Uitspraak AT CAT van 16 juni 2022

(download als pdf)

(zaaknummer 21-29 CAT)

Trefwoorden

Arbeidsdeskundig onderzoek naar belasting van de eigen functie. Competentieprofiel Advocatuur. Gegrond beroep tegen beslissing AT. Klacht alsnog ongegrond.

Artikelen Gedragscode SRA

Artt. 1 en 3


Samenvatting

Arbeidsdeskundig onderzoek in werkgever-werknemersverhouding. Verweerster heeft volgens klaagster onvoldoende onderzoek gedaan naar de eigen functie. Het CAT deelt die visie niet. Anders dan het AT is het CAT van oordeel dat het NOvA-competentieprofiel een algemeen competentieprofiel betreft dat afkomstig van een derde partij. Het CAT begrijpt dan ook vanuit arbeidsdeskundig oogpunt dat verweerster ervoor koos het NOvA-competentieprofiel te benutten als uitgangspunt voor het uitvragen van de (hoofd)taken en onderschrijft die keuze ook. De NOvA is uitstekend ingevoerd, immers de publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor de advocatuur. In dit verband acht het CAT tevens van belang dat verweerster een conceptrapport – waaraan het NOvA-competentieprofiel als bijlage was toegevoegd - aan werkgever en klaagster heeft voorgelegd en verweerster zich bereid verklaard heeft het gesprek met klaagster te gaan en zij klaagster in de gelegenheid heeft gesteld haar (aanvullende) visie op het eigen werk te geven. Beroep tegen beslissing AT gegrond, klacht alsnog ongegrond.

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in het hoger beroep op de klacht van

verweerster in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
hierna te noemen: klaagster,

tegen

appellante in principaal appel,
verweerster in incidenteel appel,
gemachtigde: mw. mr. P. Oberink, bedrijfsjurist te Utrecht,
hierna te noemen: verweerster.

Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 29 november 2021 (met producties) heeft verweerster tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 19 oktober 2021 met zaaknummer 21-69/AT, gegeven tussen klaagster en verweerster. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder 'Procesverloop.'

1.2 Na daartoe verleend uitstel heeft klaagster op 26 januari 2022 een verweerschrift in principaal appel ingediend, tevens houdende grieven in incidenteel appel, met producties.

1.3 Verweerster heeft op 28 februari 2022 haar verweerschrift in incidenteel beroep appel genomen, met producties.

1.4 Op 22 april 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, hebben het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitaantekeningen.

1.5 Ten slotte is uitspraak bepaald.

De feiten

In principaal en in incidenteel appel
2.1 Het college stelt de tussen partijen vaststaande feiten in hoger beroep opnieuw vast. Het gaat om het volgende.

2.2 Per 16 september 2019 was sprake van ziekteverzuim van klaagster, werkzaam als advocaat bij een advocatenkantoor. Vanaf 28 juli 2020 is klaagster gestart met re-integreren in haar eigen werk.

2.3 Bij brief van 28 augustus 2020 is klaagster door de arbodienst van haar werkgever uitgenodigd voor een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek ten behoeve van de werkgever van klaagster op 1 oktober 2020, uit te voeren door verweerster.

2.4 Op 1 oktober 2020 heeft verweerster in verband met het onderzoek een bezoek gebracht aan het kantoor van de werkgever van klaagster. Verweerster heeft eerst gesproken met (vertegenwoordigers van) werkgever die aan haar hebben overhandigd het als bijlage 7.1 bij het conceptrapport (zie hierna 2.7) opgenomen “Competentieprofiel Advocatuur (Orde van Advocaten), hierna: het NOvA-competentieprofiel.”
Verweerster heeft daarna gesproken met klaagster, die verweerster tijdens dit gesprek de gevraagde machtiging verstrekte om informatie met de bedrijfsarts uit te wisselen.

Vervolgens vond nog een gesprek met werkgever en klaagster gezamenlijk plaats. Tijdens dit gesprek was sprake van discussie tussen de werkgever en klaagster over het “eigen werk” van klaagster.
Werkgever stelde zich op het standpunt dat klaagster haar eigen werk (advocaat/......) al niet volledig deed vóór haar uitval. Klaagster stelde dat haar eigen werk niet advocaat/......), maar advocaat is.

2.5 Het gesprek van verweerster met werkgever heeft ca. 1½ uur geduurd, met klaagster ca. ¾ uur volgens klaagster en een uur volgens verweerster en het gezamenlijk gesprek ca. een uur.

