Uitspraak AT van 16 januari 2020 (zaaknummer: 19/56 AT)

Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA 16 januari 2020 (19/56 AT)

Trefwoorden

Toenaderingsverantwoordelijkheid. Onzorgvuldige handelwijze. Toetsbaarheid rapportage.

Samenvatting
Klager verwijt beklaagde dat zij bij het arbeidsdeskundig onderzoek niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen. Het Tuchtcollege verwerpt dat klachtonderdeel, door te overwegen dat beklaagde klager voldoende heeft geïnformeerd over de opdracht. De definitieve rapportage is gebaseerd op een actuele FML. Beklaagde heeft volgens het Tuchtcollege wel onzorgvuldig gehandeld door op 21 juli 2016 de definitieve rapportage uit te brengen, terwijl zij eerder aan klager had medegedeeld dat het arbeidsdeskundig onderzoek “on hold” was gezet. Bovendien verschilde het definitieve rapport zeer wezenlijk van het concept-rapport. Dat ging immers uit van een FML uit 2014, terwijl het definitieve rapport uitging van de recente FML. Beklaagde had die FML niet met klager besproken. Klager wist niet van de wijzigingen en was niet in de gelegenheid gesteld om daar op te reageren.


Uitspraak

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager tegen beklaagde. Gemachtigde: mr. drs. V.N. van Waterschoot, advocaat te Nijmegen.

1. Procesverloop

1.1. Op 19 juli 2019 is door klager een uitvoerige klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht is een groot aantal bijlagen gevoegd.

1.2. Namens beklaagde is door mr. K.F.A. Vunderink op 1 oktober 2019 op de klacht gereageerd. Deze reactie is voorzien van 1 bijlage (tijdsverloop).

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft op 7 november 2019 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Klager heeft tijdig aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen en zijn klacht op 19 november 2019 aangevuld.

1.5. Op 11 december 2019 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift voorzien van 1 bijlage ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege, bijgestaan door mevrouw D. van Baar van Slangenburgh voor het maken van aantekeningen van hetgeen ter zitting werd behandeld, vond plaats op 19 december 2019. Ter zitting is klager verschenen, in aanwezigheid van zijn broer. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Aan de kant van beklaagde was tevens mevrouw X als toehoorder aanwezig. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.7. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Het Tuchtcollege gaat –voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.

2.2. Door de werkgever van klager (een arbeidsbemiddelingsbedrijf dat in opdracht van een aantal gemeenten de Participatiewet en Wet Sociale Werkvoorziening uitvoert) is aan beklaagde (met een WSW-indicatie) in januari 2016 opdracht verleend een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar de re-integratiemogelijkheden van klager bij werkgever. Klager was uitgevallen voor zijn werkzaamheden en reeds gedurende langere tijd arbeidsongeschikt (sinds 2012).

2.3. Bij brief d.d. 12 januari 2016 bevestigt beklaagde het arbeidsdeskundig onderzoek aan klager en wordt klager uitgenodigd voor een gesprek op 26 januari 2016.

2.4. Op 26 januari 2016 vindt dit gesprek met klager plaats in het bijzijn van de vertrouwenspersoon. Klager geeft een toelichting op zijn situatie. Verder worden de mogelijkheden voor werkzaamheden voor klager verkend. Beklaagde gaat op advies van de bedrijfsarts uit van de FML die op 15 augustus 2014 is opgesteld en die is gebaseerd op de beperkingen die door het UWV in het kader van de WIA zijn aangegeven (80-100% arbeidsongeschikt). Klager wijst beklaagde er in het gesprek op dat het UWV bij de herbeoordeling van een andere arbeidsongeschiktheidsklasse is uitgegaan (38,57%). Beklaagde vraagt zich af of de FML van 15 augustus 2014 nog actueel is en geeft aan dat zij bij de bedrijfsarts zal verifiëren of de FML aangepast moet worden of ongewijzigd van toepassing is.

