Uitspraak CAT van 21 mei 2021 (zaaknummer: 20-28 CAT)

(download als pdf)

Uitspraak

Uitspraak CAT van 21 mei 2021 (zaaknummer: 20-28 CAT)

Trefwoorden

Overlap werkzaamheden verzuimadviseur en arbeidsdeskundige. Geen sprake van handelen in hoedanigheid van arbeidsdeskundige. Niet-ontvankelijk.

Artikelen Gedragscode SRA

Artikel 1 en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA.

Samenvatting

Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van het AT. Verweerster was werkzaam als adviseur verzuim/casemanager. Het CAT onderkent dat er een zekere overlap kan bestaan tussen de werkzaamheden van een verzuimadviseur en een arbeidsdeskundige. Verweerster heeft echter van aanvang af duidelijk gemaakt op te treden als adviseur verzuim/casemanager. Dat is de professionele hoedanigheid waarin verweerster dus is opgetreden. De beweerdelijke activiteiten van verweerster, zoals advies geven aan werkgever over re-integratie en spoor 2 advies onderzoeken, zijn onvoldoende toegespitst op de rol van verweerster. Dat geldt ook voor de verwijzing naar nieuwsbrief van werkgever, waarin verweerster als arbeidsdeskundige is gepresenteerd. De titel gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten leidt ook niet tot handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. Het college verklaart het beroep ongegrond. 

 

Zaaknummer 20-28 CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van 

 

klaagster in hoger beroep,

hierna te noemen: klaagster,

 

tegen

de register-arbeidsdeskundige,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerster. 

 

Procesverloop

1.1 Bij beroepschrift van 22 december 2020 heeft klaagster, onder overlegging van 4 producties, tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 18 november 2020 met zaaknummer 20-63/AT, gegeven tussen klaagster en verweerster. Voor het procesverloop bij het AT verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder 'Procesverloop.'

 

1.2 Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, binnengekomen op 2 februari 2021, waarbij gevoegd 2 producties.

 

1.3 De gebruikelijke mondelinge behandeling heeft vanwege coronabezwaren niet plaatsgevonden. In plaats daarvan hebben partijen schriftelijk gepleit, klaagster op 21 maart 2021 (onder overlegging van producties) en verweerster op 12 april 2021.

 

1.4 Ten slotte is uitspraak bepaald. 

 

De feiten

2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje 'Feiten' in de bestreden uitspraak zijn vermeld. Het gaat daarbij om het volgende, waarbij het college voor wat betreft 2.2 verwijst naar hetgeen daarover bij grief 1 wordt opgemerkt.

 

2.2 In de periode 2015-2019 is verweerster werkzaam geweest bij de voormalig werkgever van klaagster als adviseur verzuim/casemanager, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst (2015-2017), daarna als zzp’er (2017-2019). Verweerster heeft zich als verzuimadviseur geïntroduceerd bij klaagster.

 

2.3 Verweerster werd door de voormalig werkgever van klaagster ingezet om de afdeling P&O te ondersteunen bij lopende vaak wat complexere re-integratiedossiers. De taken van verweerster lagen met name op het gebied van casemanagement en ziekteverzuimbegeleiding.

 

2.4 In de periode 2017-2019 heeft verweerster als zodanig bemoeienissen gehad met het ziekteverzuimdossier van klaagster. Verweerster had in dat verband veelvuldig contact met klaagster. Tot circa begin februari 2019 is verweerster bij het dossier betrokken geweest.

 

2.5 Het dienstverband tussen klaagster en haar voormalig werkgever is bij beschikking van de kantonrechter van 28 februari 2019 beëindigd door ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2019.

 

Overwegingen

3.1 Volgens de uitspraak van het AT, waarvan beroep, houdt de klacht kort samengevat in dat verweerster tijdens haar bemoeienissen met het dossier van klaagster niet objectief heeft gehandeld. Verweerster had volgens klaagster het oordeel al klaar op basis van uitsluitend gegevens van de werkgever. Verder luidt de klacht dat verweerster niet onpartijdig en niet onafhankelijk was. Verweerster trad volgens klaagster uitsluitend op als vertegenwoordiger van de werkgever van klaagster. Voorts klaagt klaagster erover dat verweerster onvoldoende aandacht heeft besteed aan de opmerkingen van klaagster over het oordeel van de bedrijfsarts en deze opmerkingen niet heeft gecontroleerd. 

 

Ten slotte is de klacht dat verweerster volgens klaagster geen oordeel over de belastbaarheid van klaagster heeft gegeven.

 

3.2. Daarmee heeft verweerster gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA (in acht nemen van de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige) en artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (de arbeidsdeskundige ziet er bij de afweging van belasting en belastbaarheid op toe dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens), aldus klaagster. 

Tegen de weergave van de klacht door het AT is in hoger beroep geen grief gericht zodat ook het college daarvan uitgaat.

 

3.3.1 Het AT heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht, overeenkomstig het daartoe strekkende primaire verweer van verweerster. Het AT was van oordeel dat verweerster jegens klaagster inderdaad niet heeft gehandeld in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige, zodat er geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement SRA.

