Uitspraak AT van 9 december 2019 (zaaknummer: 19/52 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van: “klager” tegen register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen “beklaagde”, gemachtigde: mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer.

1. Procesverloop
1.1. Op 23 januari 2019 is door klager door middel van het websiteformulier een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
1.2. Bij brief met bijlagen d.d. 26 februari 2019 heeft beklaagde op de klacht gereageerd. De bijlagen betreffen onder andere het definitieve deskundigenbericht met bijlagen, concept-gespreksverslagen met reacties van klager en enkele processtukken.
1.3. Met de brief van 4 juni 2019 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
1.4. Met e-mailberichten van 25 juni 2019 en 8 juli 2019 heeft klager tijdig aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen.
1.5. Bij brief van 19 juli 2019 heeft klager zijn klacht nader uitgewerkt en aangevuld. Bij deze brief zijn 4 bijlagen gevoegd.
1.6. Op 22 oktober 2019 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift ingediend.
1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege, bijgestaan door mevrouw D. van Baar van Slangenburgh voor het maken van aantekeningen van hetgeen ter zitting werd behandeld, vond plaats op 28 november 2019. Ter zitting is, in aanwezigheid van zijn echtgenote, klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen vergezeld van zijn gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten
2.1. Het Tuchtcollege gaat –voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
2.2. Klager is betrokken bij een langlopende letschade-procedure die voortkomt uit een ongeval op 7 juli 2001 waarvan klager slachtoffer is.
2.3. In het kader van deze procedure heeft de Rechtbank Midden-Nederland met de uitspraak van 2 april 2015, gecorrigeerd op 13 mei 2015, verzekeringsarts A en arbeidsdeskundige mevrouw B. tot deskundigen benoemd teneinde vragen te beantwoorden over, kort gezegd, de medische beperkingen, de belastbaarheid en de inzetbaarheid van klager.
2.4. In dat verband heeft mevrouw B op 22 september 2016 en 16 november 2016 gesproken met klager. Concept-verslagen van deze gesprekken zijn aan klager voorgelegd. Klager heeft op beide concepten gereageerd met opmerkingen, correcties en aanvullingen welke door mevrouw B. in de verslagen zijn verwerkt.
2.5. Vanwege persoonlijke omstandigheden heeft mevrouw B. haar werkzaamheden als deskundige moeten beëindigen, waarna beklaagde aan partijen en de rechtbank heeft aangeboden het onderzoek van mevrouw B. over te nemen. Na akkoord van partijen, heeft de rechtbank beklaagde op 15 februari 2017 benoemd tot deskundige.
2.6. Op 4 oktober 2017 had beklaagde een gesprek met klager. Op 5 oktober 2017 is door beklaagde een concept-verslag van dit gesprek aan klager ter aanvulling en/of correctie toegezonden. Op 17 oktober 2017 heeft klager gereageerd en nadere informatie aan beklaagde toegezonden.
2.7. Het concept-deskundigenrapport is door beklaagde op 22 december 2017 aan de advocaten van partijen (waaronder klager) toegezonden met het verzoek om voor 19 januari 2018 op het concept te reageren. Na een door beklaagde aan de advocaat van klager verleend uitstel, is door klager op 29 maart 2018 met een uitvoerige reactie op het concept-rapport gereageerd.
2.8. Op 13 april 2018 is door beklaagde het definitieve deskundigenrapport aan de rechtbank toegezonden. In paragraaf 9 (hoor en wederhoor) van het rapport is door beklaagde ingegaan op het commentaar van partijen (inclusief klager) op het concept-rapport. Het commentaar van partijen is door beklaagde ook aan het definitieve rapport toegevoegd.
2.9. Beklaagde is op 30 november 2018 door klager verzocht om aan te geven bij welke organisatie hij een klacht tegen mevrouw B. en beklaagde kan indienen. Op 3 december 2018 heeft beklaagde aan klager laten weten, dat mevrouw B. inmiddels met pensioen is, en klager zijn klacht kan indienen bij het secretariaat van de SRA.