2.6 Op 2 oktober 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen verweerster en de bedrijfsarts. Na het spreekuurbezoek van klaagster aan de bedrijfsarts op 6 oktober 2020 heeft via het interne netwerk (een chatbericht) van de Arbo-organisatie waaraan de bedrijfsarts en verweerster verbonden zijn terugkoppeling aan verweerster van het bezoek plaatsgevonden.

2.7 Op 8 oktober 2020 heeft verweerster haar conceptrapport “Arbeidsdeskundig Re-integratieonderzoek” per mail aan klaagster en de werkgever toegezonden met het verzoek voor 15 oktober 2020 te reageren als er feitelijke informatie in het rapport staat die niet juist is.

2.8 Naar aanleiding van het conceptrapport heeft klaagster op 8 oktober 2020 de voicemail van verweerster ingesproken en verweerster een e-mailbericht gestuurd, waarin klaagster aan verweerster laat weten dat zij is geschrokken van de vele feitelijke onjuistheden in het rapport en de conclusies die daaraan worden verbonden. Verder geeft klaagster aan dat zij overweegt om een klacht tegen verweerster in te dienen en dat zij daar spoedig op terugkomt.

2.9 Verweerster heeft op dezelfde dag per mail gereageerd en aangegeven dat zij het spijtig vindt om de reactie van klaagster te lezen, de voicemail te hebben gehoord, gebeld te hebben en de voicemail van klaagster te hebben ingesproken. Verweerster heeft aangegeven graag een gesprek met klaagster te willen hebben om te bespreken wat klaagster precies bedoelt.

2.10 Op 14 oktober 2020 heeft klaagster per mail een uitgebreide inhoudelijke reactie op het conceptrapport aan verweerster gestuurd. Klaagster heeft verweerster later weten geen gesprek, maar een schriftelijke reactie te wensen.

2.11 De ontvangst van deze mail is door verweerster op 16 oktober 2020 per mail bevestigd. Daarbij heeft verweerster aangegeven, dat zij de reactie in behandeling heeft genomen en intern heeft voorgelegd en dat zij er in de eerste week van november bij klaagster op terug komt.

2.12 Met het e-mailbericht van 19 oktober 2020 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij een klacht tegen verweerster gaat indienen bij de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA).

2.13 Op 30 oktober 2020 heeft verweerster uitgebreid en schriftelijk op de reactie van klaagster van 14 oktober 2020 gereageerd, een nadere toelichting gegeven op haar rapport en klaagster tot en met 13 november 2020 in de gelegenheid gesteld haar (aanvullende) visie op het eigen werk te geven.

2.14 Op 2 november 2020 heeft klaagster haar klacht bij het secretariaat SRA ingediend.

2.15 Op 13 november 2020 heeft klaagster aan verweerster een reactie gestuurd naar aanleiding van de reactie van verweerster van 30 oktober 2020.

2.16 De ontvangst daarvan heeft verweerster op 20 november 2020 bevestigd waarbij door verweerster onder meer is aangegeven dat de reacties van klaagster van 14 oktober 2020 en 13 november 2020, zonder tegenbericht van klaagster, aan de definitieve rapportage zullen worden gehecht en aan werkgever en klaagster zullen worden toegezonden.

