Uitspraak AT van 18 november 2020 (zaaknummer: 20/63 AT)

AT van 18 november 2020 (zaaknummer: 20 / 63 AT)

Trefwoorden

Handelen als arbeidsdeskundige? Niet-ontvankelijk.

Artikelen Gedragscode SRA

Samenvatting

Beklaagde heeft niet gehandeld in hoedanigheid arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft zich geïntroduceerd als verzuimadviseur van de werkgever. En niet als arbeidsdeskundige. Meerdere keren (automatisch digitaal) ondertekend met “register-arbeidsdeskundige” verwarrend en onhandig. Andere feiten dan uitspraak AT 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT). Geen sprake van klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement. Klacht niet-ontvankelijk.

Uitspraak AT van 18 november 2020 (zaaknummer: 20/63 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

“klaagster”

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “verweerster”.

1. Procesverloop

1.1. Door middel van het websiteformulier is door klaagster op 31 januari 2020 een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij het websiteformulier zijn door klaagster diverse bijlagen gevoegd.

1.2. Op 22 maart 2020 is door verweerster op de klacht gereageerd. Bij deze reactie horen 3 bijlagen.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 25 juni 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet tot een oplossing heeft geleid en daarmee niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klaagster is meegedeeld dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Met het e-mailbericht van 8 juli 2020 met diverse bijlagen heeft klaagster aan het secretariaat SRA laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd en heeft klaagster de klacht nader toegelicht.

1.5. Op 5 augustus 2020 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 22 oktober 2020. Klaagster en verweerster zijn ter zitting verschenen. Klaagster en verweerster hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.7. Na een schorsing van de zitting, heeft het Tuchtcollege aan klaagster en verweerster laten weten dat het onderzoek wordt gesloten en is direct uitspraak gedaan. Deze uitspraak is de schriftelijke weergave van deze uitspraak.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. In de periode 2015-2019 is verweerster werkzaam geweest bij de voormalig werkgever van klaagster als adviseur verzuim/casemanager, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst (2015-2017), daarna als zzp-er (2017-2019).

2.3. Verweerster werd door de voormalig werkgever van klaagster ingezet om de afdeling P&O te ondersteunen bij lopende vaak wat complexere re-integratiedossiers. De taken van verweerster lagen met name op het gebied van casemanagement en ziekteverzuimbegeleiding.

2.4. In de periode 2017-2019 heeft verweerster als zodanig bemoeienissen gehad met het ziekteverzuimdossier van klaagster. Verweerster had in dat verband veelvuldig contact met klaagster. Tot circa begin februari 2019 is verweerster bij het dossier betrokken geweest.

2.5. Het dienstverband tussen klaagster en haar voormalig werkgever is beëindigd door een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter per 1 maart 2019.

3. De klacht

3.1. De klacht houdt, kort samengevat in, dat verweerster tijdens haar bemoeienissen met het dossier van klaagster niet objectief heeft gehandeld. Verweerster had naar het oordeel van klaagster het oordeel al klaar op basis van uitsluitend gegevens van de werkgever. Verder luidt de klacht dat verweerster niet onpartijdig en niet onafhankelijk was. Verweerster trad volgens klaagster uitsluitend op als vertegenwoordiger van de werkgever van klaagster. Voorts klaagt klaagster er over dat verweerster onvoldoende aandacht heeft besteed aan de opmerkingen van klaagster over het oordeel van de bedrijfsarts en deze opmerkingen niet heeft gecontroleerd. Ten slotte is de klacht dat verweerster volgens klaagster geen oordeel over de belastbaarheid van klaagster heeft gegeven.

3.2. Daarmee zou verweerster hebben gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA (in acht nemen van de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige) en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (de arbeidsdeskundige ziet er bij de afweging van belasting en belastbaarheid op toe dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens).

4. Het verweer

4.1. Verweerster voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Daarbij is in dit geval het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt in de eerste plaats over de ontvankelijkheid van de klacht. Bij een ontvankelijke klacht oordeelt het Tuchtcollege uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. In het geval van deze klacht gaat het met name om de hiervoor reeds genoemde artikelen 1 Tuchtreglement en 1 en 2 lid 1 Gedragscode SRA.

5.5. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klaagster: het Tuchtcollege beperkt zich tot een beoordeling van ontvankelijkheid van de klacht en de handelwijze van de arbeidsdeskundige en geeft geen oordeel over de arbeidsrelatie met de voormalige werkgever van klaagster, de beëindiging van deze arbeidsrelatie, het handelen van de voormalige werkgever, het handelen van de bedrijfsarts en de gevolgen voor klaagster van het handelen van verweerster. Dit laat het Tuchtcollege bij de beoordeling van de klacht buiten beschouwing.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Als meest vergaande verweer voert verweerster aan dat zij jegens klaagster niet heeft gehandeld in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige, daarom geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement en de klacht van klaagster daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.2. Op basis van het dossier en hetgeen klaagster en verweerster over en weer ter zitting hebben aangevoerd, komt het Tuchtcollege met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht tot het volgende oordeel.

