Uitspraak AT van 30 augustus 2021 (zaaknummer: 20/ 64 AT)

(download als pdf)

Trefwoorden

Nadere vragen beantwoord. Buiten aanvankelijke opdracht getreden. Gegronde klacht zonder maatregel.

Artikelen Gedragscode SRA

Art. 1

Samenvatting

Afwikkeling letselschade. Partijen hadden gezamenlijk aan verweerder opdracht gegeven tot beantwoording van vragen. Klaagster dient diverse klachten in over de rapportage. Geen daarvan treft doel, met uitzondering van het feit, dat verweerder zonder nadere afweging, zonder toestemming van klaagster en zonder hoor- en wederhoor van klaagster, in zijn eindrapport op aanvullende vragen van verzekeraar is ingegaan en deze in een bijlage bij het definitieve rapport heeft beantwoord. Daarmee trad hij volgens het Tuchtcollege buiten de oorspronkelijke opdracht. Dat rekent het Tuchtcollege hem aan en verklaart de klacht te dien aanzien gegrond zonder verweerder daarbij een maatregel op te leggen. 

Uitspraak AT van 30 augustus 2021 (zaaknummer: 20/64 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

 
“klaagster”,
gemachtigde: mr. R.J. Ruiter, advocaat in Maastricht

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “verweerder”,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat in Utrecht

1. Procesverloop

1.1. Door middel van het websiteformulier is door de gemachtigde van klaagster namens klaagster op 2 april 2020 een klaagschrift over de handelwijze van verweerder ingediend bij het secretariaat SRA. Bij het klaagschrift zijn 4 bijlagen gevoegd.

1.2. Op 16 juni 2020 is door de gemachtigde van verweerder namens verweerder een verweerschrift ingediend. Bij dit verweerschrift horen 3 bijlagen.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 21 september 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet tot een oplossing heeft geleid en daarmee niet vruchtbaar is gebleken. Verder heeft de ombudsman met deze brief laten weten, dat aan klaagster is meegedeeld dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Bij brief d.d. 6 oktober 2020 heeft de gemachtigde van klaagster aan het secretariaat SRA tijdig laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd.

1.5. Op 29 oktober 2020 heeft de gemachtigde van klaagster de klacht nog schriftelijk toegelicht.

1.6. Met de brief d.d. 16 november 2020 is door de gemachtigde van verweerder op deze schriftelijke toelichting gereageerd. 

1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 13 juli 2021. Klaagster en verweerder zijn ter zitting verschenen, vergezeld van hun gemachtigden. Door de gemachtigde van klaagster zijn ter zitting pleitaantekeningen overgelegd. Klaagster en verweerder hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klaagster en verweerder meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan. 

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op genoemde stukken, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Klaagster heeft op 9 mei 2009 een ongeval op het werk gehad met letsel als gevolg. 

2.3. In verband met een geschil over de regeling van de schade is op 13 oktober 2017 door klaagster en de verzekeraar van de werkgever gezamenlijk opdracht aan het bureau van verweerder verstrekt om een arbeidsdeskundig oordeel te geven over de hypothetische arbeidssituatie van klaagster zonder ongeval en daarover enkele vragen te beantwoorden. Bij brief d.d. 18 oktober 2017 is de opdracht door het bureau van verweerder bevestigd en is aangegeven dat verweerder de opdracht zal uitvoeren en de zaak zal behandelen.

2.4. Op 5 september 2018 heeft verweerder zijn conceptrapport aan klaagster en de verzekeraar van de werkgever toegezonden. 

2.5. Door zowel klaagster en de verzekeraar van de werkgever is op 8 oktober 2018 schriftelijk op het conceptrapport gereageerd. Daarbij zijn door de verzekeraar van de werkgever, zonder toestemming van klaagster, aanvullende vragen aan verweerder gesteld over, kort samengevat, de mogelijkheden voor klaagster om, al dan niet met aanpassingen, haar oorspronkelijke werkzaamheden voort te zetten uitgaande van de beperkingen zoals vastgesteld door de medisch deskundige en of er reden is voor een beperking voor de belastbaarheid in uren.

2.6. Op 11 december 2018 heeft verweerder zijn eindrapport opgeleverd. In een bijlage bij dit rapport heeft verweerder gereageerd op de reacties van de betrokken partijen op het concept, is door hem aangegeven of en, zo ja, op welke wijze de reacties zijn verwerkt en is door verweerder ingegaan op de aanvullende vragen van de verzekeraar van de werkgever. 