Overwegingen

In principaal en in incidenteel appel
3.1.1 In zijn uitspraak waarvan (principaal en incidenteel) beroep heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege zes klachtonderdelen (a. t/m f.) onderscheiden en daarover geoordeeld. Het AT is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen
(a.) dat klaagster verweerster terecht verwijt dat verweerster aan klaagster geen reactie meer heeft gevraagd op de door de werkgever aangereikte functiebeschrijving bestaande uit het Competentieprofiel Advocatuur van de Orde van Advocaten alvorens deze in haar conceptrapport te gebruiken om het “eigen werk” van klaagster en de belasting in dat eigen werk te bepalen.
Verweerster wist door de gesprekken op 1 oktober 2020 van het stevige verschil van inzicht tussen werkgever en klaagster ter zake van de vraag naar het eigen werk (advocaat/......) of alleen advocaat) en de vraag of klaagster geschikt was voor het eigen werk. De door de werkgever aangereikte functiebeschrijving is door verweerster in de gesprekken op 1 oktober 2020 niet genoemd en was bij klaagster niet bekend. Bij klaagster is door verweerster niet geverifieerd of de betreffende functiebeschrijving een adequate beschrijving was van het eigen werk, terwijl de juiste vaststelling van het eigen werk van fundamenteel belang is bij een re-integratieonderzoek. Dat vanuit arbeidsdeskundig oogpunt te begrijpen en te billijken is, dat verweerster er voor koos de betreffende functiebeschrijving als uitgangspunt te nemen, laat onverlet dat verweerster, gezien de op haar rustende zorgplicht en toenaderingsverantwoordelijkheid, tegenover klaagster tekort is geschoten door aan klaagster, voorafgaand aan haar rapportage, de functiebeschrijving niet voor te leggen en klaagster niet om een reactie te vragen. Nu werd klaagster pas met het conceptrapport geconfronteerd met de functiebeschrijving en de daarop gebaseerde weging van de passendheid van het eigen werk;
(b. t/m f.) dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn. Voor zover nodig komen deze onderdelen hierna bij de behandeling van de grieven aan de orde.
3.1.2 Op voet van artikel 20 lid 1 aanhef en onder a. van het Tuchtreglement SRA heeft het AT de maatregel van waarschuwing opgelegd.

3.2 Verweerster keert zich in principaal appel met één grief tegen het in 3.1.1 sub a. weergegeven oordeel van het AT, verweerster heeft in incidenteel appel 6 grieven opgevoerd tegen de afgewezen klachtonderdelen b. t/m f.
Verweerster concludeert in principaal appel dat zij niet onjuist heeft gehandeld dan wel dat dit, zo begrijpt het CAT, niet tot sanctie zou moeten leiden in de vorm van een waarschuwing. Klaagster concludeert in incidenteel appel dat aan de handelwijze van verweerster “door middel van een stevige tuchtrechtelijk maatregel (moet) worden opgetreden. Een waarschuwing volstaat hierbij niet. Er is op zijn minst een berisping nodig om verweerster de ernst van haar onzorgvuldige handelwijze te doen inzien en recidive in de toekomst kunnen voorkomen.” Partijen concluderen over en weer tot verwerping van het beroep van de wederpartij.

In principaal appel
3.3.1 Als vermeld is de grief van verweerster gekant tegen punt 6.4. van de beslissing van het AT, hiervoor weergegeven in 3.1.1 (a). Verweerster voert – samengevat – aan dat zij zowel bij werkgever als bij klaagster het eigen werk heeft uitgevraagd en zij zich voor haar beoordeling, weging en passendheid van het eigen werk (alleen) heeft gebaseerd op de hoofdtaken die in het overleg zijn besproken en vastgesteld, zie onderdeel 4.1 van het conceptrapport. Het NOvA-competentieprofiel is een algemeen competentieprofiel voor de advocatuur, via internet vrij toegankelijk. Verweerster kan zich niet vinden in het oordeel van het AT dat zij in dit specifieke geval de functieomschrijving, blijkbaar, separaat had moeten overhandigen aan klaagster en om een reactie van klaagster had moeten vragen alvorens de conceptrapportage op te sturen (overweging 6.4). Verweerster constateert dat in 6.3 van de AT-beslissing wordt geoordeeld dat verweerster zorgvuldig onderzoek heeft verricht, er uitvoerig en gemotiveerd verslag is gedaan van de weging van de passendheid van het eigen werk (6.9) en op inzichtelijke en consistente wijze is uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen (6.11).
3.3.2 Het college stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is (2.4) dat ná de gesprekken van verweerster met werkgever resp. klaagster een gezamenlijk gesprek heeft plaatsgevonden, in welk gesprek sprake was van discussie tussen de werkgever en klaagster over het “eigen werk” van klaagster. Volgens werkgever was (het eigen werk van) klaagster advocaat/.......