6.3. In de periode dat verweerster bemoeienissen had met (het dossier van) klaagster (2017-2019), was zij bij de voormalige werkgever van klaagster in dienst als verzuimadviseur/casemanager. Eerst op basis van een arbeidsovereenkomst, later als zzp-er. Met betrekking tot klaagster heeft verweerster geen arbeidsdeskundige werkzaamheden verricht. Zo is er geen bepaling van belasting en belastbaarheid geweest en is er geen sprake van arbeidsdeskundige rapportages en arbeidsdeskundige activiteiten. Verweerster had als zodanig niet een eigen dossier van klaagster en ook geen toegang tot de medische gegevens van klaagster. Verweerster heeft zich als medewerker van de werkgever namens de werkgever uitsluitend beziggehouden met de ziekteverzuimbegeleiding van klaagster.

6.4. Door klaagster is ook erkend (zowel in de aanvulling van de klacht van 8 juli 2020) als ter zitting dat verweerster, zoals verweerster ook naar voren heeft gebracht, zich bij haar heeft geïntroduceerd als verzuimadviseur van de werkgever en niet als arbeidsdeskundige.

6.5. Klaagster heeft ter zitting nog aangevoerd, dat de rol van verweerster gaande het ziekteverzuimtraject veranderde en meer arbeidsdeskundig werd. Verweerster ging volgens klaagster meer dingen controleren, onderzoeken of er ander passend werk bij werkgever was dan wel werk bij werkgever passend gemaakt kon worden en zich actiever bemoeien met de re-integratie tweede spoor. Nog afgezien van de vraag of genoemde werkzaamheden strikt genomen wel arbeidsdeskundige werkzaamheden zijn, merkt het Tuchtcollege op dat van een dergelijke ‘rolwisseling’ niet uit het dossier blijkt. Een dergelijke rolwisseling is door verweerster ook nadrukkelijk ontkend. Ter zitting heeft verweerster uitvoerig toegelicht dat zij zich er bij haar bemoeienissen met het dossier van klaagster zeer van bewust is geweest dat zij als ziekteverzuimadviseur/casemanager geen arbeidsdeskundige werkzaamheden voor klaagster kon verrichten, zij deze rollen strikt gescheiden moest houden en ook niet van rol kon wisselen door alsnog arbeidsdeskundige werkzaamheden in het dossier van klaagster te gaan verrichten. Het Tuchtcollege volgt klaagster dan ook niet in haar stellingname dat verweerster later een meer arbeidsdeskundige rol is gaan vervullen. Volgens het Tuchtcollege heeft verweerster jegens klaagster niet als arbeidsdeskundige gehandeld.

6.6. Klaagster heeft ook nog gewezen op het feit dat verweerster in de rapportages van het UWV is aangeduid als arbeidsdeskundige en verweerster zo ook is genoemd door de advocaat van de werkgever in de procedure bij de rechtbank. Dit acht het Tuchtcollege niet overtuigend, nu uit het dossier niet blijkt dat verweerster zich als zodanig gepresenteerd heeft bij het UWV en bij de advocaat van werkgever. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat het UWV daar ook niet naar gevraagd heeft en zij bij de procedure bij de rechtbank niet betrokken is geweest. Dat het UWV er blijkbaar eenzijdig voor heeft gekozen om verweerster als arbeidsdeskundige te benoemen en de advocaat van de werkgever haar zo ook heeft genoemd, kan en mag verweerster volgens het Tuchtcollege niet worden aangerekend, nu dit door en ook niet in overleg dan wel met toestemming van verweerster gebeurd is. Gezien hetgeen hiervoor reeds is overwogen, maakt dit naar het oordeel van het Tuchtcollege niet dat gezegd kan worden dat sprake is van gedragingen van verweerster jegens klaagster in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige.

6.7. Dat geldt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook voor het feit dat in verschillende e-mailberichten van verweerster aan klaagster door verweerster onder haar naam de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige is gebruikt. Verweerster gaf aan dat dit een automatische digitale handtekening is met de titel gecertificeerd register-arbeidsdeskundige/casemanager is, die zij ook in dit geval onbewust gebruikte. Aan klaagster heeft zij toegegeven dat dit tot onduidelijkheid en verwarring aanleiding heeft kunnen geven. Maar, gezien het feit dat verweerster zich nadrukkelijk en door klaagster erkend als verzuimadviseur namens de werkgever bij klaagster heeft gepresenteerd en verweerster geen arbeidsdeskundig werk voor klaagster heeft verricht, is naar het oordeel van het Tuchtcollege veeleer sprake van verwarring achteraf bij klaagster. Daarbij merkt het Tuchtcollege op dat de automatische handtekening niet onder alle e-mailberichten aan klaagster is gebruikt en door verweerster altijd het e-mailadres van de werkgever is gebruikt.