2.7. Op 25 maart 2020 heeft klaagster haar klacht schriftelijk ter kennis gebracht bij verweerder.

3. De klacht

3.1. De klacht houdt, kort samengevat in, dat:

a. zowel de concept- als eindrapportage van verweerder in strijd zijn met artikel 3 Gedragscode SRA doordat deze op een aantal onderdelen (doorgroeimogelijkheden, het te bereiken salarisniveau, de hypothetische inkomenssituatie het ongeval weggedacht) niet inzichtelijk en niet consistent zijn en de conclusies van de rapporten onvoldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in de rapporten zijn vermeld;

b. verweerder bij de totstandkoming van de rapportages heeft gehandeld in strijd met artikel 2 en 3 lid d Gedragscode SRA door zich zonder betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische gegevens) over de psychische gesteldheid en de beperkingen van klaagster uit te laten. Verweerder heeft zich daarbij volgens klaagster niet beperkt tot zijn deskundigheidsgebied als register-arbeidsdeskundige;

c. verweerder bij de opstelling van zijn rapportages heeft gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA door (verouderde) medische informatie niet met klaagster te bespreken en deze wel te gebruiken;

d. verweerder in strijd met artikel 1 Gedragscode SRA de schijn van partijdigheid heeft gewekt door af te gaan op vage niet geverifieerde uitlatingen van de werkgever, door zonder toestemming en zonder toepassing van hoor- en wederhoor een antwoord te geven op de aanvullende onderzoeksvragen van de verzekeraar van de werkgever en daarbij uit te gaan van verouderde niet met klaagster besproken (medische) gegevens en door op eenzijdig verzoek van de verzekeraar een passage in het conceptrapport (paragraaf 2.6) aan te passen.

3.2. Daarmee zou verweerder hebben gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA (in acht nemen van de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige), artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (de arbeidsdeskundige ziet er bij de afweging van belasting en belastbaarheid op toe dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens) en met de eisen die in artikel 3 Gedragscode SRA aan de rapportages van register-arbeidsdeskundigen worden gesteld. 

4. Het verweer

4.1. Verweerder voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan. 

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. 

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.  

5.3. Het Tuchtcollege oordeelt op basis van de klacht uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Bij de beoordeling van het handelen van de arbeidsdeskundige gaat niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat verweerder met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. Het Tuchtcollege oordeelt niet over de inhoud van het werk en de inhoudelijke conclusies van verweerder. Ook de eventuele gevolgen van de handelwijze van verweerder voor de schade-afhandeling laat het Tuchtcollege buiten beschouwing. Uitsluitend de handelwijze van verweerder wordt beoordeeld.

5.4. In dit geval beoordeelt het Tuchtcollege dus of de handelwijze van verweerder bij de totstandkoming van het conceptrapport van 5 september 2018 en het eindrapport van 11 december 2018 voldoet aan de normen zoals vastgelegd in artikel 1, 2 lid 2 en 3 Gedragscode SRA.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en verweerster over en weer hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Klachtonderdeel a

6.2. Onderdeel a van de klacht luidt, dat de concept- en eindrapportage van verweerder in strijd zijn met artikel 3 Gedragscode SRA doordat deze rapportages op een aantal onderdelen niet inzichtelijk en niet consistent zijn en de conclusies van de rapporten onvoldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in de rapporten zijn vermeld.

6.3. Dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Zowel de concept- als definitieve rapportage van verweerder voldoen volgens het Tuchtcollege aan de eisen die daaraan in artikel 3 Gedragscode worden gesteld. Beide rapporten zijn, anders dan klaagster stelt, inzichtelijk en consistent. Bovendien worden de conclusies van verweerder genoegzaam gedragen door de feiten en omstandigheden, die in de rapporten zijn vermeld. Verweerder heeft gedaan wat van hem als register-arbeidsdeskundige verwacht werd en een deugdelijk onderbouwd antwoord gegeven op de, mede gezien het tijdsverloop in het dossier overigens lastig te beantwoorden, vraag naar de theoretische arbeidssituatie van klaagster. Dat klaagster het met de inhoudelijke uitkomst van de beoordeling van verweerder niet eens is, doet daar niet aan af.