Klaagster stelde dat zij geen advocaat/......, maar advocaat is. Als besproken met partijen ter zitting in hoger beroep staat eveneens vast (2.5) dat de gesprekken van verweerster met werkgever en met klaagster en het gezamenlijk gesprek geruime tijd hebben geduurd; klaagster heeft de mededeling van verweerster dat het in totaal 3½ uur geduurd heeft niet weersproken. Na de onderbouwing bij verweerschrift in incidenteel appel van de stelling van verweerster dat het NOvA-competentieprofiel inderdaad afkomstig was van de NOvA heeft klaagster zulks ter zitting van het college niet langer (gemotiveerd) betwist. Het door werkgever aan verweerster overhandigde competentieprofiel is (op een enkel opmaakverschil na) inderdaad gelijk aan het door verweerster bij haar verweerschrift in incidenteel appel overgelegde stuk met de kop en het logo “Nederlandse orde van advocaten Competentieprofiel Advocatuur,” met vermelding van de link. Het tweede stuk dat werkgever aan verweerster heeft overhandigd, met de kop “Leidraad zelfevaluatie” is kennelijk wél een eigen stuk van werkgever.
3.3.3 Gelet op de vermelde discussie tussen partijen over een voor de rapportage van een arbeidsdeskundige essentieel gegeven – namelijk: het “eigen werk” van de cliënt/werknemer – de duur van de gesprekken en het vermelde in de conceptrapportage (4.1) “In overleg zijn de volgende hoofdtaken vastgesteld: …) is het college van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verweerster de voor haar beoordeling relevante (hoofd)taken niet voldoende heeft uitgevraagd, al dan niet aan de hand van het door werkgever overhandigde NOvA-competentieprofiel. Volgens klaagster ging het “driegesprek” (werkgever, klaagster en verweerster) “voortdurend over eigen werk”. En dát is waarom het draait, wat er zij van een (formeel) profiel en/of een functiebenaming. Het gaat om de aan de functie verbonden werkzaamheden uitgesplitst in relevante taken en uren. De juistheid van de taak/urenanalyse in 4.1 “Functiebelasting uitgewerkt per taak (…)” van het conceptrapport is door verweerster niet anders betwist dan dat dit onderdeel een van werkgever afkomstig “schema” was (zie hierna, 3.7.2). Evenwel zijn de in het conceptrapport op de vermelde hoofdtaken volgende “Functiebelasting uitgewerkt per taak (…)” en “Weging passendheid taken” het product van eigen afwegingen van verweerster (en daarom opgenomen in hfst. 4.1 “Beoordeling passendheid eigen werk”) naar het het college voldoende aannemelijk voorkomt op basis van het uitvragen van de voor het eigen werk relevante (hoofd)taken. Onweersproken heeft verweerster gesteld dat het vermelde onder “Functiebelasting uitgewerkt per taak” is besproken tijdens het gesprek met klaagster.

3.3.4 Daar komt bij dat, wat er zij van de discussie tussen werkgever en klaagster over het eigen werk, verweerster een vergelijking heeft gemaakt tussen de belastbaarheid zoals vastgesteld door de bedrijfsarts in de Lijst van Arbeidsmogelijkheden en Beperkingen (LAB), waarin als beperkingen vermeld: “Specifieke voorwaarden voor persoonlijk functioneren in arbeid“ en Omgaan met conflicten” en eventuele passende alternatieve functies bij werkgever. Volgens verweerster geven die functies allemaal soortgelijke overschrijdingen van de belastbaarheid als het geval is in het eigen werk.
3.3.5 Klaagster heeft betwist dat het NOvA-competentieprofiel op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. Gesteld noch gebleken is echter dat een ander competentieprofiel is overeengekomen. Klaagster heeft bovendien aangevoerd dat het niet juist is dat er geen onenigheid en discussie was tussen haar en werkgever over “het gedeelte van advocaat” - het college begrijpt: de taken/werkzaamheden verbonden aan de functie van advocaat - omdat die afspraken over taken er niet waren.
Nu het NOvA-competentieprofiel, zoals door verweerster gesteld, een algemeen competentieprofiel betrof afkomstig van een derde partij, is het college met het AT van oordeel dat het, gegeven de discussies en verschillen van inzicht tussen werkgever en klaagster over het eigen werk van klaagster, vanuit arbeidsdeskundig oogpunt te begrijpen en te billijken is dat verweerster ervoor koos het NOvA-competentieprofiel te benutten als uitgangspunt voor het uitvragen van de (hoofd)taken. De NOvA is uitstekend ingevoerd, immers de publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor de advocatuur.
Dat de “Leidraad zelfevaluatie” die door werkgever aan verweerster is overhandigd in het onderzoek en de rapportage van verweerster een rol van betekenis heeft gespeeld is het college niet gebleken.
3.3.6 Nu voldoende is komen vast te staan dat verweerster de voor het eigen werk relevante (hoofd)taken heeft uitgevraagd levert het feit dat zij in de gesprekken op 1 oktober 2020 aan klaagster geen uitdrukkelijke reactie heeft gevraagd op het NOvA-competentieprofiel geen tuchtrechtelijk verwijt op. In dit verband is tevens van belang dat verweerster een conceptrapport – waaraan het NOvA-competentieprofiel als bijlage was toegevoegd - aan werkgever en klaagster heeft voorgelegd en verweerster zich bereid verklaard heeft het gesprek met klaagster te willen gaan (2.9) en zij klaagster in de gelegenheid heeft gesteld haar (aanvullende) visie op het eigen werk te geven.
Dat betekent dat de grief in het principaal hoger beroep slaagt.

