Uitspraak AT van 1 december 2022 (zaaknummer: 22-71/AT)

(download als pdf)

Trefwoorden

UWV. Loonwaardebepaling. Toenaderingsverantwoordelijkheid geschonden. Waarschuwing.

Artikelen Gedragscode SRA

Artt. 1, 2, 3 en 7.

Samenvatting

Loonwaardebepaling. Verweerder heeft bij opstelling van het loonwaarderapport geen rechtstreeks contact gehad met klaagster, ook niet telefonisch of via een beeldbelverbinding. Verweerder heeft uitsluitend contact gehad met de werkgever en de jobcoach. Het AT acht de daartegen gerichte klacht gegrond. Daarbij wijst het AT op de toenaderingsverantwoordelijkheid waaruit voortvloeit dat de arbeidsdeskundige met klaagster in gesprek komt waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht en in gesprek blijft. Dat is niet gebeurd. Het AT legt verweerder een waarschuwing op.

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

klaagster

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen

de register-arbeidsdeskundige,

hierna te noemen: “verweerder”,

gemachtigde: mr. I.J. Veldhuizen

1. Procesverloop

1.1. Door middel van het websiteformulier is door de gemachtigde van klaagster op 29 maart 2022 een klacht over de handelwijze van verweerder ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht zijn 4 bijlagen gevoegd.

1.2. Op 3 juni 2022 is door verweerder op de klacht gereageerd. Bij deze reactie horen 2 bijlagen.

1.3 De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 29 juni 2022 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet tot een oplossing heeft geleid en daarmee niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klaagster is meegedeeld dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Met het e-mailbericht van 4 juli 2022 heeft de gemachtigde van klaagster aan het secretariaat SRA laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd. Bij zijn e-mail van 21 juli 2022 heeft de gemachtigde van klaagster een nadere toelichting op de klacht aan het secretariaat SRA gezonden.

1.5. Op 6 september 2022 heeft de gemachtigde van verweerder een verweerschrift ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 20 oktober 2022. Klaagster is niet ter zitting verschenen. Namens klaagster verscheen ter zitting de gemachtigde van klaagster. Tevens is ter zitting verschenen verweerder, vergezeld van zijn gemachtigde. De gemachtigde van klaagster en verweerder hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.7. Aan het eind van de zitting heeft het Tuchtcollege aan de gemachtigde van klaagster en verweerder laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op genoemde stukken, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Verweerder is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij de divisie Werkbedrijf van UWV.

2.3. De werkgever van klaagster heeft op 8 juni 2020 een aanvraag loondispensatie ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag is op 16 december 2020 door een andere arbeidsdeskundige een loonwaarderapport opgesteld.

2.4. Bij de vervolgaanvraag loondispensatie van 30 april 2021 heeft de werkgever van klaagster verweerder verzocht de loonwaarde te bepalen in de huidige functie van klaagster. Verweerder heeft zijn onderzoek vastgelegd in zijn loonwaarderapport van 7 juni 2021. Op grond van dit laatste rapport is bij beslissing van 14 juni 2021 een loonwaarde bepaald van 50,92% van het Wettelijk Minimumloon.

2.5. In zijn e-mail van 13 oktober 2021 heeft de vader van klaagster aan verweerder laten weten dat alle correspondentie verder diende te verlopen via de gemachtigde van klaagster.

2.6. Verweerder heeft op 28 december 2021 telefonisch met de gemachtigde van klaagster en haar vader gesproken over het loonwaarderapport van 7 juni 2021. Tijdens dit telefoongesprek heeft de gemachtigde het standpunt ingenomen dat dit loonwaarderapport een kopie was van het eerder opgestelde loonwaarderapport van 16 december 2020.

2.7. Na een volgende aanvraag verlening loondispensatie op 25 november 2021 heeft verweerder een concept-loonwaarderapport opgesteld en dit naar de gemachtigde van klaagster gezonden voor diens reactie.

2.8. Op 26 januari 2022 heeft verweerder een schriftelijke reactie ontvangen van de gemachtigde. Verweerder heeft daarop zijn concept-rapport aangepast en op 11 februari 2022 het definitieve loonwaarderapport uitgebracht. 

2.9. Op 29 maart 2022 heeft de gemachtigde van klaagster aan verweerder laten weten dat klaagster het gedrag van verweerder wil laten toetsen door het Tuchtcollege en dat zij bij de SRA een klacht zal indienen.

3. De klacht

3.1. De klacht houdt, kort samengevat, in dat verweerder het arbeidskundig onderzoek, dat heeft geresulteerd in genoemde loonwaarderapporten van 7 juni 2021 en 11 februari 2022, niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat verweerder daarbij niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen.

