Jurisprudentie

Kies jaartal
Kies een uitspraak

Uitspraak AT van 9 december 2025 (AT 25/82) (hoger beroep ingesteld)

Uitspraak AT van 9 december 2025 (25/82 AT)

Trefwoorden

Ziekteverzuim. Beeldbellen. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Berisping.

Artikelen Gedragscode SRA 2023

1, 2, 4, 5, 6 en 8

Samenvatting

Ziekteverzuim. Klaagster verwijt verweerder terecht dat alleen online gesprekken (beeldbellen) met verweerder konden worden gevoerd. Persoonlijk fysiek contact was onmogelijk. Dit is in strijd met Gedragsregel 5 (informatieplicht) Gedragscode SRA 2023 en de toelichting daarop. Het ging om het eerste contact met klaagster die de Nederlandse taal minder beheerst en met een kwetsbare positie. Verweerder had daarom niet voor beeldbellen mogen kiezen. Dat geldt zeker ook voor het daarop- volgende gesprek na een klacht tegen verweerder. Verweerder heeft zich ten onrechte beperkt tot de ‘standaardbehandeling’ die volgens hem bij werkgever gebruikelijk is. Strijd met Gedragsregel 6 Gedragscode SRA 2023 (eisen aan rapportages) op grond waarvan een arbeidsdeskundige zorgvuldig verifieert of de feiten en omstandigheden waarvan uit wordt gegaan juist zijn. Het AT heeft er bij herhaling op gewezen dat een arbeidsdeskundige die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden bij de eigen werkgever extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Zeker ook in dit geval. Verweerder heeft de opmerkingen van klaagster over de FML en de functie volgens het AT niet zorgvuldig geverifieerd. Ook Gedragsregel 8 Gedragscode SRA 2023 is geschonden door in het contact met klaagster na bemiddeling door de Ombudsman SRA richting klaagster termen te gebruiken als: “hou je mond” en “zo hoor je je in Nederland niet te gedragen” of woorden met een dergelijke strekking. Berisping.

Uitspraak AT van 9 december 2025 (zaaknummer: 25/82 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

klaagster,

(bijgestaan door haar echtgenoot)

tegen

verweerder, Register-Arbeidsdeskundige.

1. Procesverloop

1.1. Op 31 maart 2025 is door klaagster een klacht over de handelwijze van verweerder ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht is door klaagster een aantal bijlagen gevoegd.

1.2. Met een verweerschrift, ingediend op 21 mei 2025, is door verweerder op de klacht gereageerd.

1.3. Op 23 juli 2025 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht tot afspraken tussen klaagster en verweerder heeft geleid, de behandeling van de klacht daarmee als vruchtbaar mag worden beschouwd en de klachtbehandeling is afgerond. Met de brief van 31 juli 2025 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten welke afspraken tussen klaagster en verweerder zijn gemaakt.

1.4. Bij brief d.d. 11 augustus 2025 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman aan het secretariaat SRA laten weten, dat de gemaakte afspraken er niet toe hebben geleid dat klaagster de klacht wil intrekken, dat de behandeling van de klacht daarmee toch niet als vruchtbaar moet worden beschouwd en klaagster de mogelijkheid heeft om binnen een termijn van 6 weken de klacht aan het Tuchtcollege voor te leggen.

1.5. Klaagster heeft aan het secretariaat SRA per mail van 27 augustus 2025 tijdig laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd.

1.6. Op 11 september 2025 heeft klaagster de klacht schriftelijk toegelicht.

1.7. Verweerder heeft op 21 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op deze toelichting.

1.8. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 13 november 2025. Klaagster, bijgestaan door haar echtgenoot en verweerder zijn ter zitting verschenen. Klaagster en verweerder hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.9. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klaagster en verweerder meegedeeld dat het Tuchtcollege zich voldoende geïnformeerd acht om uitspraak te doen, het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op genoemde stukken, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. In opdracht van werkgever en in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter heeft verweerder, die in loondienst is bij een arbodienst, arbeidsdeskundig onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor klaagster binnen en buiten de organisatie van werkgever.

