Uitspraak CAT 20 september 2019

Zaaknummer 19-17 CAT
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van
klager in hoger beroep,

tegen

beklaagde,
verweerder in hoger beroep.
 

Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 28 mei 2019 heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 24 mei 2019 met zaaknummer 19-50/AT, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder 'Procesverloop.'

1.2 Op uitnodiging van het secretariaat SRA op voet van artikel 18 lid 4 van het Tuchtreglement SRA heeft klager op 15 juni 2019 - dus tijdig - zijn beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep (“motivatie van beroep”) als bedoeld in artikel 18 lid 2 sub c. van het Tuchtreglement SRA. Klager heeft voorts een getekend exemplaar overgelegd.

1.3 Beklaagde heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend; bij e-mail van 19 juli 2019 aan het secretariaat heeft beklaagde laten weten “inhoudelijk niets toe te hebben te voegen aan de eerdere uitspraken (het College leest: uitspraak) van het Arbeidskundig Tuchtcollege.” Bij e-mail van 30 juli 2019 heeft beklaagde medegedeeld te hebben besloten niet ter zitting te verschijnen.

1.4 De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2019 plaatsgevonden. Klager en zijn echtgenote hebben het woord gevoerd.

1.5 Ten slotte is uitspraak bepaald.

De feiten
2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tucht­college onder het kopje 'Feiten' in de bestreden uitspraak zijn vermeld, nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht. Het gaat daarbij om het volgende.

2.2 Op 17 september 2018 heeft beklaagde van de werkgever van klager in het kader van een voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV met betrekking tot klager opdracht gekregen een onderzoek te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden van klager.

2.3 In dat verband heeft beklaagde op 28 september 2018 telefonisch overleg gepleegd met de werkgever. Op dezelfde dag bezocht beklaagde klager thuis voor een gesprek. Tijdens dit gesprek is door beklaagde op verzoek van klager vertrouwelijkheid aan klager beloofd en is afgesproken dat beklaagde zijn advies eerst in concept aan klager zal sturen om het commentaar en de bevindingen van klager te vernemen alvorens dit advies aan de werkgever wordt gepresenteerd.

2.4 Op 29 september 2018 heeft klager beklaagde een e-mailbericht gestuurd waarin klager beklaagde sommeert met een voorstel voor taken te komen, in ieder geval binnen de eigen functie, dan wel ander passend werk met dezelfde verdiensten. Bovendien heeft klager er nogmaals op gewezen, dat het advies en de informatie van beklaagde pas aan de werkgever mag worden verstrekt na schriftelijke instemming van beklaagde.

2.5 Klager heeft op 30 september 2018 aan de werkgever een lijst gevraagd met de interne en externe vacatures en functiebeschrijvingen.

2.6 Op 1 oktober 2018 heeft beklaagde de bij de werkgever opgevraagde functiebeschrijvingen, de lijst met functies tot en met schaal 11 en een overzicht van de meest recente vacatures aan klager doorgestuurd met het verzoek aan klager om aan te geven voor welke functies of vacatures hij belangstelling heeft, zodat beklaagde kan afwegen of deze passend zijn. Daarbij vraagt beklaagde aan klager:
“Is het haalbaar om hier binnen een week op te reageren (dus voor 9 oktober 2018).”

2.7 Klager heeft gereageerd op 2 oktober 2018 met het volgende bericht:

“Nog even, mijn informatie naar jou wordt pas opgestuurd nadat ik toestemming heb gegeven. Ik weet namelijk niet welke invloed het heeft op de procedure en mijn kans om voor de restverdiencapaciteit te blijven werken. Volgende week dinsdag spreek ik op uitnodiging de uwv arbeidsdeskundige. Ik ga hem nog eens alles voorleggen en vragen om een nieuw oordeel. Ik ben nu een docent en kan daarin ook nog gewoon functioneren voor die restcapaciteit, behalve voor onderwijsuitvoering. Ik wil je nogmaals benadrukken dat ik dat al voor een halve baan deed in 2015 en 2016. Daarnaast kan ik taken vervullen in de andere functies. Het lijstje met vacatures is niet relevant, alsmede niet de schaal 11. Ik zat in 12 (…).”

