SRA Tuchtreglement per 1 augustus 2020 gewijzigd

Het SRA-bestuur heeft eind juli ingestemd met een wijziging van het Tuchtreglement. Na voorbereiding in samenspraak met de voorzitters van de tuchtcolleges is het Tuchtreglement op een aantal punten inhoudelijk aangevuld en ook redactioneel aangepast. Deze wijzigingen van het Tuchtreglement zijn ingegaan op 1 augustus 2020. Dat betekent dat het geactualiseerde reglement van toepassing is op klachten die vanaf die datum bij het secretariaat worden ingediend. Op lopende tuchtzaken blijft het ‘oude’ reglement van toepassing, dat op verzoek bij het secretariaat kan worden opgevraagd.

Wat zijn de belangrijkste inhoudelijke aanpassingen? Wij zetten ze voor u op een rij. Allereerst wordt in het gehele reglement de beklaagde register-arbeidsdeskundige consequent aangeduid als ‘verweerder’ (dat ook, waar nodig, mag worden gelezen als ‘verweerster’). Dit benadrukt dat de SRA-tuchtprocedure een procedure op tegenspraak is, waarin partijen gelijkwaardig worden behandeld en waarin de verweerder de ruimte krijgt om zich tegen een klacht te verdedigen.

De klachtbehandeling vindt vertrouwelijk plaats. Tot nu toe was dit geborgd door middel van ondertekening van een geheimhoudingsverklaring. In het Tuchtreglement is nu in de artikelen 5.3 en 10.5 jo. 15.3 ook voor respectievelijk de Arbeidsdeskundig Ombudsman als de voorzitters en leden van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) en het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (CAT) een geheimhoudingsplicht ingevoerd voor gegevens waarover zij in de uitvoering van hun taak de beschikking krijgen en waarvan duidelijk is dat die gegevens vertrouwelijk zijn. Alleen een wettelijk voorschrift of een noodzaak bij de uitoefening van hun taak kan leiden tot doorbreking van die plicht. 

Vertrouwelijkheid wordt ook gewaarborgd door de beslotenheid van de zitting. Om die reden is nu ook uitdrukkelijk bepaald dat het in het geheel niet is toegestaan dat tijdens de zitting van de Arbeidsdeskundig Ombudsman of van de tuchtcolleges opnamen worden gemaakt (art. 8.5, 13.2 en 19.1). 

Onafhankelijkheid van de klachtbehandeling

Onpartijdige en onafhankelijke klachtbehandeling brengt mee dat de leden van het behandelend tuchtcollege ook ten opzichte van elkaar onafhankelijk zijn. Op grond van art. 10.3 jo. art. 15.3 mogen tussen de Arbeidsdeskundig Ombudsman en de betrokkenen bij de tuchtcolleges geen nauwe relationele betrekkingen bestaan. Niet elke persoonlijke relatie wordt door het Tuchtreglement uitgesloten: het gaat om het zijn van echtgenoten of geregistreerde partners en familieleden tot de derde graad (dus tot en met neven en nichten). Ook gelden er beperkingen op basis van de werkkring, met name het lidmaatschap van dezelfde maatschap of van een samenwerkingsverband waarin het beroep van arbeidsdeskundige wordt uitgeoefend. Tussen de betrokkenen mag ook geen verhouding van werkgever-werknemer bestaan. 

Tot slot is met de wijziging van het tuchtreglement geregeld dat men niet tegelijkertijd meerdere functies binnen de SRA kan vervullen. Dat zijn op grond van het reglement onverenigbare betrekkingen, om een onafhankelijke klachtbehandeling te verzekeren (zie art. 10.4).

Er is voortaan ook sprake van één schriftelijke stukkenwisseling. Die bestaat allereerst op grond van art. 6.1 uit de indiening van de klacht door de klager bij het secretariaat en de aan de verweerder geboden gelegenheid voor schriftelijk verweer. Indien de Arbeidsdeskundig Ombudsman dat nuttig vindt kan deze zowel klager als verweerder nog een keer schriftelijk laten reageren (door middel van repliek en dupliek, zie art. 7.1). Deze beperking van de schriftelijke procedure voorkomt dat partijen bij het AT hun standpunten slechts herhalen of dat de klager zijn klacht bij doorzetting naar het AT uitbreidt. Een bijkomende aanleiding voor deze aanpassing is het beperken van de administratieve belasting voor het secretariaat en de bekorting van de doorlooptijd van de procedure.