2.3. Op 22 oktober 2024 wordt door de Arboarts, na een gesprek met klaagster, een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Volgens klaagster bevatte dit document veel onnauwkeurigheden en fouten. Klaagster heeft de casemanager bij de arbodienst daar schriftelijk op gewezen, maar daar geen reactie op ontvangen.

2.4. Op 29 oktober 2024 is via de casemanager een afspraak gemaakt voor een bespreking via MS Teams met verweerder op 13 november 2024. Er was geen mogelijkheid voor een fysiek gesprek. Verzoeken van klaagster om het gesprek met verweerder uit te stellen omdat de FML eerst nog moest worden aangepast, werden geweigerd.

2.5. Op 13 november 2024 vindt het digitale gesprek tussen klaagster en verweerder plaats. Klaagster heeft verweerder in dat gesprek onder andere gewezen op de volgens haar onnauwkeurigheden en fouten in de FML. Ook heeft klaagster gewezen op onjuistheden met betrekking tot haar functie.

2.6. Naar aanleiding van de opmerkingen van klaagster heeft verweerder contact opgenomen met de Arboarts. De Arboarts gaf volgens verweerder aan een en ander bij het volgende spreekuurcontact met klaagster te zullen bespreken. Over de functie heeft verweerder contact gehad met de werkgever van klaagster. Er bleek sprake van discrepantie tussen de informatie van werkgever en klaagster. Er was geen functiebeschrijving aanwezig. Klaagster heeft van deze acties van verweerder geen bericht of terugkoppeling ontvangen.

2.7. Op 28 november 2024 ontvangt klaagster via de casemanager het concept arbeidsdeskundig rapport van verweerder van 20 november 2024 met de mogelijkheid om daar binnen 7 dagen na afgifte van het rapport op te reageren.

2.8. Klaagster stuurt op 4 december 2024 een groot aantal correcties op en opmerkingen bij het rapport naar de casemanager. Op 9 december 2024 ontvangt klaagster van de casemanager het bericht dat al haar opmerkingen zijn doorgestuurd naar verweerder. Klaagster ontvangt geen reactie naar aanleiding van haar opmerkingen en correcties.

2.9. Op 3 maart 2025 dient klaagster een klacht in tegen verweerder in bij de arbodienst waar verweerder werkzaam is.

2.10. Op 10 maart 2025 vindt een online bespreking met verweerder plaats over de eerste versie van zijn rapport.

2.11. Op 18 maart 2025 ontvangt klaagster (voor het eerst rechtstreeks) van verweerder een herziening van het eerdere arbeidsdeskundig rapport en een addendum bij deze herziene versie.

2.12. Op 21 maart 2025 zendt klaagster aan verweerder (een herhaling van eerdere) correcties op het herziene rapport en het addendum bij dit rapport. Op 24 maart 2025 voegt klaagster deze reactie bij de klacht die zij eerder indiende bij de arbodienst van verweerder.

2.13. Nadat klaagster verweerder op 26 maart 2025 laat weten dat zij tegen hem een klacht gaat indienen bij de SRA, dient zij op 31 maart 2025 haar klacht in bij de SRA.

2.14. Op 2 april 2025 ontvangt klaagster een gecorrigeerde (derde) versies van het rapport en het addendum. Ook met deze versies is klaagster het niet eens.

2.15. Naar aanleiding van de klacht vinden op 23 juli 2025 gesprekken met de Arbeidsdeskundig Ombudsman plaats. Klaagster en verweerder maken de volgende afspraken:

1. Met ingang van 28 juli 2025 verbindt verweerder zich ertoe een addendum voor klaagster op te stellen, met daarin opgenomen alle juiste feiten, zoals verstrekt in de relevante juridische en persoonlijke documenten.

2. Verweerder plant een online vervolggesprek met klaagster in om samen het nieuwe document pagina voor pagina te controleren op overeenstemming met de verstrekte documenten en om eventuele onjuistheden indien nodig te corrigeren.