2.5. Op 1 februari 2016 verzoekt beklaagde aan de bedrijfsarts om een nieuw FML op te stellen. De bedrijfsarts stelt vervolgens voor om bij het UWV de FML van de herkeuring op te vragen. Na overleg met de bedrijfsarts wordt besloten bij het UWV de FML van zowel de keuring en de herkeuring op te vragen. Begin maart 2016 is er verschillende malen contact tussen beklaagde en de werkgever en bedrijfsarts over de FML.

2.6. Op 30 maart 2016 laat beklaagde aan klager weten, dat zij nog in afwachting is van de FML. Klager meldt vervolgens aan beklaagde dat het lang duurt, dat hij moedeloos wordt van de situatie en de bedrijfsarts heeft geadviseerd om toch in gesprek te gaan over de mogelijkheden. Beklaagde geeft richting klager aan dit begrijpen en spreekt met klager af dat er een afspraak komt om de mogelijkheden te onderzoeken ondanks het feit dat er nog geen duidelijkheid is over de FML.

2.7. Dit gesprek vindt plaats op 8 april 2016, maar leidt niet tot een oplossing.

2.8. Op 21 april 2016 vraagt beklaagde aan de bedrijfsarts opnieuw naar de stand van zaken met betrekking tot de FML. Dit levert geen duidelijkheid op.

2.9. Op verzoek van de werkgever en uitgaande van de FML van 15 augustus 2014, stelt beklaagde op 22 april 2016 een concept-arbeidsdeskundige rapportage op. Dit concept wordt aan de werkgever en aan klager verzonden met het verzoek daar half mei 2016 een gesprek over te hebben.

2.10. Klager reageert met een uitgebreide mail op het concept en geeft richting beklaagde aan geen vertrouwen te hebben in haar manier van werken en haar niet objectief te vinden.

2.11. Op 12 mei 2016 wordt de concept-rapportage uitvoerig met klager en de werkgever besproken.

2.12. Op 6 juni 2016 vraagt klager aan beklaagde hoe ver zij is met het corrigeren van de concept-rapportage. Beklaagde laat aan klager weten dat zij op 16 juni 2016 nog een afspraak heeft met de bedrijfsarts over het dossier en zij de correcties daarna hoopt door te kunnen voeren.

2.13. Nadat de bedrijfsarts op 16 juni 2016 aan beklaagde laat weten niets te kunnen zonder de stukken van het UWV met betrekking tot de herkeuring, dat er eigenlijk een belastbaarheids-onderzoek nodig is en de bedrijfsarts adviseert om het arbeidsdeskundig onderzoek ‘on hold’ te zetten, laat beklaagde diezelfde dag aan klager weten, dat het arbeidsdeskundig onderzoek ‘on hold’ wordt gezet totdat er meer duidelijkheid is over de belastbaarheid van klager.

2.14. Op 21 juli 2016 laat de bedrijfsarts aan beklaagde weten, dat klager weigert informatie over de herbeoordeling door het UWV te verschaffen en werkgever niet bereid is een belastbaarheids-onderzoek te bekostigen. De bedrijfsarts adviseert beklaagde de definitieve versie van de arbeidsdeskundige rapportage toch maar op te stellen en daarbij gebruik te maken van de beperkingen die door de bedrijfsarts op 14 juli 2016 zijn opgesteld.

2.15. Nadat beklaagde op 21 juli 2016 een aantal malen tevergeefs telefonisch contact zoekt met klager, stuurt zij op diezelfde dag de definitieve arbeidsdeskundige rapportage naar zowel de werkgever als klager.

2.16. Op 3 augustus 2016 stuurt klager aan beklaagde een mail waarin hij aangeeft dat hij het niet eens is met de rapportage en dat hij niet begrijpt waarom de rapportage nu is verzonden. Het onderzoek zou toch ‘on hold staan’, aldus de vraag van klager. Vanwege afwezigheid van beklaagde door vakantie wordt daarop gereageerd door de kwaliteitsmedewerker van het kantoor van beklaagde met de mededeling dat klager een deskundigenoordeel bij het UWV kan aanvragen of een klacht kan indienen. Klager laat naar aanleiding daarvan op 6 augustus 2016 aan de kwaliteitsmedewerker weten bedenkingen over beklaagde en haar handelwijze te hebben.