Het AT legt dus de door de Arbeidsdeskundig Ombudsman verzamelde stukken aan de behandeling van de klacht ten grondslag (art. 11.3).

Rechten van partijen

Het recht van partijen om zich te verzekeren van juridische bijstand was tot nu toe gebruikelijk maar is nu uitdrukkelijk vastgelegd in art. 12.2 (AT) jo. art. 15.3 (CAT). Ter voorbereiding op de zitting en tijdens de zitting zelf mogen voor partijen gemachtigden optreden. Als een gemachtigde geen advocaat is, kan het AT of het CAT in geval van twijfel nader onderzoek doen naar de volmacht van de gemachtigde.

In het Tuchtreglement is opgenomen dat niemand twee keer voor dezelfde klacht tuchtrechtelijk kan worden beoordeeld. Dit beginsel waarborgt dat aan geschillen een einde moet komen. Als er over bepaalde feiten is geklaagd en daar door de tuchtcolleges onherroepelijk over is beslist, zo bepaalt art. 11.4, dan kan er niet nogmaals over geklaagd worden.

De tuchtcolleges worden bevoegd om te oordelen over een klacht die is ingediend tegen een register-arbeidsdeskundige die niet meer in het register is ingeschreven (art. 11.5). Dat is een algemeen uitgangspunt in het tuchtrecht. Het voorkomt dat iemand door zich uit te schrijven zich zou kunnen onttrekken aan een beoordeling van de klacht. Hoewel een opgelegde maatregel een voormalige register-arbeidsdeskundige niet direct zal raken dient het de rechtsgelijkheid en kan de uitspraak van het tuchtcollege bijdragen aan de beroepsontwikkeling. Indien de desbetreffende arbeidsdeskundige zich weer zou willen laten inschrijven kan dan met het tuchtrechtelijk verleden van de verzoeker rekening worden gehouden.

Ingevoerd is ook een regeling wat moet gebeuren indien een van de partijen overlijdt. Als een register-arbeidsdeskundige zou overlijden tijdens de behandeling van de klacht, dan wordt de behandeling van die klacht gestaakt (art. 12.3 jo. art. 15.3). In tuchtrecht staat immers de persoonlijke verantwoordingsplicht centraal. Niet onbelangrijk is dat in dat geval verweer op de klacht ook niet meer mogelijk is.  

Dat kan anders liggen als de klager overlijdt. Een klacht kan bijvoorbeeld aanleiding geven voor de beantwoording van een rechtsvraag die kan bijdragen aan de beroepsontwikkeling. Het is dan aan het tuchtcollege om een beslissing te nemen of de klacht wordt voortgezet. Er moet dan wel sprake zijn van redenen die kunnen worden ontleend aan het algemeen belang.

De procedurevoorschriften en de gang van zaken op zitting zijn voor het AT en het CAT nu geharmoniseerd, onder meer via de schakelbepaling in art. 15.3. Het AT dan wel het CAT sluit het onderzoek ter zitting indien het tuchtcollege van oordeel is dat het onderzoek is voltooid. Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten heeft de verweerder het recht het laatste woord te voeren (art. 13.3). Dit maakt duidelijk dat dit laatste woord het laatste procedurele element van de zitting vormt. 

Door het AT en het CAT wordt schriftelijk uitspraak gedaan (art. 13.4 en art. 19.3). Hoewel die schriftelijkheid impliciet volgt uit de ondertekening en verzending van de beslissing, is door aanvulling van het reglement duidelijk gemaakt dat de tuchtcolleges uitsluitend schriftelijk uitspraak doen.

Tuchtmaatregelen

Bij de tuchtmaatregelen is in art. 20.2 van het Tuchtreglement verduidelijkt dat het tuchtcollege kan bepalen dat ondanks de gegrondverklaring van de klacht, geen maatregel wordt opgelegd. Het oordeel ‘gegrond zonder maatregel’ is immers zelf geen maatregel.

De proeftijd die het tuchtcollege bij een voorwaardelijke schorsing kan opleggen is nu ook aan een termijn gebonden (art. 20.3). De op te leggen proeftijd duurt maximaal twee jaar, zoals in andere tuchtstelsels gebruikelijk is.

Tot slot is geregeld wat het gevolg is van een schorsing van de inschrijving in het register: in dat geval mag de verweerder tijdens de schorsing de titel Register-Arbeidsdeskundige niet voeren (art. 20.4). De duur van de schorsing blijft maximaal een jaar.

Klik hier voor een directe link naar de Statuten.
Klik hier voor een directe link naar het Tuchtreglement.