Jurisprudentie

Kies jaartal
Kies een uitspraak

Uitspraak 24 november 2003

UITSPRAAK

van de Raad van Toezicht SRA n.a.v. de klacht van mevrouw M. tegen de registerarbeidsdeskundige N.

Procesverloop
Bij schrijven d.d. 5 maart 2003 heeft mevrouw M. via haar advocaat Mr. O. een aantal klachten ingediend tegen de arbeidsdeskundige  N. over diens in opdracht van de verzekeringmaatschappij P.  verricht onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van mevrouw M.

In het kader van dat onderzoek sprak N. mevrouw M.  op 2 februari 2002 op het kantoor van genoemde advocaat. Op 9 februari 2002 bracht N.  schriftelijke advies uit aan P. Zijn conclusie was, dat de theoretische verdiencapaciteit van mevrouw M. op dat moment circa 25 % was en dat zij derhalve minder dan 45 % arbeidsongeschikt was in de zin van de polis. Hij gaf echter P. in overweging een zekere uitloop in acht te nemen in de zin van een tijdelijke gehele, resp. gedeeltelijke voortzetting van de uitkering/premievrijstelling, als ware betrokkene nog niet-, resp. halftime belastbaar.

Nadat P. deze rapportage aan O. ter beschikking had gesteld, heeft de laatste bij brief d.d. 15 maart 2002 de arbeidsdeskundige N. geschreven, dat diens rapportage op geen enkele wijze serieus was te nemen en dat N. zich aldus had gediskwalificeerd. Deze brief bevatte, naast schimpscheuten, ook  inhoudelijke kritiek op het rapport én de aankondiging van een klacht.

Daarop reageerde N. bij brief d.d. 26 maart 2002, kort samengevat aldus, dat hij over zijn onderzoek en rapportage best wilde discussieren, maar niet onder beschimpingen en dreiging van procedures. Bij brief d.d. 22 april 2002 antwoordde O. daarop, dat hij de NVvA de vraag zou voorleggen of de rapportage van de heer N. de rapportage van een registerarbeidsdeskundige waardig was. Daaraan gaf hij dus pas bijna een jaar later uitvoering aan middels bovenvermelde brief d.d. 5 maart 2003.

Inhoud van de klachten:

• De gegevens in de rapportage van N. zijn oncontroleerbaar wat betreft het met passende arbeid te verdienen inkomen, de gehanteerde methodiek, eventuele overschrijding van de belastbaarheid, de gestelde opleidings- en ervaringseisen.
• Twee functies zijn ten onrechte als passend opgevoerd.
• Van een register-arbeidsdeskundige mag verlangd worden dat deze gemotiveerd aangeeft waarom de geduide functies passend zijn. Ten onrechte is N. daarom niet ingegaan op de geleverde kritiek.

Bij schrijven d.d. 18 april 2003 voert O. verder als klachten aan:
• de arbeidsdeskundige heeft bij de introductie geen mededeling gedaan over de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten
• de arbeidsdeskundige heeft bij de introductie geen mededeling gedaan over het klachtrecht
• de arbeidsdeskundige heeft tijdens het gesprek verwachtingen gewekt t.a.v. de besluitvorming, die naar aanleiding van zijn onderzoek nog moest plaatsvinden
• het onderzoek is in strijd met de algemene normen van fatsoen, omdat de arbeidsdeskundige geen inzicht heeft gegeven in de door hem gehanteerde onderzoeksmethode
• de arbeidsdeskundige heeft niet aan de in de gedragsregels omschreven rapportagevoorschriften voldaan.

In reactie daarop heeft de arbeidsdeskundige N. zich bij brief d.d. 24 mei 2003 verweerd, waarop bij brief d.d. 26 juni 2003  Mr. R. in plaats van O. heeft gereageerd namens mevrouw M.

De Raad van Toezicht heeft de zaak op 8 september 2003 behandeld. Daarbij hebben Mr. R. namens mevrouw M., die eveneens aanwezig was, en de arbeidsdeskundige N. hun zaak mondeling toegelicht.

Na de mondelinge behandeling heeft N. desgevraagd zijn folder en zijn verdere correspondentie met P. over deze kwestie aan de Raad van Toezicht ter hand gesteld.