3. Het nieuwe document zal worden aangepast en gevuld met gegevens die geldig waren tot de datum van 1 april 2025.

4. Dit nieuw gecorrigeerde document vormt de basis voor wijzigingen en afspraken die zullen plaatsvinden na 1 april 2025.

2.16. Op basis van de bij de ombudsman gemaakte afspraken ontvangt klaagster van verweerder nieuwe versies van het rapport en het addendum. Volgens klaagster zijn alle aanpassingen tot aan 1 april 2025 daarin niet opgenomen. In het online gesprek over het rapport en addendum, dat anderhalf tot twee uur duurde, komen klaagster en verweerder niet tot elkaar. Verweerder reageert meerdere keren geïrriteerd richting klaagster met opmerkingen als: ”houd je mond!” en dat “wij ons zo niet in Nederland gedragen”. Verder geeft verweerder aan dat er na het gesprek geen correctieronde meer volgt. Klaagster en verweerder bereiken tijdens het gesprek geen overeenstemming over een definitieve versie van het rapport en het addendum. Er volgt geen nieuw rapport en addendum meer.

3. De klacht

3.1. De klacht over de handelwijze van verweerder bij het door hem in oktober en november 2024 ten aanzien van klaagster uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek en de opstelling van zijn arbeidsdeskundige rapporten van 2024 en 2025 houdt, kort samengevat, in, dat:

a. er bij het arbeidsdeskundig onderzoek aanvankelijk geen rechtstreeks contact met verweerder mogelijk was, maar dit contact uitsluitend via de casemanager verliep;

b. er alleen maar online (beeldbellen) gesprekken met verweerder konden worden gevoerd en er geen persoonlijk, fysiek contact met verweerder was;

c. er door verweerder niet onafhankelijk en objectief is gehandeld;

d. er door verweerder aanvankelijk niet is gereageerd is op het commentaar en de correcties van klaagster op en van de rapporten van verweerder;

e. verweerder een onjuiste functionele mogelijkhedenlijst heeft gebruikt en onjuiste en onvolledige rapporten heeft opgesteld;

f. er geen hoor/wederhoor heeft plaatsgevonden;

g. verweerder klaagster procedureel heeft geïntimideerd en zich respectloos heeft gedragen;

h. verweerder de afspraken gemaakt bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA niet is nagekomen.

3.2. verweerder zou daarmee volgens klaagster in strijd hebben gehandeld met de gedragsregels 1 (algemene toetsnorm en integriteit), 2 (onafhankelijkheid en onpartijdigheid), 4 (deskundigheid), 5 (informatieplicht), 6 (eisen aan rapportages) en 8 (gelijkwaardigheid en onderlinge verhoudingen) Gedragscode SRA 2023.

4. Het verweer

4.1. Verweerder voert verweer tegen de klacht. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA 2023) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Het Tuchtcollege oordeelt op basis van de klacht uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Bij de beoordeling van het handelen van de arbeidsdeskundige gaat het niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat verweerder met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. Het Tuchtcollege toetst de inhoud van het werk en de inhoudelijke conclusies van verweerder slechts terughoudend aan de hand van de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen.

5.4. Ter voorlichting van klager geeft het Tuchtcollege daarbij in dit specifieke geval aan, dat het Tuchtcollege geen oordeel geeft over het ziekteverzuim, de re-integratie (spoor 1 en/of spoor 2) en het handelen van de Arboarts. Het Tuchtcollege oordeelt ook niet over de gevolgen en/of schade van de handelwijze van verweerder. Voorts toetst het Tuchtcollege ook niet aan de Grondwet, terwijl het Tuchtcollege, anders dan klaagster vraagt, ook niet kan uitspreken dat de rapportage van verweerder definitief verwijderd wordt en/of een geldboete aan verweerder kan opleggen. Het Tuchtcollege toetst uitsluitend de handelwijze van verweerder en kan daarbij alleen maar de in artikel 20 Tuchtreglement SRA genoemde maatregelen opleggen.