2.17. Op 15 augustus 2016 reageert beklaagde zelf nog op het e-mailbericht van klager van 3 augustus 2016 door klager te verwijzen naar de personeelsadviseur van de werkgever.

2.18. Op 1 september 2016 dient klager een uitgebreide klacht in over beklaagde bij de kwaliteitsmedewerker van het kantoor van beklaagde. Naar aanleiding daarvan vindt een gesprek plaats tussen klager en de manager van het kantoor van beklaagde. Klager laat op 12 september aan de manager weten dat de klacht met dit gesprek niet is afgedaan.

3. De klachten

3.1. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, dat zij bij het arbeidsdeskundig onderzoek dat heeft geleid tot de rapportage van 21 juli 2016 niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen (artikel 1 Gedragscode SRA) doordat beklaagde:

- klager niet op een respectvolle en gelijkwaardige wijze bejegend heeft en beklaagde jegens klager heeft gehandeld in strijd met fatsoensnormen (hierna: ‘klachtonderdeel 1a’);

- beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt, zich onvoldoende onafhankelijk en objectief heeft opgesteld en de jegens klager te betrachten vertrouwelijkheid heeft geschonden (hierna: ‘klachtonderdeel 1b’);

- onvoldoende zorg heeft betracht jegens klager door de wijze waarop het arbeidsdeskundig rapport van 21 juli 2016 tot stand is gekomen en de door beklaagde verkregen gegevens door haar onvoldoende geverifieerd zijn (hierna: ‘klachtonderdeel 1c’ );

- onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van klager (hierna: ‘klachtonderdeel 1d’);

- klager niet heeft gewezen op zijn recht om over de handelwijze van beklaagde te klagen en de mogelijkheid om het arbeidsdeskundig onderzoek te weigeren (hierna: ‘klachtonderdeel 1e’).

3.2. Verder klaagt klager er over dat beklaagde hem niet op duidelijke wijze heeft ingelicht over haar opdracht (artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA), hierna: ‘klachtonderdeel 2a’, en beklaagde ten tijde van opstelling van haar rapportage niet beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens over de belastbaarheid van beklaagde (artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA), hierna: ‘klachtonderdeel 2b’.

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten.

Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. Gezien de klachten toetst het Tuchtcollege in dit geval aan de normen zoals vastgelegd in artikel 1 en artikel 2 lid 1 en 2 Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Tuchtcollege.

6. De ontvankelijkheid van de klachten

6.1. Als meest verstrekkende verweer voert beklaagde aan dat, behoudens de klachten die direct zien op de inhoud van de Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 21 juli 2016, de klachten van klager niet-ontvankelijk zijn omdat deze zijn ingediend buiten de klachttermijn van 3 jaar zoals vastgelegd in artikel 3.3. aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA.

6.2. Het Tuchtcollege passeert dit verweer.

6.3. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 21 juli 2016 als “de gedraging” in de zin van artikel 3.3. aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA moet worden aangemerkt.


De klacht van klager is op dit rapport gericht en op de wijze van totstandkoming daarvan. De handelwijze van beklaagde die tot deze rapportage heeft geleid en alle tussenstappen die door haar in dat verband zijn ondernomen, maken naar het oordeel van het Tuchtcollege in al hun facetten onlosmakelijk en niet te onderscheiden onderdeel uit van de definitieve rapportage van 21 juli 2016 en kunnen daar niet los van worden gezien en begrepen.

6.4. Omdat de klacht van klager op 19 juli 2019 en daarmee binnen de termijn van 3 jaar na de gedraging (de Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 21 juli 2016) is ingediend, is de klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege in al zijn onderdelen ontvankelijk.