Overwegingen van de Raad van Toezicht
Uit de aan de Raad verstrekte schriftelijke stukken en de tijdens en na de mondelinge behandeling gegeven informatie, blijkt het volgende.

- Mevrouw M. heeft vanaf januari 1999 een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.
- Daarnaast is zij bij P. aanvullend verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Het door P. gehanteerde arbeidsongeschiktheidsbegrip is gelijk aan dat van de WAO.
- P. heeft een aanvulling op deze WAO uitkering geweigerd.
- Ook heeft P. haar geen premievrijstelling verleend, omdat haar
arbeidsongeschiktheid minder dan 45 % zou zijn.
–  Mevrouw M. vecht die weigering aan.
- De onderzoeksopdracht van P. aan de arbeidsdeskundige N. is
verstrekt in het kader van dat geschil.
- O. had nog een ander geschil met N.
- Mevrouw M.  tracht de schade als gevolg van haar
arbeidsongeschiktheid op haar (voormalige) werkgever te verhalen. Zij
heeft bovendien een klacht bij de Ombudsman ingediend.
- N. was van deze context niet op de hoogte.
- Pas na het indienen van bovengenoemde klachten heeft  N. op
verzoek van P. zijn rapportage schriftelijk toegelicht.
- M. is niet op de hoogte gesteld van het verzoek van P. noch van de toelichting van N. aan P.

1. m.b.t. niet informeren over het klachtrecht
  De betreffende gedragsregel luidt:
 De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om ervoor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over (..) het recht om zich met een klacht te wenden tot het Registerinstituut (..).

 Het staat vast dat N. dat vóór of tijdens het gesprek d.d. 2 februari 2002 niet gedaan heeft. In zijn voorafgaand aan het gesprek aan de advocaat toegezonden folder wordt evenmin melding gemaakt van dit klachtrecht.
  
De klacht is dus gegrond.

2. m.b.t. niet informeren over de onderzoeksmethoden en -instrumenten
De betreffende gedragsregel luidt:
 De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om ervoor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over aard, doel en inhoud van het onderzoek, de te hanteren onderzoeksmethode en onderzoeksinstrumenten (..).

Deze gedragsregel brengt geen verplichting met zich mee tot een uitvoerige technische verhandeling over onderzoeksmethoden en -instrumenten. Voldoende is dat de cliënt op de hoogte moet zijn van de hoofdlijnen van het arbeidsdeskundig onderzoek.

N. heeft tijdens de mondelinge behandeling op 8 september 2003 zijn introductie, die van algemene aard is, toegelicht. Van de zijde van mevrouw M. of haar raadsvrouwe is die informatie niet bestreden. Het gesprek heeft circa 1,5 uur geduurd. Mevrouw M. heeft verklaard, dat zij begreep dat het om een verschil in verdiensten ging en dat N. in dat verband verschillende functies heeft genoemd, die zij eventueel zou kunnen verrichten.

Daaruit leidt de Raad af dat mevrouw M. voldoende is voorgelicht. Bovendien acht de Raad het in dat verband van belang dat mevrouw M. zich tijdens dit gesprek van deskundige rechthulp heeft voorzien.

De klacht is in dit opzicht daarom ongegrond.

3. m.b.t. de verwachtingen gewekt tijdens het intake-gesprek
De betreffende gedragsregel luidt:
De arbeidsdeskundige waakt ervoor naar de cliënt verwachtingen te scheppen ten aanzien van de besluitvorming die naar aanleiding van het door hem ingestelde onderzoek nog moet plaatsvinden.

De Raad heeft geen feiten kunnen vaststellen op basis waarvan de conclusie getrokken kan worden dat N.  deze gedragsregel heeft geschonden.

De tijdens de mondelinge behandeling van de Raad op 8 september 2003 door de raadsvrouwe van M. ingenomen stelling, dat zij van cliënte begrepen heeft dat N. iets gezegd heeft in de trant dat het met de premievrijstelling door P. wel goed zou komen, wordt door N. betwist en wordt voor het overige niet onderbouwd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mevrouw M. daarover verklaard, dat zij gaande het gesprek het gevoel had gekregen dat het wel goed zou komen. Deze subjectieve beleving is onvoldoende om overtreding van de gedragsregel te kunnen vaststellen.

Volgens mevrouw M. heeft N. ook niet een bepaald percentage genoemd als resultaat van zijn eigen onderzoek.

