Inleiding

SRA krijgt met regelmaat vragen van arbeidsdeskundigen over hoe zij moeten omgaan met verzoeken om inzage en correctie bij de totstandkoming van hun rapporten. Ook het maken van concept-rapporten roept veel bij arbeidsdeskundigen vragen op. Daarover gaat deze memo.

Recht van inzage en rectificatie (art. 15 en 16 AVG)

Degene op wie uw arbeidsdeskundig onderzoek betrekking heeft volgens de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG) recht op inzage over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Dit wordt ook wel het “recht van inzage” genoemd en is verankerd in art. 15 AVG. Dit recht geeft betrokkene het recht om een overzicht te verlangen van de verwerkte persoonsgegevens. Niet meer en niet minder dan dat. Dit is wat anders dan het “inzage- en blokkeringsrecht” uit artikel 7:464 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Dit patienten-recht geldt als een verplichting voor artsen bij het verrichten van keuringen. Soms geeft de wet betrokkenen bij medische onderzoeken een zogenaamd “blokkeringsrecht”. Dit betekent dat betrokkene het recht heeft om als eerste kennis te nemen van de uitslag van het medische onderzoek (inzage) zoals vastgelegd in het conceptrapport van de arts. En vervolgens op basis van die inzage kan verhinderen dat het medische rapport ter kennis wordt gebracht van de opdrachtgever (blokkering). Voor arbeidsdeskundigen geldt het wettelijke inzage- en blokkeringsrecht uit het BW niet, tenzij de rechter (of partijen zelf) anders hebben bepaald.

Terug naar uw verplichtingen als arbeidsdeskundige. U dient betrokkene inzage te geven in uw rapport, omdat u daarin persoonsgegevens verwerkt. Heeft betrokkene een recht op rectificatie? Een absoluut ‘recht’ daarop (of liever gezegd: op correctie) bestaat niet. Wel heeft degene op wie uw rapport betrekking heeft, het recht om u te vragen feitelijke onjuistheden te corrigeren. Denk bijvoorbeeld aan een verkeerde geboortedatum of een verkeerd gespelde naam. Het recht om correcties te verzoeken houdt niet in dat wijzigingen kunnen plaatsvinden omdat iemand het niet eens is met een deel van uw rapport of een passage niet relevant acht.

Uw concept-rapport

SRA dringt er bij u als arbeidsdeskundige op aan om uw bevindingen neer te leggen in een zogenaamd “concept-rapport”. Zoals ook blijkt uit de Gedragscode SRA en de arbeidsdeskundige tuchtrechtspraak bestaat daartoe weliswaar geen “harde” verplichting, maar het verdient wel de voorkeur. Met name ook om te voorkomen dat in de fase van totstandkoming van uw rapport onnodig feitelijke onjuistheden sluipen. Daarnaast getuigt het van respect jegens partijen dat zij zich kunnen uitlaten over uw concept. SRA laat het overigens aan uw eigen beoordeling als arbeidsdeskundige over of u voor de totstandkoming van uw (echte) conceptrapport wenselijk acht om eerst een eigen verklaring van (een van) partijen ter verificatie alleen aan die partij voor te leggen. Dat staat namelijk los van het verstrekken van uw “echte” conceptrapport.

SRA verzoekt u als arbeidsdeskundige als volgt te werk te gaan bij het bieden van gelegenheid tot het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken naar aanleiding van uw concept-rapport. Daarbij sluit SRA op hoofdlijn aan bij het opstellen van rapporten voor gerechtelijke instellingen (Leidraad Deskundigen in Civiele Zaken).

U doet uw arbeidsdeskundig onderzoek en schrijft uw rapport. Dat bevat uw volledige onderzoeksbevindingen, dus niet alleen het verslag van uw onderzoek, maar ook uw antwoorden op de gestelde vragen. U zendt het rapport toe aan beide partijen en schrijft in een begeleidende brief dat zij gelegenheid hebben opmerkingen en verzoeken aan u te doen toekomen binnen een door u genoemde termijn. Dit rapport wordt wel concept-rapport genoemd. Het ‘concept’-aspect houdt slechts in dat uw rapport pas definitief is nadat u aan partijen gelegenheid heeft gegeven voor het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken en u deze in uw (definitieve) rapport heeft verwerkt. U hecht de vervolgens ontvangen opmerkingen en verzoeken in kopie als bijlage aan uw (definitieve) rapport. Als achtergrond voor een en ander wijst SRA u op de Leidraad deskundigen in civiele zaken. Daar is dit minutieus uitgewerkt. U vindt daar ook antwoorden op vragen als: Wat moet ik doen als partijen reageren op elkaars opmerkingen of mij geheel nieuwe vragen stellen?

Het kan zijn dat betrokkene u al in het inzagestadium, dus voorafgaand aan het stadium waarin u uw conceptrapport aan partijen hebt toegezonden al aan u vraagt om feitelijke onjuistheden te corrigeren. Het is menselijkerwijs voorstelbaar dat betrokkene bij kennisneming van uw rapport eventuele vergissingen direct wil signaleren. U hoeft betrokkene niet actief te weerhouden van het doen van correctieverzoeken in dit stadium. Betreft het – in het inzagestadium – een verzoek tot correctie van een kennelijke verschrijving in een feit dat niet van betekenis is voor uw bevindingen zoals de spelling van een naam of een abusievelijk verkeerd genoteerde datum, dan staat het u vrij al in dit eerdere stadium het concept-rapport in zoverre te corrigeren. Het is immers onpraktisch en dient geen redelijk doel dat u dergelijke feiten niet zou mogen corrigeren voordat u beide partijen uw concept-rapport toezendt om hen in de gelegenheid te stellen tot het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken. Bedenk wel dat de andere partij moet kunnen kan waarnemen wat er is gewijzigd, doordat in het correctieverzoek is vermeld dat daarvan een kopie naar de andere partij is gezonden en deze het concept-rapport van u ontvangt. Twijfelt u of correctie van een kennelijke onjuistheid in dit stadium van het onderzoek bij de andere partij toch onverhoopt de indruk kan wekken dat sprake is van beïnvloeding van uw bevindingen, dan is het raadzaam correctieverzoeken pas in behandeling te nemen nadat beide partijen de gelegenheid hebben gekregen voor opmerkingen en verzoeken. U kunt dat dan vermelden in de brief aan partijen waarin u uw concept-rapport toezendt.