Klager geeft daarbij ook aan dat zijn werkgever verantwoordelijk is voor zijn re-integratie en dient te zorgen voor taken die in schaal 12 passen in een leuke uitdagende functie.

2.8 Op 8 oktober 2018 heeft beklaagde zijn conceptadvies aan klager gestuurd (hierna: het conceptadvies of conceptrapport). Conclusie van beklaagde is dat er op dat moment geen arbeidsmogelijkheden bij werkgever zijn die aansluiten bij de wensen van klager dan wel passend zijn. In het e-mailbericht van beklaagde aan klager is het volgende vermeld:
“Bijgaand tref je mijn advies. Uiteraard stuur ik het conform belofte eerst naar jou op. Zou je het met de UWV-AD willen bespreken? Ik verneem graag je reactie. Zou dat op woensdag (de dag na jouw onderhoud met de UWV arbeidsdeskundige) kunnen zijn?”

2.9 Op 10 oktober 2018 heeft beklaagde van klager de volgende reactie ontvangen:
“Naar aanleiding van het concept rapport arbeidsdeskundige advisering waar de datum ontbreekt maar die is binnengekomen op 8 oktober 2018, geef ik de volgende reflectie: Het rapport bevat te veel tekortkomingen en vooringenomenheden om te kunnen spreken van een objectief en sluitend advies. Ik ga er van uit dat alle informatie geheim blijft en zo spoedig mogelijk wordt vernietigd. Ik zie de discussie hierover graag tegemoet bij de rechtbank. Ik wens verder niet meer benaderd te worden door u. Voor de rest wil ik u bedanken voor het prettige gesprek dat ik met u mocht hebben en wens u alle goeds.”

2.10 Naar aanleiding van het in 2.9 vermelde bericht heeft beklaagde besloten zijn opdracht te beëindigen en heeft hij klager op 10 oktober 2018 als volgt geantwoord:
“Dank voor de mail. Fijn dat u snel reageert. Ik zal [werkgever] laten weten dat ik niet kan adviseren omdat u vindt dat het rapport teveel tekortkomingen en vooringenomenheden bevat om te komen tot een sluitend advies. Ik kondig dus aan dat ik [werkgever] de opdracht teruggeef met de reden waarom. Ik ga bewust niet in op de inhoud van alle gesprekken, mailwisselingen en overige communicatie.”

2.11 Met een e-mailbericht van dezelfde datum heeft beklaagde de werkgever van klager laten weten:
“Ik heb afgelopen maandag mijn conceptrapport naar [klager] gestuurd en gevraagd naar een reactie. Ik heb hem verzocht uiterlijk woensdag 10-10-2018 te zullen reageren. Vandaag kreeg ik de volgende reactie: Het rapport bevat teveel tekortkomingen en vooringenomenheden om te kunnen spreken van een objectief en sluitend advies. Verder de volgende opmerking: Ik ga er van uit dat alle informatie geheim blijft en zo spoedig mogelijk wordt vernietigd. [Klager] wenst niet meer benaderd te worden door mij. Op grond van het bovenstaande wil ik u laten weten dat ik de vraagstelling aangaande passende re-integratiemogelijkheden binnen [werkgever] niet kan beantwoorden.”

2.12 Vervolgens heeft klager naar aanleiding van stukken die hij van de werkgever en het UWV ontving (waarin de activiteiten van beklaagde, naar het college aanneemt, blijkbaar zijn vermeld) beklaagde in e-mailberichten van 18 oktober 2018 en 21 oktober 2018, kort gezegd, verweten dat hij de afgesproken vertrouwelijkheid en geheimhouding heeft geschonden.

Beklaagde heeft dit met een e-mailbericht aan klager van 22 oktober 2018 bestreden, aangeven aan werkgever alleen te hebben meegedeeld dat hij niet kan adviseren en klager doorverwezen naar het secretariaat SRA voor indiening van een klacht.