Gezien deze feiten en omstandigheden leidt de (enkele) vermelding van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten van klaagster, in dit geval niet tot het oordeel dat sprake is van handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. De feiten en omstandigheden liggen wat dat betreft anders dan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de uitspraak van het Tuchtcollege van 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT).

6.8. Ten overvloede en in het belang van de kwaliteit en professionalisering van het vak van arbeidsdeskundige wijst het Tuchtcollege er ten overvloede wel op, dat een arbeidsdeskundige die geregistreerd is als register-arbeidsdeskundige verwarring door het gebruik van de titel moet voorkomen en het in dat verband van wijsheid en zorgvuldigheid getuigt om de titel in het geheel niet te gebruiken, ook niet als automatische digitale handtekening, als niet als register-arbeidsdeskundige wordt gehandeld. Verweerster gaf ter zitting in dat verband aan dat de klacht voor haar op dit punt een ‘harde leerschool’ is geweest, dat het gebruik van de automatische digitale handtekening met vermelding van de titel gecertificeerd register-arbeidsdeskundige “onhandig” en ‘’naief” was en zij deze in het vervolg beslist niet meer automatisch zal gebruiken, zeker niet als zij geen arbeidsdeskundig werk verricht.

6.9. Op grond hiervan komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat verweerster jegens klaagster inderdaad niet heeft gehandeld in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige, er daarom geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement en de klacht van klaagster daarom niet- ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.10. Daarmee komt het Tuchtcollege niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten van klaagster. De handelwijze van verweerster waarover geklaagd laat zich overigens ook verstaan nu verweerster niet als arbeidsdeskundige handelde.

7. Slotsom

7.1. het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven op 18 november 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois, lid

B. Gerringa, lid

Noot

Deze zaak gaat over de ontvankelijkheid van een tuchtklacht bij SRA. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”. Als van zo’n gedraging geen sprake is kan klager niet in zijn klacht bij SRA worden ontvangen en is klager dus “niet-ontvankelijk”.

Het AT verwijst naar de uitspraak van 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT) waar dit ook speelde. In die zaak trof dat verweer, anders dan in deze zaak, geen doel en werd de klacht dus inhoudelijk behandeld. Vanwaar het verschil?

Het AT onderzoekt in beide casus of sprake is van arbeidsdeskundig handelen. Dat onderzoek is nodig, omdat anders niet is vast te stellen of de klacht voldoet aan art. 1 van het Tuchtreglement SRA. Daarbij gaat het AT verder dan uitsluitend te kijken naar een ondertekening als “register-arbeidsdeskundige”. Het AT onderzoekt (terecht) ook inhoudelijk welke werkzaamheden verweerster precies heeft uitgevoerd waarover wordt geklaagd en beoordeelt of dat arbeidsdeskundige werkzaamheden zijn.

In de casus die leidde tot de uitspraak van 9 maart 2020 was verweerder opgetreden als loonwaarde-expert. Hij had geen arbeidsdeskundig onderzoek gedaan, maar een loonwaarde-onderzoek. De klacht was volgens hem niet-ontvankelijk, omdat geen sprake was van een blijk van onvrede die betrekking had op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid in de zin van artikel 1 Gedragscode SRA. Het AT passeerde dit verweer. De rapportage van 2 april 2019 (het loonwaarde onderzoek) was volgens de rapportage door verweerder niet alleen als gecertificeerd loonwaarde-expert uitgebracht, maar allereerst als register-arbeidsdeskundige. In de e-mailcorrespondentie van april 2019 tussen verweerder en klager presenteerde hij zich ook bij herhaling als zodanig. Klager was en mocht er dan ook volgens het AT vanuit gaan dat verweerder optrad als arbeidsdeskundige. Bovendien behoort loonwaarde-onderzoek tot het deskundigheidsgebied en werkterrein van een arbeidsdeskundige.

In deze zaak ligt dat echt anders. Verweerster had geen arbeidsdeskundige werkzaamheden verricht. Zo was er geen bepaling van belasting en belastbaarheid. Evenmin was sprake van arbeidsdeskundige rapportages of arbeidsdeskundige activiteiten. Verweerster had geen eigen dossier. Zij hield zich uitsluitend bezig met de ziekteverzuimbegeleiding van klaagster. Verweerster had zich geïntroduceerd als verzuimadviseur van de werkgever. En niet als arbeidsdeskundige. Terecht vraagt het AT wel aandacht voor de verwarring die is opgetreden doordat verweerster enkele keren (automatisch) digitaal ondertekende als “register-arbeidsdeskundige”, wat erop duidde dat zij wel als arbeidsdeskundige zou werken. Dit zal in de digitale praktijk van alledag ongetwijfeld vaker voorkomen. Het is dan ook van groot belang dat arbeidsdeskundigen hier goed op letten.

E.J. Wervelman