3. De klachten

3.1. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, dat zijn deskundigenrapport onzorgvuldig is doordat:
- het rapport diverse foutieve en niet geverifieerde weergaven en aannames bevat (m.n. over de functie en het functioneren van klager) waardoor zijn waardigheid is aangetast;
- er door beklaagde onvoldoende is gedaan met het uitvoerige commentaar van klager op het concept-rapport van beklaagde (onvoldoende hoor-wederhoor);
- er door beklaagde niets is gedaan met het commentaar van klager op de rapportage van de verzekeringsarts die ten grondslag ligt aan het rapport van beklaagde;
- niet alle door de rechtbank gestelde vragen door beklaagde zijn beantwoord;
- het rapport volgens klager een sterk subjectieve en negatieve ondertoon bevat.
3.2. Verder klaagt klager er over dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het rapport aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.

4. Het verweer
4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege
5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
5.4. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klager: het Tuchtcollege geeft in deze zaak geen oordeel over de behandeling van de klacht door de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA en hetgeen daarbij aan de orde is geweest.
Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de inhoud van het werk van beklaagde en zijn inhoudelijke afweging. Klager heeft ter zake daarvan geen correctierecht. Ook de door klager gestelde gevolgen van/schade door de handelwijze van beklaagde laat het Tuchtcollege buiten beschouwing. Ten slotte heeft het Tuchtcollege niet de bevoegdheid om de handelwijze van beklaagde te toetsen aan de Leidraad deskundigen in civiele zaken of de rapportage van beklaagde te wijzigen of te vernietigen.
5.5. In dit geval toetst het Tuchtcollege de handelwijze van beklaagde met name aan de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1 van de Gedragscode SRA en de eisen waaraan rapportages van register-arbeidsdeskundigen volgens artikel 3 van de Gedragscode SRA moeten voldoen.
5.6. De gemachtigde van beklaagde heeft in het verweerschrift verwezen naar een memo van beklaagde van 28 mei 2019 dat naar aanleiding van het gesprek met de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA is opgesteld en aan klager en de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA is toegezonden. Dit memo is niet aan het Tuchtcollege overgelegd en behoort niet tot het procesdossier. Beklaagde is ter zitting in de gelegenheid gesteld dit memo alsnog in het geding te brengen, maar heeft, na een schorsing van de zitting en beraad, aangegeven daarvan af te zien en te volstaan met een mondelinge weergave van aanvullende informatie uit het memo. Het Tuchtcollege laat het memo van 28 mei 2019 voor het verdere buiten beschouwing.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege
6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de inhoud van de klacht als volgt.
6.2. In artikel 3 van de Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportages van een register-arbeidsdeskundige dienen te voldoen:
“Indien en voor zover de arbeidsdeskundige ter uitvoering van zijn werkzaamheden een rapport uitbrengt, dn dient dat te voldoen aan de navolgende vereisten:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De arbeidsdeskundige blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.”