3.2. De klacht bestaat uit de volgende deelklachten:

a. er is moeizaam contact geweest tussen verweerder en de vader van klaagster waarbij verweerder niet heeft gereageerd op e-mailberichten en terugbelverzoeken;

b. verweerder is als arbeidsdeskundige tekortgeschoten ten aanzien van het loonwaarderapport van 7 juni 2021;

c. het loonwaarderapport van 7 juni 2021 is een kopie van het loonwaarderapport van 16 december 2020;

d. het concept-loonwaarderapport van 20 januari 2022 bevat inhoudelijke en arbeidsdeskundige tekortkomingen.

3.3. Daarmee zou verweerder hebben gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA (in acht nemen van de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige), artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA (de arbeidsdeskundige licht de cliënt op duidelijke wijze in over zijn opdracht), artikel 3 (de aan de rapportage te stellen eisen) en artikel 7 (streven naar een verhouding met andere arbeidsdeskundigen, opdrachtgever(s) en cliënten die berust op respect).

4. Het verweer

4.1. Verweerder voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragscode van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”. 

5.3. Daarbij is in dit geval het volgende van belang. Bij de beoordeling van het handelen van de arbeidsdeskundige door het Tuchtcollege gaat het er niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat verweerder met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. In het geval van deze klacht gaat het met name om de hiervoor reeds genoemde artikelen 1, 2 lid 2, 3 en 7 van de Gedragscode SRA.

5.5. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klaagster: het Tuchtcollege beperkt zich tot een beoordeling van de handelwijze van de arbeidsdeskundige en geeft geen oordeel over de arbeidsrelatie met de werkgever van klaagster, het handelen van de andere arbeidsdeskundige of de gevolgen voor klaagster van het handelen van verweerder.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klaagster en verweerder hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van verweerder bij het arbeidskundig onderzoek dat heeft geleid tot de totstandkoming van zijn rapporten van 7 juni 2021 en 11 februari 2022 als volgt.

Klachtonderdeel a

6.2. Met betrekking tot klachtonderdeel a wijst het Tuchtcollege erop, dat een klacht alleen kan worden ingediend door een cliënt of een opdrachtgever. Hoewel het Tuchtcollege heeft opgemerkt dat de gemachtigde van klaagster voorafgaand aan de zitting van het Tuchtcollege niet volstrekt duidelijk is geweest over de vraag of hij de klacht namens zichzelf heeft willen indienen, heeft hij desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk bevestigd dat hij de klacht namens klaagster heeft ingediend.

6.3. Uit de beperking van de kring van klachtgerechtigden in de tuchtprocedure zoals geformuleerd in artikel 2.1 Tuchtreglement volgt dat niet een klachtrecht in het leven is geroepen voor eenieder, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een arbeidsdeskundige rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen of kan worden getroffen.

6.4. De aan verweerder verweten gedragingen waar klachtonderdeel a op ziet, namelijk moeizaam contact dan wel gebrek aan communicatie met de vader van klaagster, betreffen geen gedragingen die klaagster rechtstreeks raken in haar eigen belang. Dit klachtonderdeel dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu van enig eigen, rechtstreeks belang van klaagster niet is gebleken.

Klachtonderdeel b

6.5. Klachtonderdeel b klaagt erover dat het loonwaarderapport dat verweerder op 7 juni 2021 heeft opgesteld, inhoudelijke en arbeidsdeskundige tekortkomingen vertoont. Ter onderbouwing daarvan heeft klaagster aangevoerd dat verweerder haar niet heeft gesproken, dat er geen werkplekonderzoek heeft plaatsgevonden en dat klaagster niet is geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek.

6.6. Verweerder heeft aangevoerd dat hij voor zijn rapport in het kader van zijn onderzoek Dariuz vragenlijsten heeft ontvangen en vervolgens tevergeefs heeft getracht contact te zoeken met klaagster. Wel heeft verweerder contact gehad met de werkgever en de jobcoach van klaagster. Aan de hand van deze gesprekken en de schriftelijke informatie heeft verweerder de aanvraag afgehandeld.

6.7. In zijn verweer en ter zitting heeft verweerder nog nader toegelicht dat hij geen werkplekonderzoek heeft verricht vanwege de geldende coronamaatregelen, waarbij verweerder verwijst naar een persbericht van SRA en NVvA van 10 november 2020.

6.8. Het Tuchtcollege stelt vast dat verweerder met betrekking tot het loonwaarderapport van 7 juni 2021 geen rechtstreeks contact heeft gehad met klaagster, ook niet telefonisch of via een beeldverbinding. Hij heeft uitsluitend contact gehad met de werkgever en de jobcoach van klaagster. Van verweerder mocht evenwel worden verwacht dat hij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de beperkingen van klaagster.