7. De overwegingen van het Tuchtcollege

7.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klaagster en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de inhoud van de klacht als volgt. Daarbij volgt het Tuchtcollege de hiervoor aangegeven nummering van de onderdelen van de klacht.

Klachtonderdelen 1a, 1b en 1e

7.2. Volgens het Tuchtcollege kan op grond van de vastgestelde feiten en hetgeen klager en beklaagde over en weer hebben aangevoerd en bestreden, niet geoordeeld worden dat beklaagde klager niet op een respectvolle en gelijkwaardige wijze bejegend heeft en beklaagde jegens klager heeft gehandeld in strijd met fatsoensnormen. Het Tuchtcollege is tevens van oordeel dat onvoldoende is gesteld en gebleken, dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt, dat beklaagde zich onvoldoende onafhankelijk en objectief heeft opgesteld en dat beklaagde de jegens klager te betrachten vertrouwelijkheid heeft geschonden.

7.3. Beklaagde heeft niet de verplichting om klager te wijzen op de mogelijkheid om een arbeidsdeskundig onderzoek te weigeren en ook niet de plicht om klager te wijzen op de mogelijkheid om te klagen. Het Tuchtcollege heeft overigens geconstateerd dat klager op dat laatste door dan wel namens beklaagde wel is gewezen.

7.4. De klachtonderdelen 1a, 1b en 1c zijn daarmee het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

Klachtonderdelen 2a en 2b

7.5. Ook de klachtonderdelen 2a (niet inlichten over opdracht) en 2b (ontbreken actuele gegevens) zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

7.6. Bij brief d.d. 12 januari 2016 is het arbeidsdeskundig onderzoek door beklaagde aan klager bevestigd, is klager over het onderzoek geïnformeerd en uitgenodigd voor een gesprek op 26 januari 2016. In dat gesprek is klager door beklaagde uitvoerig geïnformeerd over de aard en omvang van de opdracht van beklaagde. De definitieve rapportage van 21 juli 2016 is gebaseerd op een actueel FML van de bedrijfsarts van 14 juli 2016. Daarmee is de rapportage van beklaagde gebaseerd op actuele medische gegevens. Dat klager het niet eens met de wijze waarop deze FML tot stand is gekomen en de inhoud van deze FML, kan niet aan beklaagde worden verweten en doet niet af aan het feit dat beklaagde ten tijde van de opstelling van de arbeidsdeskundige rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens over de belastbaarheid van klager.

Klachtonderdelen 1c en 1d

7.7. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn de klachtonderdelen 1c en 1d gegrond en heeft beklaagde jegens klager niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht genomen. Een register-arbeidsdeskundige heeft, zo benadrukt het Tuchtcollege nog maar eens, een hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid heeft beklaagde jegens klager naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende genomen. Dit oordeel baseert het Tuchtcollege op de navolgende overwegingen.

7.8. In het gesprek op 26 januari 2016 geeft beklaagde aan dat zij eerst de (gedateerde) FML van 15 augustus 2014 bij de bedrijfsarts wil verifiëren, mede gezien het feit dat klager aangaf dat bij herbeoordeling door het UWV zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is aangepast. Vervolgens zet beklaagde haar vraag uit bij de bedrijfsarts. Weliswaar op aandringen van klager, maar zonder dat zij de gewenste duidelijkheid van de bedrijfsarts heeft over de FML en de belastbaarheid van klager, gaat zij op 8 april 2016 toch een gesprek aan met klager en de werkgever over de mogelijkheden. Beklaagde had hier een pas op de plaats moeten maken en vast moeten houden aan haar standpunt dat er eerst duidelijkheid moest komen over de (actuele) belastbaarheid van klager.

