Uitspraak AT SRA 19 februari 2020 (zaaknummer 19-57 AT)

Uitspraak

AT SRA 19 februari 2020 (19-57 AT)

Trefwoorden:

UWV. Deskundigenoordeel. Ongegrond.

Samenvatting:

De klacht heeft betrekking op een deskundigenoordeel dat de beklaagde arbeidsdeskundige heeft uitgebracht. De aanvraag voor het deskundigenoordeel is door het UWV niet in behandeling genomen op formele gronden. De klacht dat de beklaagde arbeidsdeskundige niet beschikte over de nodige stukken treft dan ook volgens het AT geen doel. Datzelfde geldt voor het klachtonderdeel dat de beklaagde arbeidsdeskundige niet had mogen afgaan op het oordeel van de verzekeringsarts. Een register-arbeidsdeskundige is geen arts, beschikt als zodanig niet over de kennis, kunde en bevoegdheid om een oordeel te geven over de vraag of betrokkene al dan niet ziek is en dient zich wat dat betreft te richten naar het oordeel van de arts, in dit geval de verzekeringsarts.

Uitspraak:

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

“klager”,

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “beklaagde”,

1. Procesverloop

1.1. Via het webformulier is door klager op 12 september 2019 een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.

1.2. Door klager zijn daarna enkele aanvullende stukken ingediend bij het secretariaat SRA.

1.3. Bij brief van 7 oktober 2019 is door beklaagde op de klacht gereageerd. Bij deze reactie zijn 7 bijlagen gevoegd.

1.4. De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft op 29 november 2019 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.5. Klager heeft tijdig aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen en zijn klacht bij brief d.d. 28 december 2019 aangevuld.

1.6. Op 21 januari 2020 heeft de gemachtigde van beklaagde een reactie van beklaagde op de aanvulling van klager bij het secretariaat SRA ingediend en een volmacht overgelegd.

1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 30 januari 2020. Ter zitting is klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Klager heeft op 11 augustus 2016 bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd met het verzoek per 1 december 2013 de re-integratie-inspanningen van de werkgever te beoordelen en een oordeel te geven over de juistheid van de eerste ziektedag.

2.3. Beklaagde is werkzaam als arbeidsdeskundige bij het UWV. Van zijn werkgever heeft beklaagde opdracht gekregen om de aanvraag deskundigenoordeel van klager in behandeling te nemen.

2.4. In dat verband heeft beklaagde het van klager bij het UWV aanwezige dossier doorgenomen en op 19 september 2016 telefonisch contact gehad met klager.

2.5. Op 19 september 2016 is door beklaagde aan klager een deskundigenoordeel uitgebracht met de conclusie dat de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling kan worden genomen.

2.6. Op verzoek van de klachtenambassadeur van het UWV heeft beklaagde zijn rapportage op 30 september 2016 aangevuld en nader toegelicht waarom de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling kan worden genomen.

2.7. Volgens de rapportage van beklaagde van 30 september 2016 is de reden voor het niet in behandeling kunnen nemen van de aanvraag deskundigenoordeel, dat de verzekeringsarts in het kader van een WIA-aanvraag van klager op 26 februari 2016 heeft geoordeeld dat er destijds (1 december 2013) geen sprake meer was van ziekte. Bovendien was er sinds 3 februari 2014 geen dienstverband meer, is klager indertijd niet ziek uit dienst gegaan en was er geen sprake meer van re-integratie “die vlot kan worden getrokken”, aldus de rapportage.

2.7. Voorafgaand aan indiening van de klacht bij het secretariaat SRA heeft klager op 26 augustus 2019 per mail aan beklaagde laten weten, dat hij bij het Tuchtcollege een klacht over beklaagde gaat indienen in verband met het deskundigenoordeel van 2016.

3. De klachten

3.1. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, het volgende:

a. in het dossier was geen concrete functie- en taakbeschrijving van de formele functie van klager in 2013 aanwezig. Daarmee beschikte beklaagde niet over de stukken en informatie waar hij over moest beschikken om tot zijn deskundigenoordeel te komen (klachtonderdeel a);

b. beklaagde had niet af mogen gaan op het oordeel van de verzekeringsarts van 26 februari 2016. Dit advies was onduidelijk en ging niet uit van de juiste eerste ziektedag (klachtonderdeel b);

c. er is geen onderzoek gedaan naar de re-integratie-inspanningen. Daarbij had ook betrokken moeten worden dat klager in concernverband werkzaam was (klachtonderdeel c);

d. beklaagde stelt dat hij op 12 en 19 september 2016 met klager heeft gebeld, maar klager had geen telefoon in verband met internetproblemen (klachtonderdeel d);

e. door de SRA wordt ten onrechte een klachttermijn van maximaal 3 jaar gehanteerd. Dit is onwettig, nu de wet SUWI geen verjaringstermijn kent (klachtonderdeel e).