5.5. In dit geval beoordeelt het Tuchtcollege de handelwijze van verweerder bij het door hem in oktober en november 2024 ten aanzien van klaagster uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek en de opstelling van zijn arbeidsdeskundige rapporten van 2024 en 2025.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en verweerder over en weer hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Klachtonderdeel a: geen rechtstreeks contact

6.2. De klacht dat er bij de start van het onderzoek en het maken van de afspraak geen rechtstreeks contact met verweerder mogelijk was, maar dit contact via de casemanager liep, is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Een dergelijke handelwijze is naar het oordeel van het Tuchtcollege niet in strijd met de Gedragscode SRA 2023. Door klaagster is ook niet betwist dat verweerder haar tijdens het eerste gesprek op 13 november 2024 heeft ingelicht over zijn opdracht en hoedanigheid.

Klachtonderdeel b: beeldbellen

6.3. De klacht dat er alleen maar online gesprekken (beeldbellen) met verweerder konden worden gevoerd en er geen persoonlijk fysiek contact mogelijk was, is naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht en gegrond. Zowel het eerste gesprek met verweerder op 13 november 2024 als het gesprek op 10 maart 2025, nota bene nadat klaagster haar klacht bij de arbodienst had ingediend, konden alleen maar online worden gevoerd. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat dit vaste praktijk is bij de arbodienst waar hij werkzaam is. Fysieke gesprekken zijn een uitzondering.

6.4. Deze handelwijze is in strijd met gedragsregel 5 (informatieplicht) van de Gedragscode SRA 2023. In de toelichting bij deze regel wordt niet voor niets het volgende opgemerkt:

“Bij het verkrijgen van informatie van de cliënt dan wel het doen van onderzoek heeft te gelden dat de voorkeur daarbij uitgaat naar persoonlijk, fysiek contact met de cliënt boven het digitale contact of andere telecommunicatie met in het bijzonder beeldbellen als gebruikte contactvorm. Toepassing van beeldbellen vergt een ‘nee…tenzij-benadering’. Dat betekent, dat het kan en mag worden ingezet als persoonlijk, fysiek contact niet goed mogelijk is. Het is in elk geval niet wenselijk om beeldbellen als contactvorm in te zetten in de volgende situaties:

– bij het eerste contact met de cliënt;

– er zijn psychische en/of cognitieve klachten bij de cliënt;

– er is een conflict met de werkgever;

– er moet een werkplekonderzoek gedaan worden.”

6.5. Het verweer van verweerder dat beeldbellen vaste praktijk is bij zijn werkgever, die praktijk, de gedragsregels van de SRA ten spijt, weerbarstig is en hij van klaagster geen verzoek tot een fysieke bespreking ontving, kan hem niet baten. Het gesprek op 13 november 2024 betrof het eerste contact met klaagster. Mede gezien de mindere beheersing van de Nederlandse taal en de kwetsbare positie van klaagster had verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege ook niet voor beeldbellen mogen kiezen. Dat geldt zeker ook voor het gesprek op 10 maart 2025 nadat door klaagster nota bene een klacht tegen verweerder was ingediend.

Klachtonderdeel c: objectiviteit en onpartijdigheid

6.6. In gedragsregel 2 van de Gedragscode SRA 2023 is, kort samengevat, vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige zijn opdracht en onderzoek objectief en onpartijdig uitvoert.

6.7. Het Tuchtcollege heeft uit de processtukken en hetgeen door partijen ter zitting is aangevoerd niet kunnen afleiden dat verweerder het onderzoek niet objectief en onpartijdig heeft uitgevoerd. Dat verweerder klaagster niet in al haar opmerkingen en correcties is tegemoetgekomen, maakt nog niet dat verweerder niet objectief en onpartijdig was. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Klachtonderdelen d, e en f: toenaderingsverantwoordelijkheid en eisen aan rapportages

6.8. De klachtonderdelen d (geen reactie), e (onjuiste en onvolledige rapporten) en f (geen hoor/wederhoor) zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege gegrond.