7.9. Vervolgens valt het beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege te verwijten, dat zij, toen het gesprek op 8 april 2016 niet tot een oplossing leidde, en de bedrijfsarts, ondanks navraag op 21 april 2016, nog geen duidelijkheid bood over de actuele belastbaarheid van klager, zonder enige verdere terugkoppeling en informatie richting klager, op 22 april 2016 een concept-rapportage aan werkgever en klager zond, gebaseerd op de FML van 15 augustus 2014, waar beklaagde eerder zelf twijfels over had geuit. Met klager was door beklaagde nota bene ook besproken dat deze FML en de actuele belastbaarheid (met daarbij de zeer wezenlijke vraag of klager wel op eentonig werk ingezet kan worden) eerst bij de bedrijfsarts geverifieerd moesten worden.

Beklaagde heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege haar zorgplicht jegens klager veronachtzaamd door, zonder zwart-op-wit-duidelijkheid van de bedrijfsarts en zonder enige terugkoppeling of uitleg in de richting van klager, op 22 april 2016 toch een concept-rapport uit te brengen.

7.10. Deze onzorgvuldige handelwijze herhaalt beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege door op 21 juli 2016 haar definitieve rapportage uit te brengen, terwijl eerder aan klager is meegedeeld dat het arbeidsdeskundig onderzoek door haar ‘on hold’ is gezet in afwachting van meer duidelijkheid over de (actuele) belastbaarheid van klager. Beklaagde had er op bedacht moeten zijn dat klager hier, zonder nader terugkoppeling en informatie richting klager, door zou worden overvallen. Van beklaagde had op dat punt meer zorg jegens klager mogen worden verwacht dan de enkele pogingen die door beklaagde zijn gedaan om op 21 juli 2016, vlak voor haar vakantie, telefonisch met klager in contact te komen. Van haar hadden naar het oordeel van het Tuchtcollege op dat punt meer inspanningen en meer zorg jegens klager mogen worden verwacht.

7.11. Te meer daar de definitieve rapportage van beklaagde van 21 juli 2016 zeer wezenlijk verschilde van het eerder concept-rapport. Het definitieve rapport bevat ten opzichte van het concept-rapport een recent FML van de bedrijfsarts van 14 juli 2016 die door beklaagde niet met klager is besproken, een groot aantal wijzigingen en een totaal andere opzet dan het concept en informatie die is weggelaten en in het concept wel was vermeld, onder andere het gesprek met klager, omdat daar zo motiveert beklaagde discussie over was.

Klager is van al deze wijzigingen door beklaagde ten onrechte niet vooraf op de hoogte gebracht, laat staan in de gelegenheid gesteld om daar op te reageren. Gezien de inhoud van het eerder concept, het uitvoerige gesprek daarover op 12 mei 2016 en het omvangrijke commentaar van klager op het concept lag het naar het oordeel van het Tuchtcollege op de weg van beklaagde om dat wel te doen.

7.12. Door dat na te laten heeft beklaagde in strijd met haar zorgplicht jegens klager gehandeld. Daar komt bij dat beklaagde zich bij de opstelling en verzending van de definitieve rapportage van 21 juli 2016 naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de bij haar bekende beperkingen van klager en zij, juist gezien de op dat moment bij beklaagde inmiddels bekende achterdocht en wantrouwen van klager jegens haar, meer had moeten investeren in de relatie met en zorg voor beklaagde.

Ook dat heeft zij, onder druk van een naderende vakantie, ten onrechte nagelaten, terwijl zij ook, na terugkeer van vakantie, niet de nazorg jegens klager heeft verleend door hem slechts naar de personeelsfunctionaris van zijn werkgever te verwijzen.

7.13. Door de wijze waarop beklaagde haar definitieve rapport heeft opgezet, heeft zij naar de mening van het Tuchtcollege ook afbreuk gedaan aan de toetsbaarheid van haar rapport. Een beschrijving van het onderzoeksproces en de gevoerde gesprekken ontbreekt. Volstaan is met een weergave van, kort samengevat, de onderzoeksopdracht, de belastbaarheid en een inventarisatie van de mogelijkheden. Daardoor wordt onvoldoende recht gedaan aan de belangen van klager en zijn de wijze van totstandkoming van het rapport en de daarin opgenomen conclusies niet te herleiden. Het vermijden van kritiek, zoals beklaagde aangeeft, kan en mag daar volgens het Tuchtcollege nimmer een motief voor zijn. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een verantwoording van de wijze van de totstandkoming en de inhoud van een rapport verwacht.