3.3.2 Aan klaagster zij toegegeven, aldus het AT (6.7), dat het in verschillende e-mailberichten van verweerster gebruiken van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige tot onduidelijkheid en verwarring aanleiding heeft kunnen geven. Maar, gezien het feit dat verweerster zich nadrukkelijk als verzuimadviseur namens de werkgever bij klaagster heeft gepresenteerd en verweerster geen arbeidsdeskundig werk voor klaagster heeft verricht, is naar het oordeel van het Tuchtcollege veeleer sprake van verwarring achteraf bij klaagster. De (enkele) vermelding van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten van klaagster leidt in dit geval niet tot het oordeel dat sprake is van handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. 

3.3.3 Ten overvloede en in het belang van de kwaliteit en professionalisering van het vak van arbeidsdeskundige heeft het AT (6.8) erop gewezen dat een arbeidsdeskundige die geregistreerd is als register-arbeidsdeskundige verwarring door het gebruik van de titel moet voorkomen en het in dat verband van wijsheid en zorgvuldigheid getuigt om de titel in het geheel niet te gebruiken, ook niet als automatische digitale handtekening, als niet als register-arbeidsdeskundige wordt gehandeld. 

 

Verweerster gaf ter zitting in dat verband aan dat de klacht voor haar op dit punt een ‘harde leerschool’ is geweest, dat het gebruik van de automatische digitale handtekening met vermelding van de titel gecertificeerd register-arbeidsdeskundige “onhandig” en ‘’naief” was en zij deze in het vervolg beslist niet meer automatisch zal gebruiken, zeker niet als zij geen arbeidsdeskundig werk verricht.

 

3.4 Het college begrijpt – met verweerster blijkens haar verweerschrift in hoger beroep - het beroepschrift aldus dat het zich keert tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in haar klacht door het AT en – kennelijk – alsnog een beoordeling door het CAT daarvan wenst.

 

3.5 Verweerster voert ook in hoger beroep verweer. Voor zover nodig voor de beoordeling van het beroep gaat het college hierna op het verweer in. Verweerster concludeert tot bevestiging/bekrachtiging van de uitspraak van het AT, althans ongegrondverklaring van de klacht.

 

3.6 Klaagster heeft in hoger beroep de volgende grieven (“fouten”) voorgedragen:  

3.6.1 Grief 1 werpt ten aanzien van punt 2.2 van de feitenvaststelling door het AT de vraag op waarop dat “feit” is gebaseerd.

Strikt genomen is dat geen grief, daargelaten dat de feitenvaststelling op zichzelf niet leidt tot vernietiging van de beslissing van het AT. Het college merkt op dat:

  • klaagster in haar inleidende klacht er zélf reeds van uitging dat verweerster in loondienst was;
  • er een door werkgever getekende arbeidsovereenkomst is overgelegd (door klaagster kennelijk als VSO = vaststellingsovereenkomst aangeduid) waaruit blijkt dat verweerster ingaande 1 juni 2015 als verzuimadviseur bij de werkgeefster in dienst is getreden;
  • er een bonusregeling 2016 is overgelegd met betrekking tot díe functie bij werkgever; 
  • verweerster onbetwist heeft gesteld uit dienst getreden te zijn en de functie als zzp-er te hebben voortgezet.

Daarmee staat het vermelde in 2.2 (als onvoldoende gemotiveerd weersproken) vast. Dat verweerster (voorts) de kwaliteit van arbeidsdeskundige heeft en als zodanig is ingeschreven in het door SRA gevoerde register doet er niet aan af dat verweerster aanvoert dat zij (slechts) als verzuimadviseur werkzaam is geweest. 

 

 

 

Daarbij merkt het college overigens op dat het zowel voor de ontvankelijkheid van de klacht als voor de inhoudelijke beoordeling (gesteld dat het college daaraan zou toekomen) niet zozeer van belang is of verweerster in loondienst of als zelfstandige werkzaam is geweest, maar of zij in het kader van het ziekteverzuimdossier van klaagster (2.4) werkzaamheden als arbeidsdeskundige heeft verricht. 

3.6.2 Klaagster heeft bovendien erkend dat verweerster zich als verzuimadviseur geïntroduceerd heeft bij klaagster.

3.6.3 Van een fout in de feitenvaststelling is geen sprake, de grief faalt. 

 

3.7 Grief 1 keert zich verder, net als grief 2, tegen de door het AT (niet) in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. 

3.7.1 Vooropgesteld dient te worden dat het aan klaagster is een eventuele klacht tegen de arbeidsdeskundige van voldoende onderbouwing te voorzien. Het in de stukken stellen van vragen is geen voldoende onderbouwing, evenals een verwijzing naar de uitlatingen van de werkgever in het kader van de ontbindingsprocedure met klaagster of van het UWV. Eerst wanneer duidelijk is dat de klacht betrekking heeft op een gedraging van de arbeidsdeskundige in die hoedanigheid is deze ontvankelijk zoals het AT terecht tot uitgangspunt heeft genomen onder verwijzing naar artikel 1 Tuchtreglement SRA. 