In incidenteel appel
3.4.1 Volgens grief 1 heeft het AT in 6.3 van zijn uitspraak ten onrechte geoordeeld dat verweerster een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en de zorg van een goed arbeidsdeskun-dige heeft betracht en dat van strijd met artikel 1 en 2 lid 2 van de Gedragscode geen sprake is. De grief valt in de toelichting uiteen in meerdere klachtonderdelen die hierna worden besproken.
3.4.2 Het college is van oordeel dat klaagster haar stelling dat verweerster op zeer onzorgvuldige en eenzijdige wijze onderzoek heeft uitgevoerd in het licht van de overwegingen van het AT en de vaststaande feiten vermeld in 2.4 en 2.5 onvoldoende heeft onderbouwd.
De klachten over (de gang van zaken rond) het overleg van verweerster met de bedrijfsarts missen feitelijke grond, althans zijn niet komen vast te staan. Verweerster heeft betwist dat er, voorafgaande aan de verleende toestemming door klaagster, op 30 september 2020 overleg met de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden, er is volgens verweerster toen slechts getracht tot een afspraak te komen. Overleg heeft eerst op 2 oktober 2020 plaatsgevonden, aldus verweerster. Het college kan niet vaststellen dat deze lezing van verweerster onjuist is, maar merkt wel op dat het rapport van verweerster op dit punt weinig zorgvuldig is. Immers, er is wél vermeld dat er op 30 september (en 2 oktober 2020) overleg heeft plaatsgevonden met de bedrijfsarts en níet dat er op 6 oktober 2020 ook nog informatieverstrekking door de bedrijfs-arts heeft plaatsgevonden.
Immers, na het spreekuurbezoek van klaagster aan de bedrijfsarts op 6 oktober 2020 heeft (2.6) via het interne netwerk (een chatbericht) van de Arbo-organisatie waaraan de bedrijfsarts en verweerster verbonden zijn terugkoppeling aan verweerster van dat spreekuurbezoek plaatsgevonden. Verweerster beschikte dus over de actuele stand van zaken voorafgaande aan het opmaken van het conceptrapport.
Waar klaagster (samengevat) aanvoert dat haar visie en informatie niet dan wel onjuist is benoemd en evenmin is meegewogen in het conceptrapport en niet gewijzigd is in het eindrapport kan het college niet anders dan concluderen dat klaagster eraan voorbijgaat dat de bedrijfsarts in de LAB (zie 3.3.3) beperkingen heeft geduid. Verweerster heeft daarover vermeld in haar rapport (3.4.2) “In een telefonisch onderhoud met de arts op 2 oktober 2020 geeft zij aan dat het voor werknemer nog lastig is om direct te reageren. Het LAB-item "Omgaan met conflicten", ziet de arts niet alleen als een beperking in de communicatie met werkgever, maar ook nog als een beroepsmatige beperking.”

Gegeven deze opvatting van de bedrijfsarts heeft verweerster het item “omgaan met conflicten” terecht geduid als betrekking hebbende (niet slechts op de arbeidsverhouding met werkgever maar ook) op het eigen werk: “om kunnen gaan met conflicten is inherent en essentieel in het werk dat werknemer uitvoert.” Zonder nadere toelichting van klaagster, die ontbreekt, valt niet in te zien dat omgaan met conflicten géén uit arbeidsdeskundig oogpunt relevante factor voor het (eigen) werk van advocaat is. Dat klaagster gezegd zou hebben dat zij geen knelpunten in het eigen werk ervaart maar dat zij nog niet het volledige aantal uren werkt, maakt dat niet anders.
De grief faalt.