7.14. Op grond van deze overwegingen acht het Tuchtcollege de klachtonderdelen 1c en 1d gegrond. Beklaagde heeft jegens klager niet voldaan aan de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de positie en belangen van klager.

7.15. Ten overvloede en ter voorlichting wijst het Tuchtcollege nog op het volgende. Zoals beklaagde zelf ook ter zitting aangaf, had beklaagde haar opdracht kunnen teruggeven toen klager in een stadium aangaf geen vertrouwen te hebben in haar werkwijze en aanpak. Het is wenselijk dat een register-arbeidsdeskundige zich bij dergelijke signalen bewust en tijdig afvraagt of er nog voldoende draagvlak bij betrokkene is voor zijn onderzoek en de gevolgde aanpak. Op het moment dat door de arbeidsdeskundige moet worden vastgesteld, dat dat draagvlak er niet (meer) is, is het raadzaam een opdracht terug te geven. Als er op dat moment voor wordt gekozen het onderzoek toch voort te zetten, wijst het Tuchtcollege er op dat dit dan een grote mate van alertheid en zorgvuldigheid aan de kant van de register-arbeidsdeskundige vraagt richting betrokkene en zijn belangen.

8. Slotsom

8.1. Nu de klachtonderdelen 1c en 1d van de klacht gegrond zijn, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk gegrond dient te worden verklaard.

9. Tuchtmaatregel

9.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht moet leiden.

9.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

9.3. Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht bij het doen van arbeidsdeskundig onderzoek en de totstandkoming van een rapportage. Een register-arbeidsdeskundige dient zich daarbij rekenschap te geven van de positie en belangen van een betrokkene. Op dat punt toonde beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege weinig reflectie, noch in haar verweer noch in haar opstelling ter zitting. Naar de mening van het Tuchtcollege was beklaagde zich in onderhavig geval te weinig bewust van haar toenaderingsverantwoordelijkheid als register-arbeidsdeskundige.

9.4. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Dit laat naar het oordeel van het Tuchtcollege echter onverlet dat de tekortkomingen in de handelwijze van beklaagde zodanig zijn dat deze tot de oplegging van een maatregel dienen te leiden.

9.5. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde de tuchtrechtelijke maatregel van een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gedeeltelijk gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 16 januari 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