2.13 Op 26 oktober 2018 en 29 oktober 2018 heeft klager nog e-mailberichten aan beklaagde gestuurd met inhoudelijke vragen over en inhoudelijk commentaar op het conceptadvies van beklaagde. Beklaagde heeft daarop aan klager laten weten dat hij het verstandig acht daar niet (meer) op te reageren nu zijn opdracht is beëindigd en klager het voornemen heeft een klachtprocedure te beginnen.

Overwegingen
3.1 Volgens de uitspraak van het AT, waarvan beroep, verwijt klager beklaagde, het volgende:
1. beklaagde was bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet onafhankelijk en vooringenomen doordat hij vaak opdrachten doet voor de betreffende werkgever en daardoor te afhankelijk is van deze opdrachtgever dan wel daar dan een te nauwe relatie mee heeft om nog onafhankelijk en niet vooringenomen te zijn;
2. het conceptadvies van beklaagde van 8 oktober 2018 bevat 5 fouten;
3. beklaagde heeft door zijn informatie aan de werkgever de met klager afgesproken vertrouwelijkheid en/of geheimhouding geschonden;
4. de handelwijze van beklaagde was gehaast, er werd klager te weinig tijd gegeven voor een reactie. Er was sprake van onnodige tijdsdruk op klager;
5. beklaagde heeft door gebruikmaking van informatie van het UWV en de bedrijfsarts de medische geheimhoudingsplicht geschonden.

3.2 Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld. Het AT overwoog daartoe, samengevat, als volgt.
(ad 1.) Deze klacht is niet feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat beklaagde vaak opdrachten voor dezelfde opdrachtgever uitvoert, maakt niet dat een register-arbeidsdeskundige (het college leest:) niet meer onafhankelijk en/of bij de uitvoering van zijn werk vooringenomen is.

(ad 2.) Klager heeft een redelijke tijd en gelegenheid gehad om op het conceptadvies te reageren en daarbij eventuele fouten in het concept aan te geven. Het beginsel van hoor en wederhoor is toegepast. Klager heeft er voor gekozen om niet op het conceptadvies te reageren en heeft dit op 10 oktober 2018 aan beklaagde laten weten. Nu klager eerst ruimschoots na het beëindigen van de opdracht inhoudelijke vragen stelde over en commentaar leverde op het conceptadvies, heeft beklaagde daarop terecht niet meer gereageerd.
Het gaat klager naar het oordeel van het AT niet aan om, terwijl klager eerder bewust afzag van een reactie op het conceptadvies, nu nog over fouten in het conceptadvies te klagen. Het AT wijst er daarbij op, dat beklaagde zijn advies nimmer heeft afgerond, maar de opdracht na de mail van klager van 10 oktober 2018 heeft beëindigd en geen advies heeft uitgebracht.
(ad 3.) Voor deze klacht ontbreekt feitelijke grond. Beklaagde heeft zijn advies eerst in concept aan klager voorgelegd. Klager heeft daarop kunnen reageren, maar er voor gekozen dit niet te doen en beklaagde te berichten dat deze zijn werkzaamheden diende te beëindigen. Met het e-mailbericht van 10 oktober 2018 aan werkgever heeft beklaagde uitsluitend laten weten, dat hij geen advies kan uitbrengen en hij de opdracht beëindigt. Met dat e-mailbericht is de afgesproken vertrouwelijkheid en/of geheimhouding niet geschonden.
(ad 4.) Van haast dan wel onnodige tijdsdruk is niet gebleken. Integendeel: beklaagde heeft redelijke reactietermijnen gegeven en hij heeft daarbij ook de nodige flexibiliteit getoond.
(ad 5.) Niet is gebleken dat de informatie waar klager op doelt medische informatie betreft. Het gaat om informatie over de functionele mogelijkheden en/of beperkingen van de werknemer die door het UWV en de bedrijfsarts aan de werkgever werden verstrekt en door de werkgever in kader van de arbeidsdeskundige advisering door beklaagde noodzakelijkerwijs aan beklaagde is doorgegeven.