6.9. Het Tuchtcollege kan niet vaststellen of de coronamaatregelen er destijds voor verweerder aan in de weg hebben gestaan om persoonlijk contact te hebben met klaagster of een werkplekonderzoek uit te voeren. Wat daarvan zij, verweerder heeft van deze omstandigheden of van zijn afwegingen daarin in het geheel geen vermelding opgenomen in zijn rapportage. Als gevolg daarvan is niet vast komen te staan dat deze coronamaatregelen hebben verhinderd dat verweerder heeft voldaan aan zijn professionele onderzoeksverplichtingen als arbeidsdeskundige.

6.10. Verweerder is in dit verweer overigens ook niet consistent, gelet op de opmerking in zijn verweerschrift dat indien er meer dan zes maanden zouden zijn verstreken tussen de aanvraag verlenging loonwaardebepaling en het loonwaarderapport van 16 december 2020, hij zoals hij gewoon was een werkplekonderzoek zou hebben gedaan.

6.11. Het Tuchtcollege is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Klachtonderdeel c

6.12. In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat het loonwaarderapport van 7 juni 2021 een kopie is van het loonwaarderapport van 16 december 2020, dat destijds door een andere arbeidsdeskundige is opgesteld.

6.13. Het Tuchtcollege stelt voorop dat het niet treedt in de inhoud van een arbeidsdeskundige rapportage. Dit klachtonderdeel betreft evenwel niet het gedrag van verweerder, maar de inhoud van het rapport. 

6.14. Overigens heeft het Tuchtcollege niet kunnen vaststellen of daadwerkelijk sprake is van een kopie. Klaagster heeft slechts aangegeven op welke punten de twee rapportages overeenstemmen, zonder enige onderbouwing welke gedragsrechtelijke consequenties aan die gesignaleerde overeenkomsten moeten worden verbonden. Daartegenover heeft verweerder gemotiveerd betwist dat het om een kopie zou gaan.

6.15. Klachtonderdeel c zal om die reden ongegrond worden verklaard. 

Klachtonderdeel d

6.16. Aan klachtonderdeel d liggen grotendeels dezelfde verwijten ten grondslag als aan klachtonderdeel b. Zo heeft verweerder ook voorafgaand aan zijn (concept)rapportage van 19 januari 2022 in het kader van zijn onderzoek klaagster niet gesproken.

6.17. Met betrekking tot de totstandkoming van het loonwaarderapport van 11 februari 2022 is het Tuchtcollege van oordeel dat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het Tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort dat hij met betrokkene in gesprek komt, waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht, en in gesprek te blijven.

6.18. Verweerder heeft zich beperkt tot contact met de gemachtigde van klaagster en haar vader. Uit de stukken, noch ter zitting is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om alsnog met klaagster zelf in contact te komen. Anderzijds betrekt het Tuchtcollege hierbij dat, hoewel de gemachtigde van klaagster ter zitting heeft betwist dat klaagster niet goed bereikbaar was, er kennelijk door de gemachtigde van klaagster evenmin rechtstreeks contact tussen klaagster en verweerder tot stand is gebracht.

6.19. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij ook niet bij de gemachtigde van klaagster of haar vader heeft geverifieerd of en in hoeverre zij bevoegd waren om namens klaagster op het door verweerder opgestelde concept te reageren.

6.20. Het Tuchtcollege overweegt in dat verband dat de toenaderingsverantwoordelijkheid van een arbeidsdeskundige onderdeel uitmaakt van diens professionele autonomie en verantwoordelijkheid. De afweging van verweerder dat hij bij het verwerven en verstrekken van informatie vooral de wensen van de vader van klaagster heeft willen respecteren omtrent het niet vermelden van klaagsters persoonlijke omstandigheden, doet afbreuk aan die professionele verantwoordelijkheid.

6.21. Ten aanzien van verweerders beroep op de coronamaatregelen herhaalt het Tuchtcollege zijn overwegingen als aangegeven onder 6.9.

6.22. Klachtonderdeel d is naar het oordeel van het Tuchtcollege eveneens gegrond.

7. Slotsom

7.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Tuchtcollege van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 1, artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA.

7.2. Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat de klacht voor wat betreft de hiervoor aangegeven onderdelen van de klacht gegrond is.

8. Tuchtmaatregel

8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 20.1 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht moeten leiden.

8.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door verweerder gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

8.3. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over verweerder als arbeidsdeskundige betreft. Niet eerder werd aan verweerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien heeft verweerder zich er rekenschap van gegeven dat er ruimte voor verbetering is in zijn wijze van handelen.

8.4. Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat aan verweerder bij wijze van zakelijke terechtwijzing een waarschuwing volgens artikel 20.1 aanhef en onder a van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klaagster ingediende klacht gegrond voor wat betreft de aangegeven onderdelen van de klacht en legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 1 december 2022 door:

mr. R. Sanders, voorzitter

F. Hoebink, lid

B. van Lieshout, lid