6.3. Naar het oordeel van het Tuchtcollege voldoet het definitieve deskundigenbericht dat door beklaagde op 13 april 2018 aan de rechtbank is verzonden volledig aan deze eisen.
6.4. Ter zake van de klacht dat de rapportage diverse foutieve en niet geverifieerde weergaven en aannames (m.n. over de functie en het functioneren van klager) zou bevatten, stelt het Tuchtcollege vast dat beklaagde in zijn rapport informatie uit diverse bronnen (de gesprekken met mevrouw B., informatie van de werkgever en eerdere rapportages) objectief en onafhankelijk weergeeft en op basis daarvan tot de conclusie komt dat het beeld niet eenduidig is. Dat klager daar een andere mening over heeft, is zijn goed recht, maar maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet dat kan worden gezegd dat beklaagde niet overeenkomstig de Gedragscode SRA heeft gehandeld. Anders dan klager stelt, heeft beklaagde informatie niet klakkeloos overgenomen, maar deze verzameld, weergegeven en gewogen. Daarbij dient naar de mening van het Tuchtcollege ook rekening te worden gehouden met de lange periode die na het ongeval in 2001 reeds was verstreken ten tijde van het onderzoek door beklaagde en de informatie die op dat moment beschikbaar was.
De klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege op dit punt dan ook ongegrond.
6.5. Anders dan klager stelt, is het Tuchtcollege van mening dat beklaagde het principe van hoor-wederhoor op een goede wijze heeft toegepast en op een zorgvuldige wijze aandacht heeft gegeven aan het uitvoerige commentaar van beklaagde op het concept-rapport. Het Tuchtcollege wijst in dat verband op het volgende. Na overdracht van het dossier aan beklaagde heeft nog een gesprek met klager plaatsgevonden (op wiens initiatief dit gesprek heeft plaatsgevonden, acht het Tuchtcollege niet relevant). Van dit gesprek is ter correctie een concept-verslag aan klager toegezonden waarop klager heeft gereageerd. Beklaagde heeft zijn deskundigenbericht in concept aan partijen (waar- onder klager) voorgelegd. Klager heeft op dit concept gereageerd. Aan de reactie van klager, die bij het definitieve rapport is gevoegd, is in het definitieve deskundigenbericht ruimschoots aandacht besteed. Het Tuchtcollege is van oordeel dat er voor beklaagde in redelijkheid geen aanleiding was om, naar aanleiding van het commentaar op het concept, nogmaals in gesprek te gaan met klager. Bovendien kan niet van beklaagde worden verlangd dat hij alle commentaar van klager overneemt.
Van een register-arbeidsdeskundige wordt verlangd dat hij objectief en onafhankelijk selecteert wat relevant is en bij de beoordeling inhoudelijk moet worden meegenomen. Dat heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege op een zorgvuldige wijze gedaan.
Ook op dit punt komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.
6.6. Van beklaagde wordt, krachtens het hiervoor genoemde artikel 3 aanhef en lid 5 Gedragscode SRA, verlangd dat hij blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Beklaagde kon en mocht dan ook niet treden in de vraag of de rapportage van verzekeringsarts en het commentaar van klager daarop juist is. De arbeidsdeskundige treedt niet in de medische beoordeling. Beklaagde diende, zoals ook de uitdrukkelijke opdracht van de rechtbank was, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt te nemen. Zijn commentaar op de rapportage van de verzekeringsarts diende klager in de procedure bij de rechtbank aan de orde te stellen. Beklaagde kon en mocht daar naar het oordeel van het Tuchtcollege niet op ingaan.
De klacht is volgens het Tuchtcollege ook op dit punt ongegrond.
6.7. Op basis van het definitieve deskundigenrapport stelt het Tuchtcollege vast, dat alle door de rechtbank gestelde vragen door beklaagde zijn beantwoord. De vraag of de beantwoording door beklaagde genoegzaam, inhoudelijk juist en naar tevredenheid van partijen is, is niet aan het Tuchtcollege om te beantwoorden, maar is onderwerp van de procedure bij de rechtbank.
Ook op dit punt acht het Tuchtcollege de klacht derhalve ongegrond.
6.8. De klacht dat het definitieve rapport een sterk subjectieve en negatieve ondertoon bevat en de waardigheid van klager daardoor is aangetast, acht het Tuchtcollege onvoldoende onderbouwd. Weliswaar bevat het rapport twee passages die door klager als negatief kunnen zijn ervaren en waarvoor door beklaagde ook excuses zijn aangeboden, maar dit is naar het oordeel van het Tuchtcollege, mede bezien in het geheel van de omvangrijke en deugdelijk onderbouwde rapportage, onvoldoende om te kunnen oordelen dat beklaagde het dossier onvoldoende objectief en onafhankelijk heeft behandeld en zich onzorgvuldig over klager heeft uitgelaten. Sterker nog, naar het oordeel van het Tuchtcollege siert het beklaagde juist dat hij zich, ook ter zitting, met veel geduld en respect jegens klager heeft opgesteld.
Het Tuchtcollege komt ook op dit punt dus niet tot een gegrondverklaring van de klacht.
6.9. Ten slotte wordt er over geklaagd, dat geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en klager, ten tijde van verzending van het rapport aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
Ook op dit punt is de klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Klager heeft niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt en onderbouwd, waar het bij de interne overdracht van het dossier aan beklaagde aan heeft geschort en welke stukken daarbij niet zijn overgedragen. Bovendien heeft klager in verband met het gesprek met beklaagde alle gelegenheid gekregen om eventueel nog ontbrekende stukken aan beklaagde toe te zenden. Het definitieve rapport is door beklaagde volgens de daarvoor aangeven procedure aan de rechtbank toegezonden.
Dit is volgens het Tuchtcollege voldoende, ervan uitgaande dat de rechtbank het rapport vervolgens weer heeft doorgezonden aan de advocaten van partijen (waaronder beklaagde) teneinde zich daarover en over het vervolg van de procedure bij de rechtbank uit te laten. Dat klager het rapport blijkbaar niet van zijn advocaat heeft ontvangen, kan niet aan beklaagde worden verweten.

7. Slotsom
7.1. Nu alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht ongegrond.
Aldus gegeven op 9 december 2019 door:
mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
J.L.S. Lussing-van der Pol, lid