3.3 Het college stelt vast dat ondanks de in 1.2 bedoelde aanvulling op het beroepschrift, daadwerkelijke, voldoende concrete/precieze bezwaren (grieven) tegen de uitspraak van het AT – behoudens ten aanzien van de in 3.1 onder 1. omschreven klacht - (ook in de onderdelen A., B en C van die aanvulling) slechts met een zeer welwillende lezing van de stukken in hoger beroep zijn te ontwaren.

En zoals ook reeds in de uitspraak van het AT gereleveerd, in deze tuchtprocedure wordt niet geoordeeld over de werkgever van klager, noch over de advocaat van werkgever of het UWV. Ook een oordeel over (eventuele) schadelijke gevolgen voor klager van handelen of nalaten van beklaagde komt (ook) het CAT niet toe, dat is aan de civiele rechter. Wat derhalve in de stukken ter zake wordt opgemerkt blijft buiten beschouwing, tenzij relevant voor de beoordeling van de klacht tegen beklaagde als arbeidsdeskundige.

3.4 Het door klager in aanvulling op het beroepschrift onder A. geformuleerde bezwaar, dat het AT heeft beloofd dat zijn bezwaren cq. zijn klachten zouden worden afgezet tegen/vertaald naar de normen en de Gedragscode SRA en dat onvoldoende is gebeurd, snijdt geen hout. Klager heeft tegen de opsomming van zijn klachten door het AT zoals weergegeven onder 3.1, in hoger beroep geen bezwaar gemaakt, noch gesteld dat deze klachten (ook) op andere
artikelen uit de Gedragscode SRA betrekking hebben dan op de zorgplicht van de register-arbeidsdeskundige zoals vastgelegd in artikel 1 van de Gedragscode SRA. Klager heeft dit bezwaar tegen de AT-uitspraak onvoldoende geconcretiseerd. De grief faalt.

3.5 In zijn aanvulling op het beroepschrift heeft klager onder B. samengevat het volgende aangevoerd. Klager heeft voorafgaande aan de zitting een uitgebreid relaas met klachten ingediend. De “commissie” – het CAT begrijpt: het AT – heeft op de zitting nauwelijks vragen gesteld en het was onduidelijk wat het AT verwachtte van klager. Als de onderbouwing door klager onvoldoende was, had daarnaar gevraagd moeten worden.
Ook dit bezwaar tegen de uitspraak van het AT treft geen doel. Het is niet aan het AT (of het CAT in hoger beroep) om te zorgen voor een deugdelijke onderbouwing van de verwijten die klager aan het adres van beklaagde heeft gemaakt. Uiteraard kan op zitting om een toelichting of precisering worden gevraagd, maar het is aan klager om voldoende duidelijk zijn klachten te presenteren en te onderbouwen. Een zitting is ook niet bestemd om een “bijzondere interpretatie van de commissie” (door klager genoemd onder C., waarbij klager kennelijk meent dat deze “bijzondere interpretatie” een onjuiste uitleg van zijn klachten inhoudt) onder de aandacht van klager te brengen; klager is in de gelegenheid gesteld zijn klachten schriftelijk naar voren te brengen en ter zitting toe te lichten en het is vervolgens aan het tuchtcollege daarover een oordeel te geven.

Het in aanvulling op het beroepschrift geformuleerde bezwaar onder C. bevat een aantal constateringen over de uitspraak van het AT die kennelijk bedoeld zijn om de onjuistheid van de “bijzondere interpretatie van de commissie” te onderbouwen. Het college deelt die visie van klager niet; dat klager een andere opvatting huldigt over de rol en het werk van beklaagde maakt niet dat het oordeel van het AT onjuist is.