3.5.1 Grief 2 houdt in dat het AT in 6.7 van zijn uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster haar onderzoek heeft gebaseerd op betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens over de beperkingen van klaagster.
3.5.2 De grief mist feitelijk grond. Tussen partijen is niet in geschil dat er op 2 oktober 2020 overleg tussen de bedrijfsarts en verweerster heeft plaatsgevonden. In het conceptrapport wordt in 3.4.2 gesproken over opbouwschema’s van de bedrijfsarts. “Bij beide schema's heeft werknemer uiterlijk medio november 2020 weer volledig hervat in haar eigen functie. Dit geeft de arts ook aan bij het verwachte doel in haar terugkoppeling van het spreekuur van 6 oktober 2020: "Het medische doel is volledige hervatting in eigen werk in de loop van november 2020".
In aansluiting hierop heeft verweerster ter zitting in hoger beroep gesteld dat – als hiervoor vermeld – de bedrijfsarts op 6 oktober 2020, ná het spreekuurbezoek aan haar van klaagster, via de chat (2.6) aan verweerster heeft teruggekoppeld. Terecht heeft het AT (dus) geoordeeld dat verweerster ten tijde van het uitbrengen van haar conceptrapport beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare medische informatie (vgl. artikel 2 van de Gedragscode SRA).
De grief treft dus geen doel.

3.6.1 Met grief 3 klaagt verweerster dat het AT ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster uitvoerig en gemotiveerd verslag heeft gedaan van de weging van de passendheid van het eigen werk en het onderzoek naar de mogelijkheden van ander werk bij de werkgever. Evenmin is juist het oordeel van het AT dat verweerster op inzichtelijke, deugdelijk gemotiveerde en consistente wijze uiteengezet heeft hoe zij tot haar conclusies komt.

Volgens klaagster gaat er haar niet om dat zij het met de conclusies van verweerster niet eens is. Verweerster heeft, aldus klaagster, onzorgvuldig en ondeugdelijk gehandeld in de zin van artikel 3 van de Gedragscode.
3.6.2 Het college overweegt als volgt. Het is aan de arbeidsdeskundige de voor de rapportage relevante gegevens te verzamelen, te selecteren en te verwerken. Artikel 3 van de Gedragscode SRA formuleert de eisen waaraan arbeidsdeskundige rapportages dienen te voldoen:
“1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
(…)”
De grief faalt op de gronden hiervoor vermeld in 3.3.3 t/m 3.3.6. Samengevat: niet aannemelijk is geworden dat verweerster de voor haar beoordeling relevante (hoofd)taken niet voldoende heeft uitgevraagd, verweerster heeft de (LAB-)informatie van de bedrijfsarts in haar overwegingen betrokken en vanuit arbeidsdeskundig oogpunt is te begrijpen en te billijken dat verweerster ervoor koos het NOvA-competentieprofiel als uitgangspunt te nemen.
Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat verweerster relevante informatie van klaagster heeft genegeerd of feitelijke onjuistheden ongemotiveerd terzijde heeft gelegd. De arbeidsdeskundige maakt haar eigen arbeidsdeskundige afwegingen. Met het AT is het college van oordeel dat het conceptrapport voldoet aan de eisen die artikel 3 van de Gedragscode SRA aan rapportages van arbeidsdeskundigen stelt.
De grief slaagt dus niet.

3.7.1 Volgens grief 4 heeft het AT ten onrechte geoordeeld dat verweerster een zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, de noodzakelijke gegevens heeft verzameld en op basis van relevante gegevens een arbeidsdeskundige beoordeling heeft uitgevoerd.

