Uitspraak 27 mei 2002
UITSPRAAK
van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen
ter zake de door Mevrouw H., hierna te noemen klaagster, ingediende klacht over de handelwijze van de heer F.J.Flohr, registerarbeidsdeskundige, hierna te noemen beklaagde.
Samenvatting van de klacht
In de op 11 juni 2001 tegen beklaagde ingediende klacht en in de door klaagster op deze klacht gegeven toelichting op 5 februari 2002 geeft klaagster het navolgende aan. In opdracht van de verzekeringsmaatschappij X, thans Y, heeft de beklaagde klaagster arbeidsdeskundig begeleid. Doel van deze begeleiding was het zoeken naar een passende functie voor klaagster met in achtneming van haar fysieke beperkingen. Op of omstreeks medio 1998 heeft beklaagde klaag-ster aangeraden om geen gebruik meer te maken van de diensten van het door klaagster ingeschakelde advocatenkan-toor. Als argumentatie daarvoor voerde beklaagde aan dat de zaak in een afrondend stadium verkeerde, de bemoeie-nissen van het advocatenkantoor onnodig hoge kosten met zich zou brengen en voorts dat zijn verstandhouding met de heer Z, die de schade namens Y zou afwikkelen, zodanig goed was dat hij de belangen van klaagster beter zou kunnen behartigen in een rechtstreeks contact met de heer Z, verbonden aan bureau A.
Eind 1999 heeft beklaagde aan klaagster laten weten dat hij niet al zijn kosten voor zijn arbeidskundige begeleiding bij Y in rekening kon brengen. Hij zou daarom met de heer Z, die namens Y de schadeafwikkeling zou verzorgen, zijn overeengekomen dat zijn kosten verdisconteerd zouden worden in de aan klaagster toegekende schade-uitkering. Ver-volgens heeft beklaagde voor de door hem bewezen diensten bij klaagster een bedrag geclaimd van
fl. 50.000,-. Dit bedrag is door klaagster in februari 2000 aan beklaagde betaald. Eerst na lange tijd en veelvuldig aan-dringen verstrekt beklaagde in december 2000 een tweetal facturen, die bij klaagster en haar belastingadviseur be-vreemding wekken. In een 21 februari 2001 met klaagster gevoerd gesprek stelt beklaagde dat hij de afspraak dat zijn honorarium verdisconteerd zou zijn in het aan klaagster toe te kennen schadebedrag met haar persoonlijk zou zijn gemaakt. Klaagster ontkent zulks ten stelligste. Zij beklaagt zich erover dat beklaagde een onjuiste voorstelling van zaken geeft omtrent de afspraken die hij met haar en Y zou hebben gemaakt, zij betwist de juistheid van de aan haar verzonden facturen en geeft aan dat beklaagde ten onrechte bij haar een bedrag van fl. 50.000,- netto heeft gedecla-reerd. Het is klaagster gebleken dat beklaagde zijn kosten voor zijn begeleiding als arbeidsdeskundige immers ook heeft gedeclareerd bij Y. Beklaagde heeft klaagster dus ten onrechte voorgehouden dat niet al zijn kosten bij Y konden worden gedeclareerd. Beklaagde heeft misbruik gemaakt van zijn vertrouwenspositie en klaagster in het kader daarvan bewogen tot het betalen van een bedrag van fl. 50.000,- , welke betaling heeft plaats gevonden op de privé-rekening van beklaagde. Ten onrechte beroept beklaagde zich wat deze betaling betreft op een mondelinge afspraak die hij met klaagster zou hebben gemaakt. Klaagster ontkent ten stelligste dat zij met beklaagde een mondelinge overeenkomst heeft gesloten om aan hem een bedrag te betalen van fl. 50.000,- ter zake verleende arbeidsdeskundige begeleiding. Voorts beklaagt klaagster zich over de houding van beklaagde die hij jegens haar heeft ingenomen nadat zij aan be-klaagde om opheldering en verduidelijking heeft gevraagd over de aan haar verzonden facturen.
Samenvatting van het verweer
Bij brief van 15 oktober 2001 geeft beklaagde aan het niet eens te zijn met de klacht. Het betreft een nota die in goed overleg met klaagster tot stand is gekomen. Klaagster is met de afspraak akkoord gegaan en heeft zonder enige dwang of protest de nota betaald. Niet beklaagde, doch klaagster heeft er op aangedrongen om de kwestie, in letselschade-technische zin, door hem te laten regelen. Uit de aan beklaagde toegezonden stukken kan hij niet opmaken wat de grieven van klaagster zijn. Feit is dat er een mondelinge overeenkomst bestaat tussen klaagster en hem tot betaling van een nota van fl. 50.000,- op basis van geleverde diensten.