3.7.2 Klaagster heeft ook in hoger beroep niet gesteld dat verweerster – zoals door het AT in 6.3 in aanmerking genomen – wél een bepaling van belasting en belastbaarheid van klaagster heeft verricht of dat er door verweerster arbeidsdeskundige rapportages zijn opgemaakt of (andere) arbeidsdeskundige activiteiten zijn verricht. Dat verweerster “als zodanig” – het college begrijpt: als verzuimadviseur/casemanager – wél een eigen dossier van klaagster had of toegang tot de medische gegevens van klaagster heeft klaagster in hoger beroep evenmin aangetoond. Verweerster heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat klaagster toegang tot haar eigen verzuimdossier heeft. Dat in aanmerking genomen stelt het college vast dat klaagster ook in hoger beroep blijft bij niet-onderbouwde suggesties waaronder het college de stelling rekent dat verweerster “later in het traject (…) activiteiten ging onderzoeken als arbeidsdeskundige omdat werkgever eigen risico dragende werkgever was.” Verweerster heeft ook in hoger beroep ontkend dat daarvan sprake is en aannemelijk is het verricht hebben van (typisch) arbeidsdeskundige activiteiten niet geworden. 

 

Het college onderkent dat er een zekere overlap kan zijn tussen werkzaamheden van een verzuimadviseur en van een arbeidsdeskundige. Maar waar tussen partijen vaststaat dat verweerster aan klaagster van aanvang af duidelijk heeft gemaakt op te treden als verzuimadviseur/casemanager, is voor de ontvankelijkheidsbeslissing dát in beginsel de professionele hoedanigheid waarin verweerster is opgetreden. 

Eerst als blijkt dat verweerster arbeidsdeskundige werkzaamheden heeft verricht wordt de in 3.7.1 aangegeven drempel genomen.

3.7.3 Klaagster heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat verweerster HR - het college gaat ervanuit dat daarmee bedoeld is de afdeling Human Resource van werkgever, in 2.3 met P&O aangeduid - directie en leidinggevende advies gaf met betrekking tot de wet poortwachter, bedrijfsschade verminderen met regresadvies, aanpassingen onderzoeken, spoor 2 advies onderzoeken, beoordelen van passend werk op basis van informatie die werkgever gaf, advies geven aan werkgever over re-integratie, adviseerde over langdurige verzuimdossiers omdat werkgever eigen risicodrager is. 

Het college stelt vast dat deze beweerdelijke activiteiten van verweerster onvoldoende zijn toegespitst op de rol van verweerster in de zaak van klaagster en (daarmee) irrelevant voor de beoordeling. Hetzelfde geldt voor de nieuwsbrief van werkgever waarin verweerster als arbeidsdeskundige werd gepresenteerd.

 

3.8 Aansluitend bij de grieven 1 en 2 heeft klaagster zich ten slotte gekeerd tegen het oordeel van het AT in 6.7. en 6.8 (hiervóór weergegeven in 3.3.2 en 3.3.3) met betrekking tot de automatische ondertekening van e-mails door verweerster. Volgens klaagster heeft verweerster e-mails ondertekend met:

- [voornaam]

- [voornaam] + [achternaam] 

- [voornaam] + [achternaam] Adviseur Verzuim / Gecertificeerd Register Arbeidsdeskundige

- [voornaam] + [achternaam] Gecertificeerd Register Arbeidsdeskundige

- [voornaam] + [achternaam] Adviseur Verzuim / Gecertificeerd Register Arbeidsdeskundige & RCM.

Aangezien de ondertekening steeds wisselt kan het, anders dan het AT overweegt, geen automatische ondertekening zijn, aldus klaagster.

 

3.8.1 Voor zover de grief zich richt tegen punt 6.8 van het AT kan deze niet leiden tot gegrondbevinding nu deze zich keert tegen een overweging ten overvloede, die (dus) niet dragend is voor de beslissing. Wat er voorts zij van de vraag “automatische ondertekening of niet”, het college deelt de in 3.3.2 weergegeven overwegingen van het AT dat nu verweerster zich nadrukkelijk als verzuimadviseur heeft gepresenteerd en zij geen arbeidsdeskundig werk voor klaagster heeft verricht, i.c. geen plaats is voor verwarring. 

De (enkele) vermelding van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten leidt niet tot het oordeel dat sprake is van handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. Vermelding van titels, kwalificaties of registraties pleegt te pas en te onpas plaats te vinden. Aan zo’n enkele vermelding komt geen verdere betekenis toe, het levert geen handelen in hoedanigheid (van arbeidsdeskundige) op.

Daarmee faalt ook deze grief. 

     

3.9 Nu alle grieven falen behoort het beroep ongegrond te worden verklaard. Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht.

 

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege: 

- verklaart het beroep ongegrond. 

 

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij vervroeging op 21 mei 2021 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren A.L. van Summeren en P. van Kesteren, leden.