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. De klacht over de termijn van 3 jaar die de SRA hanteert (klachtonderdeel e) heeft geen betrekking op een gedraging van beklaagde. Daar komt bij dat deze termijn is vastgelegd in artikel 3.3. aanhef en onder b Tuchtreglement SRA en als zodanig niet ter beoordeling van het Tuchtcollege staat. Het Tuchtcollege laat deze klacht derhalve buiten beschouwing.

5.5. Verder stelt het Tuchtcollege vast dat klager met het UWV verwikkeld is in een complex geheel van verschillende (gerechtelijke) procedures. Het Tuchtcollege begrijpt de belangen van klager in dat verband, maar geeft geen oordeel over de inhoud van de discussie tussen klager en het UWV. Over de juistheid van de eerste ziektedag waar het UWV vanuit gaat en over de juistheid van de beslissing in 2016 om de aanvraag geen deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen, laat het Tuchtcollege zich dan ook niet uit. Het Tuchtcollege beperkt zich tot de toets of beklaagde bij het uitbrengen van zijn rapportage in 2016 in tuchtrechtelijk opzicht juist heeft gehandeld.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van beklaagde bij het uitbrengen van zijn rapportage in 2016 als volgt.

6.2. Nu de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling is genomen, treft de klacht dat beklaagde in 2016 niet beschikte over de benodigde stukken en informatie bij de behandeling van het aangevraagde deskundigenoordeel (geen concrete functie- en taakbeschrijving van de formele functie van klager in 2013) en geen oordeel is gegeven over de re-integratie-inspanningen (rekening houdend met het werken in concernverband) geen doel. De aanvraag deskundigenoordeel is immers niet inhoudelijk door beklaagde behandeld, maar op formele gronden niet in behandeling genomen. Daarmee zijn de klachtonderdelen a en c naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

6.3. Dat geldt volgens het Tuchtcollege ook voor klachtonderdeel b. Een register-arbeidsdeskundige is geen arts, beschikt als zodanig niet over de kennis, kunde en bevoegdheid om een oordeel te geven over de vraag of een betrokkene al dan niet ziek is en dient zich wat dat betreft te richten naar het oordeel van een arts, in dit geval de verzekeringsarts. Gesteld noch gebleken is dat beklaagde bij de beslissing in september 2016 om de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen niet mocht uitgaan van het oordeel van de verzekeringsarts over de eerste ziektedag en daarmee over de vraag of per 1 december 2013 sprake was van ziekte. Dat het oordeel van de verzekeringsarts niet naar tevredenheid van klager is, kan beklaagde niet worden verweten.

6.4. Het Tuchtcollege heeft ter zitting vastgesteld, dat tussen klager en beklaagde niet ter discussie staat dat klager beklaagde op 19 september 2016 in de middag heeft teruggebeld (volgens beklaagde nadat hij op 12 en 19 september al had geprobeerd om klager telefonisch te bereiken, maar geen gehoor kreeg) en beklaagde zijn beslissing om de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen aan klager heeft toegelicht. Daarmee mist klachtonderdeel d feitelijke grond. Beklaagde heeft klager op 19 september 2016 immers telefonisch gesproken. Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

6.5. Ook overigens is het Tuchtcollege niet gebleken dat beklaagde jegens klager in strijd met de Gedragscode SRA heeft gehandeld. Tuchtrechtelijk kan ter zake van zijn handelwijze bij de behandeling van de aanvraag deskundigenoordeel in 2016 aan beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege geen verwijt worden gemaakt. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde jegens klager juist een zekere welwillendheid aan de dag gelegd. Bovendien heeft beklaagde zich de nodige moeite getroost om zijn beslissing aan klager te verduidelijken.

7. Slotsom

7.1. Op grond van het vorenstaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 19 februari 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

F. Hoebink, lid

B. Gerringa, lid