Vervolg van de klachtbehandeling
Op 5 februari 2002 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen zijn uitgenodigd om deze monde-linge behandeling bij te wonen en aldaar het woord te voeren. Klaagster is, bijgestaan door haar gemachtigde de heer I, ter zitting verschenen. Beiden hebben een toelichting op de klacht gegeven en ter aanvulling op de klacht nog een tweetal schriftelijke stukken overgelegd, t.w. een belastinggarantie en een vaststellingsovereenkomst tussen Y en klaagster. Beklaagde, tijdig opgeroepen voor de zitting, is -zonder bericht van verhindering- niet verschenen. Bij aan-getekend schrijven van 18 februari 2002 is het verslag van de hoorzitting zowel naar klaagster als ook naar beklaagde verzonden. Beklaagde heeft de keuze gekregen om schriftelijk dan wel mondeling te reageren op het verslag. Be-klaagde heeft echter niet gereageerd, waarna de Raad heeft bepaald dat uitspraak zal worden gedaan zonder nadere reactie van beklaagde.
De Raad van Toezicht stelt de volgende feiten vast:
Op 6 september 1991 vindt een auto-ongeval plaats waar klaagster bij betrokken was. Klaagster, in het dagelijks leven werkzaam als fysiotherapeute, heeft aan dit ongeval klachten overgehouden op het gebied van vermoeidheid, concen-tratiestoornissen, hoofdpijn en nek-en schouderklachten.
X (thans Y), de verzekeraar van de aansprakelijke partij, schakelt in 1994 de beklaagde in voor een onderzoek naar de reïntegratiemogelijkheden van klaagster, een en ander in het kader van de vaststelling van de door klaagster als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.
Beklaagde heeft ter uitvoering van het arbeidskundig onderzoek in december 1994 contact opgenomen met advoca-tenkantoor B (door klaagster in 1994 ingeschakeld naar aanleiding van het zoekraken van haar dossier bij de verzeke-raar) aan wie hij in mei 1995 blijkbaar een eerste verslag met zijn bevindingen doet toekomen. In de periode 1995/2000 is er door beklaagde -in het kader van de reïntegratie van klaagster- onderzoek verricht naar de mogelijk-heden voor klaagster om haar in een passende functie (al dan niet bij haar werkgever in loondienst of als zelfstandige) te plaatsen. Een rapportage hierover aan Y verschijnt op 3 juli 1996 met de mededeling van beklaagde dat omtrent nieuwe ontwikkelingen nadere rapportage zal volgen. De rapportage van 21 maart 1995, waarnaar in het rapport van 3 juli 1996 wordt verwezen, bevindt zich niet in het dossier. Wel aanwezig is een declaratie van beklaagde aan X van 3 juli 1996 ten bedrage van fl. 5.287,50.
Op of omstreeks medio 1998 heeft beklaagde klaagster geadviseerd om af te zien van de bemoeienissen van het door haar ingeschakelde advocatenkantoor omdat daaraan onnodig hoge kosten zouden zijn verbonden en de zaak in een afrondend stadium zou verkeren. Nadat klaagster het advies van beklaagde had opgevolgd, ging beklaagde, naast ar-beidsdeskundige, belast met reintegratieactiviteiten, vanaf dat moment dus ook optreden als schadeonderhandelaar. Op 29 februari 2000 maakt klaagster een bedrag ad. Fl. 50.000,- over op een door beklaagde opgegeven bankrekening-nummer, welk nummer niet overeenkomt met het zakelijke bankrekeningnummer van beklaagde.
Nadat klaagster op advies van haar belastingconsulent bij beklaagde om opheldering over de door haar betaalde decla-ratie verzoekt, reageert beklaagde eerst na veelvuldig aandringen en buitengewoon traag met toezending aan klaagster van een tweetal facturen, beiden gedateerd op 19 mei 2000. Op de ene factuur (nr: 99-0003) wordt ter zake vergoeding arbeidskundig advies met betrekking tot het opzetten van een eigen bedrijf een bedrag ad fl. 24.000,- te vermeerderen met 17,5% BTW opgevoerd. Op de andere factuur (nr: 99-0004) wordt ter zake vergoeding arbeidsdeskundig advies periode 1995 tot 2000 een bedrag opgevoerd van fl. 50.000,- zonder vermeerdering met BTW.
Navraag bij Y leert klaagster dat men bij Y geen weet heeft van een nadere afspraak tussen de heer Z en beklaagde over de verdiscontering van door beklaagde verrichte werkzaamheden in het aan klaagster uit te keren schadebedrag. Vaststaat dat beklaagde bij Y voor zijn werkzaamheden (in totaal c.a. 60 uur) een drietal bedragen heeft gedeclareerd en wel fl. 750,- in 1995, fl. 5.287,50 in 1996 en fl. 7.931,25 in 2000. Op advies van Y, waar men spreekt van een be-vreemdende gang van zaken, neemt klaagster contact op met de Raad van Toezicht SRA, waar zij vervolgens haar klacht deponeert.