Klachtonderdeel b

6.4. In onderdeel b van de klacht wordt erover geklaagd, dat bij de totstandkoming van de rapportages is gehandeld in strijd met artikel 2 en 3 lid d Gedragscode SRA doordat verweerder zich zonder betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens over de psychische gesteldheid en beperkingen van klaagster heeft uitgelaten en verweerder zich daarbij niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als register-arbeidsdeskundige.

6.5. Ook dit onderdeel van de klacht is volgens het Tuchtcollege ongegrond. Het Tuchtcollege heeft niet vast kunnen stellen, dat verweerder in zijn rapportages een eigen oordeel geeft over de (medische) beperkingen van klaagster en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als register-arbeidsdeskundige. Verweerder heeft zich gebaseerd op de bij hem bekende (medische) gegevens van de orthopeed en het UWV. Deze gegevens waren ten tijde van de totstandkoming van de rapportages weliswaar van geruime tijd terug, maar volgens het Tuchtcollege kan niet gezegd worden dat verweerder niet van deze gegevens kon en mocht uitgaan. Noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat er voor verweerder, objectief bezien, aanleiding was zich van de betrouwbaarheid en actualiteit van de gegevens van de orthopeed en het UWV te vergewissen.

6.6. Klaagster wijst op het feit dat verweerder in zijn reactie op het commentaar van de gemachtigde van klaagster op zijn conceptrapporteindrapportage aangeeft dat klaagster tijdens het gesprek dat hij met klaagster had, op hem een kwetsbare indruk maakte. Verweerder geeft naar het oordeel van het Tuchtcollege slechts aan dat sprake is van een indruk die op hem is gemaakt. Bovendien is de weergave van deze indruk ingebed in een geheel van overwegingen op basis waarvan een bepaald toekomstig functieniveau naar het oordeel van verweerder voor klaagster niet haalbaar was. Anders dan klaagster stelt, is verweerder met deze uitlaten, naar het oordeel van het Tuchtcollege, niet buiten zijn deskundigheid getreden.

Klachtonderdeel c

6.7. Onderdeel c van de klacht betreft de klacht dat verweerder bij de opstelling van zijn rapportages heeft gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA door (verouderde) medische informatie niet met klaagster te bespreken en deze wel te gebruiken

6.8. Zoals hiervoor al overwogen, is het Tuchtcollege van oordeel, dat verweerder bij de opstelling van zijn rapportages uit mocht gaan van de bij klaagster en hem bekende (medische) gegeven van de orthopeed en het UWV. Noch uit de stukken noch uit hetgeen op de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat klaagster op enigerlei aan verweerder heeft aangegeven dat deze gegevens verouderd en niet meer bruikbaar zouden zijn doordat haar medische situatie veranderd zou zijn. Het is het Tuchtcollege niet gebleken dat sprake was van verouderde informatie die verweerder niet meer had mogen gebruiken. Evenmin is er volgens het Tuchtcollege feitelijke grond voor de klacht dat medische informatie niet met klaagster is besproken. Ook dit klachtonderdeel dient derhalve ongegrond te worden verklaard. 

Klachtonderdeel d

6.9. Klachtonderdeel d luidt dat verweerder in strijd met artikel 1 Gedragscode SRA de schijn van partijdigheid heeft gewekt door af te gaan op vage niet geverifieerde uitlatingen van de werkgever, door zonder toestemming en zonder toepassing van hoor- en wederhoor een antwoord te geven op de aanvullende onderzoeksvragen van de verzekeraar van de werkgever en daarbij uit te gaan van verouderde niet met klaagster besproken (medische) gegevens en door op eenzijdig verzoek van de verzekeraar een passage in het conceptrapport (paragraaf 2.6) aan te passen.

6.10. Naar het oordeel is door klaagster niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich partijdig heeft opgesteld dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Naar het oordeel van het Tuchtcollege is een zo onafhankelijk en objectief mogelijk antwoord gegeven op de lastig te beantwoorden vraag naar de hypothetische arbeidssituatie van klaagster. Daarbij heeft verweerder als register-arbeidsdeskundige een zekere vrijheid bij de keuze van de feiten en omstandigheden waarmee hij dat oordeel onderbouwt. De rapportages van verweerder maken inzichtelijk en verantwoorden naar de mening van het Tuchtcollege objectief op basis waarvan verweerder tot zijn oordeel is gekomen. Dat klaagster het met die onderbouwing en dat oordeel niet eens is, doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor het feit dat de passage over de opleiding van klaagster is aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de verzekeraar van de werkgever. 

