzoek had gedaan en de tijd en moeite had genomen om klaagster uitleg te verschaffen over het (aanvullend) onderzoek en daarbij zorgvuldig navraag te doen naar de zienswijze van klaagster. Hij had daarbij ook het belang voor klaagster moeten onderkennen en er niet, althans niet zonder meer, vanuit mogen gaan dat navraag bij klager niet meer nodig was.

6.10. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 1 en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA.

7. Slotsom

7.1. Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat de klacht voor wat betreft de hiervoor aangegeven onderdelen van de klacht gegrond is.

8. Tuchtmaatregel

8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht moeten leiden.

8.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze ernstige tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

8.3. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige betreft. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien heeft beklaagde de bereidheid getoond om excuses aan te bieden en zijn wijze van handelen aan te passen. 

8.4. Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klaagster ingediende klacht gegrond voor wat betreft de aangegeven onderdelen van de klacht en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 25 maart 2021 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

J. van Heteren, lid

B. van Lieshout, lid