Overwegingen van de Raad
1. De gedragsregels schrijven voor dat de arbeidsdeskundige zich onthoudt van methoden van onderzoek en/of bege-leiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. De arbeidsdeskundige betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
2. De Raad is van oordeel dat beklaagde deze gedragsregel in ernstige mate heeft overtreden. Beklaagde heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling en is zowel ten opzichte van klaagster als zijn oorspronkelijke op-drachtgever Y in gebreke gebleven met het geven van volledige en juiste informatie over de diverse rollen die hij gaandeweg op zich is gaan nemen. Beklaagde heeft in dit opzicht laakbaar gehandeld.
3. Beklaagde werd door Y ingeschakeld voor arbeidsdeskundige begeleiding van klaagster. Hij heeft voor die werk-zaamheden aan Y een drietal declaraties verstuurd. Volstrekt onduidelijk is welke door beklaagde verrichte werk-zaamheden zijn verricht in het kader van zijn door Y verstrekte opdracht en welke werkzaamheden daar buiten vielen. Er is geen schriftelijk stuk voorhanden waaruit blijkt van de aard, doel en inhoud van het onderzoek dat beklaagde in opdracht van Y diende uit te voeren. Evenmin is er een schriftelijk stuk waaruit blijkt van de te han-teren onderzoeksmethode en onderzoeksinstrumenten. Het is dan ook volstrekt oncontroleerbaar welke werk-zaamheden van beklaagde zijn verricht in het kader van de aan hem door Y verstrekte opdracht, terwijl evenmin valt na te gaan op welk tijdstip deze werkzaamheden zijn beëindigd. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de gedragsregels die gelden in relatie tot de cliënt en opdrachtgever.
4. Beklaagde is gaan optreden als schaderegelaar voor klaagster. Er is geen schriftelijk stuk voorhanden waaruit blijkt welke werkzaamheden beklaagde in die hoedanigheid voor klaagster zou verrichten. Evenmin is duidelijk of beklaagde (althans partijen verschillen op dit punt van mening) ter zake dit optreden met klaagster is overeenge-komen dat hij voor dit optreden een vergoeding bij klaagster in rekening mocht brengen. De Raad heeft niet kun-nen vaststellen welke werkzaamheden beklaagde als schaderegelaar ten behoeve van klaagster heeft verricht. Be-klaagde is tekort geschoten in de verplichting om klaagster duidelijkheid te verschaffen over zijn rol als schadere-gelaar en welke werkzaamheden hij verrichtte in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige.
5. Buiten de opdracht van Y om is beklaagde, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige, blijkbaar gaan optreden als arbeidskundig begeleider van klaagster. Uit geen enkel stuk valt op te maken dat beklaagde hierover met klaagster een aparte overeenkomst heeft gesloten waaruit zijn werkzaamheden, die dus niet vielen binnen de Y-opdracht, zouden moeten bestaan, welke vergoeding hij daarvoor bij klaagster persoonlijk in rekening zou bren-gen en op welke wijze hij zou rapporteren over die werkzaamheden. De gedragsregels schrijven voor dat zulks voorafgaande aan de werkzaamheden dient te geschieden. In het aan de Raad ter beschikking staande dossier ont-breekt een schriftelijk stuk waarin door beklaagde is gerapporteerd waaruit zijn extra arbeidskundige werkzaam-heden hebben bestaan. Klaagster heeft na lang aandringen slechts een tweetal volstrekt onvoldoende gespecifi-ceerde declaraties ontvangen waarop vermeld staat dat er arbeidsdeskundige werkzaamheden zijn verricht. Vast-staat voorts dat Y begin 2000 nog een declaratie van beklaagde heeft ontvangen, terwijl Y van een overeenkomst tot extra begeleiding van klaagster door beklaagde niet op de hoogte is gebracht, terwijl ook de heer Z, die na-mens Y de schade heeft geregeld, van een dergelijke overeenkomst tussen beklaagde en klaagster niet op de hoog-te was. Evenmin was het aan Y noch aan de heer Z bekend dat in het aan klaagster uit te keren schadebedrag een bedrag ad. Fl. 50.000,- netto zou zijn verdisconteerd voor de extra werkzaamheden die beklaagde, buiten de on-derzoeksopdracht van Y om, ten behoeve van klaagster zou hebben verricht. Beklaagde heeft aldus gehandeld in strijd met de gedragsregels die gelden in de relatie tot cliënt en opdrachtgever.