Dat maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet, dat gezegd kan worden dat verweerder zijn werk niet onpartijdig heeft gedaan. Dat geldt ook voor hetgeen klaagster stelt over de (verouderde) medische gegevens. Zoals eerder overwogen is het Tuchtcollege van mening dat verweerder van deze gegevens mocht uitgaan.

Ter zake van deze onderdelen is de klacht volgens het Tuchtcollege ongegrond.

6.11. Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder nadere afweging, zonder toestemming van klaagster en zonder hoor- en wederhoor van klaagster, in zijn eindrapport op de aanvullende c.q. extra (onderzoeks)vragen van verzekeraar is ingegaan en deze in een bijlage bij het definitieve rapport van een antwoord heeft voorzien. Daarmee trad verweerder buiten de opdracht die hem door de betrokken partijen was verstrekt. Gezien de gezamenlijke opdracht, het bij verweerder bekende belang van klaagster bij zijn onderzoek en de op verweerder rustende toenaderingsverantwoordelijkheid, heeft verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege ten onrechte nagelaten zich ervan te vergewissen of hij van beide partijen toestemming had om op de aanvullende c.q. extra vragen in te gaan en, zo ja, klaagster in de gelegenheid had moeten stellen om daarop te reageren. Dat klaagster op de hoogte was van de aanvullende vragen en daar geen actie op heeft ondernomen, doet aan de verantwoordelijkheid van verweerder en aan dit oordeel niet af. Op dit punt is de klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege gegrond. 

6.12. Een en andermaal heeft het Tuchtcollege aangegeven dat een arbeidsdeskundige erop bedacht dient te zijn dat de belangen van partijen waarmee een arbeidsdeskundige beroepshalve wordt geconfronteerd, groot zijn. Zij vormen veelvuldig aanleiding tot ernstige geschillen in en buiten rechte. Een zorgvuldig uitgevoerd arbeidsdeskundig onderzoek kan dat op zich niet voorkomen. Wel mag verwacht worden dat de rapportage en het optreden van de arbeidsdeskundige zodanig zijn dat deze op zich geen bron van conflicten worden. Een rapportage gaat, zoals ook in dit geval, jarenlang een eigen leven leiden. Verweerder had zich daarvan bewust moeten zijn, mede gezien het feit dat zijn antwoorden op de aanvullende c.q. extra vragen van de verzekeraar een heel ander licht op de zaak kunnen werpen, een potentiële bron van geschillen zijn en daarmee het gezag van zijn definitieve rapportage ondergraven.

7. Slotsom

7.1. Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond is. Voor het overige is de klacht ongegrond.

8. Maatregel

8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht moeten leiden.

8.2. Het Tuchtcollege heeft geconstateerd dat verweerder bij de behandeling van de klacht heeft getoond dat hij aanspreekbaar is op en inzicht toont in hetgeen van hem als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht en zich goed bewust is van de eisen die in dat verband aan zijn werkwijze worden gesteld. Verder stelt het Tuchtcollege vast, dat verweerder zelf ook hoge eisen stelt aan de samenstelling en totstandkoming van zijn rapportages. Verweerder heeft daar in dit geval ook voor het grootste deel naar gehandeld. Bij de definitieve vaststelling van zijn rapport had verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege echter zorgvuldiger moeten handelen. Daar is verweerder terecht op aangesproken. Alles bij elkaar genomen acht het Tuchtcollege dit echter niet dermate ernstig dat dit tot een maatregel tegen verweerder zou moeten leiden. Daarbij komt dat over verweerder geen andere en/of eerdere klachten bij de SRA bekend zijn. 

Ten slotte laat het Tuchtcollege meewegen, dat het primaire doel van het tuchtrecht voor register-arbeidsdeskundigen niet primair een bestraffende is, maar een verbeterende, gericht op het waarborgen van de kwaliteit van de dienstverlening door arbeidsdeskundigen.

8.3. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met een gegrondverklaring van de klacht zonder de oplegging van een maatregel. 

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht deels, en uitsluitend voor zover hiervoor aangegeven, gegrond zonder oplegging van een maatregel.

Aldus gegeven op 30 augustus 2021 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

F.M.L.J. Hoebink, lid

drs. J.L.S. Lussing-van der Pol, lid