3.6.1 Voor wat betreft de discussie over het door beklaagde geproduceerde conceptrapport overweegt het college als volgt. Voor zover klager stelt dat het geen concept maar definitief rapport was, verwerpt het college de klacht. Hoewel het college de opmerking van het AT deelt dat het naar betrokkenen duidelijker is wanneer op een conceptadvies of conceptrapport uitdrukkelijk staat vermeld dat het om een concept gaat, heeft daarover in dit geval bij klager geen misverstand bestaan. Immers, als vermeld in 2.9 heeft klager op 10 oktober 2018 aan beklaagde het volgende reactie medegedeeld: “Naar aanleiding van het concept rapport arbeidsdeskundige advisering (…).” De klacht mist dus feitelijke grond.
3.6.2 Klager keert zich ertegen dat het AT zich niet heeft uitgesproken over de fouten die in het conceptrapport staan (klachtonderdeel 2 in de uitspraak van het AT). Het college overweegt daarover als volgt. Als de overweging van het AT, dat het niet aan gaat dat terwijl klager eerst bewust af zag van een reactie op het conceptadvies hij eerst op 29 oktober 2018 daarover klaagt, aldus begrepen dient te worden dat klager volgens het AT zijn recht verwerkt heeft, is dat oordeel onjuist. Dit enkele tijdsverloop levert geen rechtsverwerking op. Als de overweging van het AT aldus begrepen dient te worden dat klager geen belang heeft bij zijn klachten over het conceptadvies van beklaagde, nu beklaagde dat concept niet definitief heeft gemaakt en (dus) niet ter kennis van zijn opdrachtgever heeft gebracht, is dat oordeel juist.
Het CAT ziet gelet op het ontbreken van belang geen aanleiding de inhoudelijke bezwaren (“fouten”) van klager ter zake te behandelen. Het tuchtrecht is niet bedoeld om klagers genoegdoening te bieden.
3.6.3 Klager stelt dat hij door beklaagde onder tijdsdruk is gezet en onvoldoende de tijd heeft gehad om te reageren, met name met betrekking tot de lijst met voorgestelde functies en het concept-advies van beklaagde. Het college stelt vast dat er blijkens het vermelde in 2.3. t/m 2.11 in de periode 28 september t/m 10 oktober 2018 door beklaagde met voortvarendheid gewerkt is.

Daarmee is niets mis, maar voorkomen moet worden dat de cliënt zich onnodig onder druk gezet voelt en dat risico zit er in wanneer de arbeidsdeskundige, zoals in dit geval, in het weekeind en, zoals onweersproken gesteld door klager, zelfs op zondag met de cliënt (en werkgever) gaat bellen. Dat zich in dit geval uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die zulks rechtvaardigden is gesteld noch gebleken. Aan het feit dat klager, blijkens het conceptrapport, op zaterdag 29 en zondag 30 september 2018 e-mails aan beklaagde heeft gestuurd valt die rechtvaardiging i.c. niet te ontlenen.
Het voorgaande neemt niet weg dat klager voldoende tijd heeft gehad om te reageren. Beklaagde heeft (2.6) op 1 oktober 2018 de door hem bij de werkgever opgevraagde functiebeschrijvingen, lijst met functies en vacatureoverzicht aan klager gestuurd met de vraag aan klager om aan te geven voor welke functies of vacatures hij belangstelling heeft, zodat beklaagde kan afwegen of deze passend zijn. Daarbij heeft beklaagde aan klager gevraagd of het haalbaar (is) om hier binnen een week op te reageren. Aldus heeft beklaagde klager voldoende ruimte gegeven; de vraag impliceert een zekere marge, ook om zo nodig uitstel te vragen. Beklaagde heeft voorts, zo begrijpt het college de gang van zaken, teneinde het conceptadvies door klager te kunnen inbrengen in het op 9 oktober 2018 geplande overleg van klager met de arbeidsdeskundige van het UWV, daags daaraan voorafgaand zijn conceptadvies gestuurd, met de vraag of de reactie van de dag na het onderhoud met de UWV-arbeidsdeskundige zou kunnen zijn. Daarmee werd enerzijds getracht de voortgang te bewaken maar anderzijds, door de vragende vorm, voldoende flexibiliteit getoond.
Het AT heeft de klacht dus terecht ongegrond verklaard.