6. Tijdens de mondelinge behandeling is het de Raad gebleken dat klaagster ten opzichte van beklaagde in een zeer afhankelijke positie verkeerde. Klaagster ondervond in haar functioneren als fysiotherapeute aanzienlijke beper-kingen en werd geconfronteerd met een tweetal pogingen van haar werkgever om haar te ontslaan. Beklaagde stond klaagster in die procedures bij en verwierf zich een positie als vertrouwensman van klaagster. Vanuit die positie zou beklaagde klaagster hebben aangeraden om te breken met het door haar ingeschakelde advocatenkan-toor en om hem de onderhandelingen over de hoogte van de schade te laten voeren. Beklaagde zou klaagster zelfs hebben voorgesteld om aan hem een bedrag van fl. 50.000,- te lenen teneinde daarmee een zakelijke activiteit te beginnen waarbij aan klaagster een rol zou zijn toebedeeld. Voor de Raad is het evident dat beklaagde had moeten onderkennen dat het voor klaagster, vanuit zijn vertrouwenspositie, niet mogelijk was om de diverse rollen die hij vervulde van elkaar te onderscheiden en het had op beklaagde's weg gelegen om daarover naar klaagster toe hel-derheid te verschaffen door middel van schriftelijke afspraken en rapportages. Beklaagde heeft in dat opzicht ten aanzien van klaagster niet de benodigde zorgvuldigheid betracht.
7. Beklaagde heeft, gebruik makend van de afhankelijke positie waarin klaagster verkeerde, zich in privé een bedrag laten uitbetalen van fl. 50.000,- netto (het bedrag werd immers niet betaald op de zakenrekening van beklaagde!), zonder daarvoor een deugdelijke declaratie met bijbehorende specificatie van werkzaamheden af te geven. Eerst na veelvuldig aandringen en met grote vertraging heeft beklaagde een tweetal volstrekt ondeugdelijke declaraties aan klaagster doen toekomen, declaraties die zouden zijn gebaseerd op een mondeling met klaagster gemaakte af-spraak. Nu blijkens de declaratie het bedrag ad fl. 50.000,- betrekking heeft op werkzaamheden die beklaagde in zijn hoedanigheid van registerarbeidsdeskundige heeft verricht, had het op zijn weg gelegen met klaagster vooraf schriftelijk overeen te komen welke vergoeding voor welke werkzaamheden aan haar in rekening zou worden ge-bracht en voorts om de declaratie te voorzien van een deugdelijke specificatie van de door hem verrichte werk-zaamheden. Beklaagde volstaat in zijn schriftelijk verweer met de opmerking dat het bedrag ad fl. 50.000,- met klaagster mondeling zou zijn overeengekomen en daarmee basta! Naar het oordeel van de Raad heeft beklaagde aldus gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, fatsoensnormen en ethiek die van een registerarbeidsdeskundige mag worden verwacht. Hij heeft, gebruik makend van zijn vertrouwenspositie, geprofiteerd van de afhankelijk-heid van klaagster en door zijn handelwijze en hardnekkige weigering om over zijn handelen en gedrag verant-woording af te leggen de verdenking op zich geladen dat hij fl. 50.000,- "zwart" heeft geïncasseerd. Beklaagde heeft daarmee niet alleen zichzelf doch ook het beroep van registerarbeidsdeskundige ernstig in diskrediet ge-bracht.
8. Voor een goede klachtenbehandeling is het van essentieel belang dat de registerarbeidsdeskundige zich behoorlijk verantwoordt, zowel schriftelijk als mondeling. Beklaagde heeft zich tegen de klachten van klaagster uiterst sum-mier verweerd, is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook nadien op geen enkele manier gere-ageerd. De gebruikelijke normen van fatsoen en professionaliteit, die een registerarbeidsdeskundige in acht heeft te nemen, gelden ook ten opzichte van de Raad van Toezicht. Het is niet de eerste keer dat beklaagde er blijk van geeft deze normen ten opzichte van de Raad niet in acht te willen nemen. Het optreden van beklaagde is uiterst laakbaar!
De Raad besluit als volgt:
1. De Raad verklaart de klachten van klaagster over het optreden van beklaagde gegrond.
2. Gelet op de ernst van het handelen van beklaagde in strijd met de gedragsregels, de zorgvuldigheid, het fatsoen en de ethiek die van een registerarbeidsdeskundige mag worden verwacht en rekening houdende met het feit dat be-klaagde al eerder een waarschuwing van de Raad heeft gekregen legt de Raad als sanctie op dat de inschrijving van beklaagde als registerarbeidsdeskundige in het Openbaar Register wordt tenietgedaan voor een periode van twee jaar. Deze sanctie dient in te gaan uiterlijk twee weken na het bekendmaken van deze uitspraak.
3. De Raad draagt de SRA op dit besluit schriftelijk en volledig zonder anonimisering van Flohr aan alle registerar-beidsdeskundigen mee te delen.
Aldus besloten op 27 mei 2002.