F. Hoebink, lid

B. Gerringa, lid


Noot

In deze zaak heeft de arbeidsdeskundige een concept-rapport opgesteld op basis van een FML van 15 augustus 2015. Deze heeft de arbeidsdeskundige bij de bedrijfsarts willen verifiëren, mede ook gelet op het tijdsverloop. De duidelijkheid komt er niet. Desondanks gaat de arbeidsdeskundige in gesprek met klager en werkgever. Het Tuchtcollege verwijt de arbeidsdeskundige dat naar mijn mening terecht door te overwegen dat de arbeidsdeskundige hier een pas op de plaats had moeten maken en vast had moeten houden aan haar standpunt dat er eerst duidelijkheid moest komen over de (actuele) belastbaarheid van klager. SRA en NVvA hebben expliciet aandacht geschonken aan deze situatie in de Handleiding “Omgaan met Persoonsgegevens door Arbeidsdeskundigen”. In paragraaf 3.6 is een aantal oplossingen aangedragen voor de situatie dat de arbeidsdeskundige voor problemen voor de uitvoering in de opdracht komt te staan, omdat hij van oordeel is dat hij meer of andere gegevens moet verwerken dan hij ter beschikking heeft gekregen. In die situaties kan de arbeidsdeskundige aldus contact zoeken met de arts die de belastbaarheid in kaart heeft gebracht. Dat heeft de arbeidsdeskundige in deze zaak aldus ook (op zichzelf terecht) gedaan, maar de arbeidsdeskundige had wel eerst het antwoord van de bedrijfsarts moeten afwachten, alvorens het onderzoek voort te zetten. Een soortgelijke situatie deed zich voor in de casus die leidde tot de beslissing van het Tuchtcollege SRA van 8 oktober 2012. Een werkgever stelde de arbeidsdeskundige ten behoeve van het arbeidsdeskundig onderzoek in die zaak een FML ter beschikking met de mededeling dat de bedrijfsarts gevraagd was of die FML nog van toepassing was. Naar zeggen van de werkgever had de bedrijfsarts nog geen antwoord gegeven, maar kon de arbeidsdeskundige ervan uitgaan dat de FML vrijwel onveranderd zou zijn. De bedrijfsarts was nog in afwachting van een reactie van klaagster en had daarom nog niet gereageerd. Met name om die reden was het Tuchtcollege van oordeel dat het op de weg van de arbeidsdeskundige had gelegen om contact op te nemen met de bedrijfsarts alvorens zijn advies uit te brengen. Pas dan zou de arbeidsdeskundige zich een helder oordeel hebben kunnen vormen over de re-integratiekansen van de klaagster bij eigen werkgever. Desnoods had de arbeidsdeskundige het oordeel enige tijd moeten opschorten (Vgl. AT SRA 27 januari 2011).


Het Tuchtcollege rekent de arbeidsdeskundige naar mijn mening terecht tevens aan dat het definitieve rapport is gebaseerd op de recente FML van de bedrijfsarts van 14 juli 2016, terwijl het concept-rapport was gebaseerd op de gedateerde FML van 15 augustus 2014. De arbeidsdeskundige had de nieuwe FML niet met klager besproken. Daarnaast was een groot aantal wijzigingen aangebracht en was het definitieve rapport totaal anders van opzet dan het concept. Klager was niet in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Het Tuchtcollege was naar mijn mening terecht van oordeel dat het op de weg van de arbeidsdeskundige had gelegen om dat wel te doen. Het Tuchtcollege stelt in deze beslissing terecht de hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid van iedere arbeidsdeskundigen voorop. De Gedragscode SRA omschrijft deze als de eigen verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige om, zolang dat nodig is, met de cliënt in gesprek te komen en te blijven. De arbeidsdeskundige heeft bovendien de morele plicht om de cliënt alle relevante informatie te verschaffen die deze nodig heeft om zijn eigen belangen verantwoord te kunnen behartigen. De toenaderingsverantwoordelijkheid is vaker inzet geweest van tuchtklachten. Zo oordeelde het Tuchtcollege bij beslissing van 6 mei 2015 dat het niet aangaat dat de arbeidsdeskundige het arbeidsdeskundig rapport definitief heeft gemaakt zonder over zijn beoordeling een gesprek te hebben gevoerd met klager. In feite is dat precies hetzelfde als waar het in de onderhavige casus aan heeft geschort. Zie omtrent de toenaderingsverantwoordelijkheid van arbeidsdeskundigen voorts de beslissing van het Tuchtcollege SRA 7 mei 2018. Ook in de casus die ten grondslag ligt aan de beslissing van het Tuchtcollege van 2 mei 2016 had de arbeidsdeskundige in feite na het definitieve rapport waar bezwaar tegen was gekomen een geheel nieuw onderzoek naar het verzekerd beroep en de daaraan verbonden deeltaken uitgevoerd zonder daarover met klager van gedachten te wisselen. Dat ging naar de overtuiging van het Tuchtcollege niet aan. De arbeidsdeskundige had immers aldus ofwel reeds in het primair onderzoek dienen te werk te gaan dan wel naar aanleiding van de nieuwe bevindingen in het bezwaar opnieuw in contact moeten treden met klager naar aanleiding van de nieuwe bevindingen.


 

Mr.dr. E.J. Wervelman, advocaat bij VWW Advocaten-Mediation te Utrecht