3.7.2 De grief mist feitelijke grond nu deze, blijkens de toelichting, daarop is gebaseerd dat de functiebelasting en de weging passendheid taken in 4.1 van het conceptrapport, alsmede het NOvA-competentieprofiel (de functiebeschrijving in bijl. 7.1 van het [concept]rapport), allemaal door de werkgever aangeleverde “schema’s” zijn. Het college verwijst naar hetgeen in 3.3.3 e.v. reeds is overwogen. De functiebelasting en de weging passendheid taken in 4.1 van het conceptrapport zijn – onderdeel van hfst. 4.1 “Beoordeling passendheid eigen werk - het product van de eigen arbeidsdeskundige beoordeling van verweerster op basis van de informatie van de bedrijfsarts, werkgever en werkneemster/klaagster. Verweerster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de voor het eigen werk relevante (hoofd)taken heeft uitgevraagd en vanuit arbeidsdeskundig oogpunt is te begrijpen en te billijken dat verweerster ervoor koos het NOvA-competentieprofiel, overhandigd door werkgever, te benutten als uitgangspunt voor het uitvragen van de (hoofd)taken. Aan verweerster kan worden toegegeven dat het de voorkeur had verdiend het NOvA-competentieprofiel als zodanig te benoemen en te bespreken met werknemer en in het driegesprek. Maar klaagster heeft door middel van toezending bij het conceptrapport er kennis van kunnen nemen en daarop kunnen reageren. Klaagster heeft er vervolgens zelf voor gekozen niet in te gaan op de uitnodiging van verweerster in het kader van haar toenaderingsverantwoordelijkheid (alsnog) het gesprek aan te gaan. Terecht heeft het AT in dit verband overwogen dat “verweerster (…) opliep tegen het vroegtijdig geuite en stellige voornemen van klaagster om een klacht over verweerster bij de SRA in te dienen.”
De toelichting op de grief blijft voorts steken in algemeenheden en onvoldoende onderbouwde aantijgingen aan het adres van verweerster zoals dat verweerster “haar oordeel al gereed (had) op basis van de eenzijdige informatie van de werkgever. Voor de vorm stelde zij slechts enkele vragen aan klaagster als werkneemster. Zij was ook helemaal niet van plan om zich ook maar iets aan te trekken van de opmerkingen van klaagster.” Op het verwijt dat verweerster vóór het verlenen van toestemming door klaagster reeds overleg met de bedrijfsarts heeft gehad is het college reeds ingegaan onder 3.4.2.; het college heeft dat niet kunnen vaststellen.
Ook deze grief slaagt niet.

3.8.1 Volgens grief 5 heeft het AT heeft in 6.12 van zijn uitspraak ten onrechte geoordeeld dat verweerster zich geen juridisch oordeel heeft aangemeten over het eigen werk van klaagster.
Immers, in hoofdstuk 6 (“Conclusie en advies ten aanzien van het vervolg”) heeft verweerster opgenomen:

"Voor het beschrijven van het eigen werk is uitgegaan van de functiebeschrijving zoals deze is ontvangen van de werkgever. Indien werknemer het hier inhoudelijk niet mee eens is, wordt zij geadviseerd hier een deskundigenoordeel over aan te vragen bij het UWV."
3.8.2 Het gaat verweerster, naar het college begrijpt, kennelijk om het NOvA-competentieprofiel (2.4). Met het AT is het college van oordeel dat verweerster zich met de gewraakte passage geen juridisch oordeel heeft aangemeten. Naar het college in 3.3.5 heeft overwogen is het vanuit arbeidsdeskundig oogpunt te begrijpen en te billijken dat verweerster, gegeven de discussies en verschillen van inzicht tussen werkgever en klaagster over het eigen werk van klaagster, het NOvA-competentieprofiel als uitgangspunt voor haar arbeidsdeskundige beoordeling heeft genomen. Dat houdt geen juridisch oordeel in en verweerster is gebleven binnen de grenzen van haar deskundigheid.
De grief slaagt niet.

3.9.1 Grief 6 ten slotte luidt: “Het AT heeft sub 6.15 van zijn uitspraak ten onrechte geoordeeld dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een partijdig, subjectief, niet onafhankelijk onderzoek.”
In de toelichting voert klaagster aan dat de vrijheid van een arbeidsdeskundige om bepaalde feiten en omstandigheden te kiezen wordt begrensd daar waar sprake is van aannames en onjuistheden. Verweerster heeft die grenzen stelselmatig overschreden, aldus klaagster.
3.9.2 Aldus blijft ook (de toelichting op) deze grief steken in algemeenheden. Op welke feiten, omstandigheden, aannames en onjuistheden klaagster in dit appel doelt blijft ongewis. De grief is daarmee onvoldoende onderbouwd en kan niet slagen.

In principaal en incidenteel appel
4.1 De slotsom van het voorgaande is dat de grief in het principaal hoger beroep gegrond is en alle grieven in het incidenteel appel falen. Nu het principaal appel slaagt ontvalt de grond aan de tuchtrechtelijke veroordeling door het AT. Alle klachten van klaagster worden afgewezen.

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

in principaal appel:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 19 oktober 2021 met zaaknummer 21-69/AT, gegeven tussen klaagster en verweerster;

in incidenteel appel:
- verklaart het beroep ongegrond. Alle klachten van klaagster worden afgewezen.


Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 16 juni 2022 door
mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren L. Janssen en P. Hulsen, leden. 


Mr. J.W. van Rijkom