6.9. Na het eerste gesprek tussen klaagster en verweerder, waarin klaagster opmerkingen maakt over de FML en de functie, volgt er geen enkele terugkoppeling van verweerder. De reactie van klaagster kan alleen via de casemanager naar verweerder. Er volgde ook geen terugkoppeling naar klaagster nadat verweerder contact had met de Arboarts en werkgever. Over de eerste versie van het rapport en de reactie van klaagster daarop is er geen enkel contact met klaagster. Voor klaagster was onduidelijk wat er met haar commentaar en correcties op de eerste versie van het rapport gebeurde.

Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat de arbodienst waar hij in dienst is, werkt met een systeem, dat, als er geen commentaar volgt, een rapport na 7 dagen definitief maakt en dan direct doorzet naar de opdrachtgever. Toezending van het rapport aan klaagster werd aan de casemanager overgelaten. Verweerder erkende ter zitting dat dit, in dit geval, achteraf bezien, wellicht niet een goede werkwijze is, mede omdat er, na het eerste gesprek, een reactie van klaagster viel te verwachten. Verweerder heeft dat niet bewaakt en gecheckt en heeft zich er onvoldoende van vergewist dat zijn rapport op juiste en volledige gegevens berustte. Er heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege ook onvoldoende en voor klaagster kenbaar hoor/wederhoor plaatsgevonden. Klaagster voelde zich daardoor niet begrepen en niet gehoord. Verweerder heeft klaagster in ieder geval onvoldoende meegenomen in zijn aanpak en zich beperkt tot de ‘standaardbehandeling’ die bij de werkgever volgens verweerder gebruikelijk is. Pas na de klacht van klaagster bij de arbodienst was verweerder bereid om met klaagster in gesprek te gaan over zijn rapport. Echter, ook na de herziening van het rapport en de opstelling van het addendum na het gesprek met klaagster op 10 maart 2025, volgt er geen contact, terugkoppeling, uitleg en reactie van verweerder. De communicatie met klaagster was naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende. Ter zitting heeft verweerder ook erkend dat hij daar meer tijd en aandacht aan had moeten besteden.

6.10. Met deze wijze van handelen heeft verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met gedragsregel 1 lid 1 en lid 3 Gedragscode SRA 2023 vastgelegde verplichting dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht neemt en zich zodanig dient te gedragen dat het vertrouwen in de beroepsgroep noch zijn eigen beroepsuitoefening wordt geschaad.

6.11. In herhaalde uitspraken van het Tuchtcollege is in verband met deze gedragsregels gewezen op de toenaderingsverantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige.

Het Tuchtcollege herhaalt nog maar eens, dat de arbeidsdeskundige de morele plicht heeft om de cliënt te respecteren en alle relevante informatie te verschaffen. De arbeidsdeskundige heeft verder een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven. Dit belangrijke uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan de acht regels die de Gedragscode SRA 2023 vormen.

6.12. Het Tuchtcollege vindt dat verweerder zich jegens klaagster met zijn wijze van handelen onvoldoende gekweten heeft van deze verantwoordelijkheid.

6.13. Bovendien is de handelwijze van verweerder in strijd met regel 6 Gedragscode SRA 2023 (eisen aan rapportages). Deze regel brengt met zich mee dat een arbeidsdeskundige zorgvuldig verifieert of de feiten en omstandigheden waarvan uit wordt gegaan juist zijn. Het Tuchtcollege heeft er, eveneens bij herhaling, op gewezen dat een arbeidsdeskundige die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden bij de eigen werkgever extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Dat geldt zeker ook in dit geval. Verweerder heeft in dit geval de opmerkingen van klaagster over de FML en de functie niet zorgvuldig geverifieerd.

Klachtonderdeel g: respect

6.14. Door verweerder is niet bestreden dat hij in het gesprek met klaagster dat plaatsvond na bemiddeling door de ombudsman richting klaagster termen heeft gebezigd als: “hou je mond” en “zo hoor je je in Nederland niet te gedragen” of woorden met een dergelijke strekking.