3.7 Het college begrijpt de stukken in hoger beroep van klager aldus dat klager in het bijzonder klaagt over de niet-onafhankelijkheid van beklaagde ten opzichte van de werkgever van klager en zijn vooringenomenheid (3.1. sub 1.). Hetgeen klager daarvoor aandraagt kan evenwel die klachten niet dragen.
1. Beklaagde is zelfstandig arbeidsdeskundige, de werkgever van klager een organisatie met meer dan 5.000 werknemers. Maar om tegen de achtergrond van deze verhouding beklaagde als “zo’n dubieuze ZZP‘er” aan te merken mist iedere grond en is onnodig diffamerend.

Aan klager kan worden toegegeven dat het risico bestaat dat een zelfstandig arbeidsdeskundige die, naar tussen partijen vaststaat, met enige regelmaat in opdracht van een grote opdrachtgever werkzaamheden verricht als arbeidsdeskundige, de (schijn van) niet-onafhankelijkheid oproept. Maar beklaagde heeft juist zelf die relatie tegenover klager benoemd en, toen beklaagde bezwaar maakte tegen zijn concept-rapport, zijn opdracht teruggeven.
2. Dat financiële motieven aan de zijde van beklaagde in deze enige rol hebben gespeeld is niet aannemelijk geworden, laat staan dat beklaagde “Wiens brood men eet diens woord men spreekt” daadwerkelijk inhoud heeft gegeven zoals door klager gesuggereerd. Van belangenverstrengeling is evenmin gebleken. Klager meent ten onrechte te kunnen volstaan met ongegronde verdachtmakingen.
3. Beklaagde heeft klager thuis bezocht, klagers “privé-habitat.” Dat is voor een arbeidsdeskundige volstrekt gebruikelijk en gesteld noch gebleken is dat klager daartegen bij gelegenheid van het maken van de bezoekafspraak bezwaar heeft gemaakt.
4. De stelling “(beklaagde) misbruikt de schijnzelfstandigheid om zaken geregeld te krijgen die anders niet mogelijk waren geweest” mist iedere onderbouwing.
5. Als hiervoor in 3.6.3 reeds aan de orde gekomen, heeft beklaagde het conceptadvies op 8 oktober 2018 naar klager gestuurd om het hem mogelijk te maken dat conceptadvies tijdens het op 9 oktober 2018 geplande overleg van klager met de arbeidsdeskundige van het UWV te bespreken. Daarmee is weerlegd dat beklaagde het proces eenzijdig heeft afgestemd op de wensen van de werkgever van klager.
De grief faalt.

3.8 Klager grieft ten slotte over de schending van de geheimhoudingsplicht door beklaagde. Volgens klager had beklaagde zich in zijn informatieverstrekking aan de werkgever van klager niet mogen uitlaten zoals hij heeft gedaan, gezien de overeengekomen geheimhouding.
Het college begrijpt de klacht aldus dat klager niet (langer) meent dat beklaagde zijn geheimhoudingsplicht ten aanzien van medische informatie heeft geschonden, maar dat er een andere en/of verdere geheimhoudingsplicht is overeenkomen tussen hem en de arbeidsdeskundige.

Het oordeel over dit laatste is niet aan het college maar eventueel aan de civiele rechter, maar voor zover klager bedoeld heeft dat beklaagde zijn zorgplicht als arbeidsdeskundige heeft geschonden (vgl. 3.4) volgt het college beklaagde hierin niet. Beklaagde heeft geen inhoudelijke informatie aan de werkgever van klager verstrekt, slechts over de route waarlangs het proces zich heeft afgespeeld heeft beklaagde informatie verstrekt. De in 2.11 vermelde e-mail had neutraler gekund, maar het citaat sec uit de mail van klager aan beklaagde (2.9) is proportioneel en niet klachtwaardig. Niet valt in te zien dat beklaagde niets mocht zeggen over de redenen van klager die hebben moeten leiden tot teruggave van de opdracht door beklaagde aan de werkgever van klager.
3.9 Nu alle grieven falen behoort het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:
- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 27 september 2019 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren P. van Kesteren en P. Hulsen, leden. 
Mr. J.W. van Rijkom