6.15. Dat is naar het oordeel van het Tuchtcollege in strijd met gedragsregel 8 Gedragscode SRA 2023, dat de arbeidsdeskundige streeft naar een verhouding met andere arbeidsdeskundigen, opdrachtgever(s) en cliënten die berust op welwillendheid, respect en vertrouwen”. Daarmee is ook dit klachtonderdeel gegrond.

6.16 Dat dit, zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, voortkwam uit een toenemende irritatie over klaagster, doet daar niet aan af. Van een Register-Arbeidsdeskundige wordt een professionele en respectvolle houding ten opzichte van anderen verwacht.

Klachtonderdeel h: afspraken niet nagekomen

6.20. Klachtonderdeel h betreft de klacht dat verweerder de afspraken gemaakt bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman niet is nagekomen. Ter zitting heeft klaagster toegelicht dat zij daarmee bedoelt dat niet alle door haar aangegeven aanpassingen tot 1 april 2025 door verweerder zijn verwerkt en het online gesprek niet naar tevredenheid is verlopen.

6.21. Naar het oordeel van het Tuchtcollege brengen de afspraken niet met zich mee dat verweerder alle door klaagster voorgestelde aanpassingen tot 1 april 2025 moet overnemen. Volgens de afspraken gaat het om de correctie van eventuele onjuistheden en is en blijft het, ook na de gemaakte afspraken, de verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige om te beslissen wat wel en niet in zijn rapport wordt verwerkt en overgenomen. Dat het online gesprek niet naar tevredenheid is verlopen, maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook niet, dat verweerder de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Het Tuchtcollege stelt vast, dat verweerder en klaagster er in het betreffende gesprek samen niet zijn uitgekomen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

7. Slotsom

7.1. Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond is voor zover dat hiervoor is aangegeven. Voor het overige is de klacht ongegrond.

8. Maatregel

8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de tuchtmaatregelen genoemd in artikel 20 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht moeten leiden.

8.2. Verweerder is met zijn handelwijze naar het oordeel van het Tuchtcollege tekortgeschoten en heeft niet de zorgvuldigheid betracht die van hem mag worden verwacht, in het bijzonder ten aanzien van deze klaagster in een kwetsbare positie.

8.3. Verder laat het Tuchtcollege meewegen dat verweerder op de zitting bij het Tuchtcollege niet of nauwelijks vermogen tot reflectie op zijn handelwijze toonde. Ten aanzien van beeldbellen gaf verweerder aan dat de gesprekken bij zijn onderzoeken voor 75 tot 80% ongewijzigd via beeldbellen plaatsvinden en dit ook de vaste praktijk bij zijn werkgever is. In zijn reacties toonde verweerder zich nogal defensief en was hij sterk op de inhoud van het onderzoek en niet op zijn handelwijze gericht. Adviezen van verweerder aan klaagster om haar blik te richten op de toekomst, zijn ongetwijfeld goed bedoeld, maar doen geen recht aan de aard en ernst van de klacht van klaagster. Verweerder toonde weinig besef van zijn tekortschieten en weinig bereidheid om zijn gedrag bij te stellen. Ondanks het feit dat over verweerder geen andere en/of eerdere klachten bij de SRA bekend zijn, is de handelwijze en opstelling van verweerder daarmee naar het oordeel van het Tuchtcollege dusdanig laakbaar, dat in dit geval niet kan worden volstaan met een waarschuwing.

8.4. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval aan verweerder de maatregel van artikel 20.1 aanhef en onder b Tuchtreglement, namelijk die van een berisping, dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klaagster ingediende klacht gegrond, voor zover hiervoor aangegeven, en legt aan verweerder de maatregel van een berisping op.

Aldus gegeven op 9 december 2025 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

B.B. Gerringa, lid

drs. J.L.S. Lussing – van der Pol, lid