In de eerste reactie van O. d.d. 15 maart 2002 schrijft deze dat geen toezeggingen zijn gedaan, maar wel verwachtingen zijn gewekt dat er arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden aanwezig zou zijn. Zonder verdere concretisering is dat onvoldoende bewijs.

Blijkens de aangevallen rapportage zijn tijdens de bespreking d.d. 2 februari 2002 de beperkingen van mevrouw M.  aan de orde geweest. N. concludeert tot een arbeidsongeschiktheid van 25 % overeenkomstig het in de polis vastgelegde arbeidsongeschiktheidsbegrip. Daarmee liep N. allerminst vooruit op het door de verzekeringsmaatschappij in te nemen standpunt.

Zelfs indien N. – zoals hij zelf tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 8 september 2003 als mogelijkheid aangeven heeft – in het gesprek is vooruitgelopen op zijn eigen conclusie, namelijk dat hij P. in overweging zou geven een zekere uitloop in acht te nemen in de zin van een tijdelijke gehele, resp. gedeeltelijke voortzetting van de uitkering/premievrijstelling, als ware betrokkene nog niet-, resp. halftime belastbaar, dan levert dat geen schending op van de gedragsregel. Daarmee liet hij immers juist de uiteindelijke beslissing aan P. open.

Uit niets blijkt derhalve dat N. enige mededeling heeft gedaan over het door P. naar aanleiding van zijn bevindingen in te nemen standpunt.

De Raad verklaart de klacht op dit onderdeel ongegrond.

4. m.b.t. de uitkomst van het onderzoek en de gehanteerde methoden
Voorop gesteld dient te worden, dat de Raad van Toezicht zich moet onthouden van een inhoudelijk oordeel over de juistheid van i.c. een arbeidsdeskundige inschatting over de resterende verdiencapaciteit van de cliënt, tenzij blijkt dat de arbeidsdeskundige methoden van onderzoek ondeskundig en onzorgvuldig worden gehanteerd (art. 3.c van de gedragsregels).

Van dat laatste is de Raad, mede na de door N. desgevraagd gegeven toelichting tijdens de mondelinge behandeling op 8 september 2003, in geen enkel opzicht iets gebleken.

5. m.b.t. de motivering  van de  conclusie van het onderzoek
De gedragsnorm luidt als volgt:

Na afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek wordt de opdrachtgever geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek.
De register-arbeidsdeskundige rapporteert op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten.
De cliënte heeft het recht geïnformeerd te worden omtrent de gegevensverwerking ten behoeve van de rapportage.
Ingevolge het recht op inzage kan de cliënt via de opdrachtgever een afschrift van het arbeidsdeskundig rapport krijgen.

Bij het beoordelen van de klachten in dit verband stelt de Raad voorop, dat P. de opdrachtgever van N. is, dat de communicatie tussen de arbeidsdeskundige en de cliënt in beginsel via P. dient te lopen, en dat er i.c. geen protocollen zijn waarin P. aangeeft in welke mate de conclusies van de rapportage dienen te worden onderbouwd.

Volgens de hier aan de orde zijnde gedragsregels heeft ook de arbeidsdeskundige de taak om deze communicatielijnen goed te bewaken, opdat de cliënt de informatie bereikt, die hem toekomt. Hoewel de gedragsregels niet verbieden, dat de arbeidsdeskundige na het uitbrengen van zijn advies nog nader rechtstreeks contact heeft met de cliënt, verdient dat geen aanbeveling.

De onderhavige casus is daarvan een voorbeeld. Op zich had N. gelijk dat hij niet rechtstreeks met O. in schriftelijk debat wenste te gaan. Hij had er daarom beter aan gedaan direct naar P. te verwijzen en P. van de correspondentie in kennis te stellen. Dat is niet gebeurd.

 N. heeft P. pas geïnformeerd en een toelichting gegeven op zijn rapportage, nadat O. daadwerkelijk een klacht had ingediend en de verzekeringsgeneeskundige van P. N. om die toelichting vroeg.

I.c. staat de vraag centraal of N. de gronden, waarop zijn conclusie is gebaseerd, in voldoende mate heeft aangegeven. De klacht richt zich op de summierheid van de motivering en daarmee op de oncontroleerbaarheid van de aan de conclusies ten grondslag liggende gedachtegang.

Artikel (3.d) van de gedragsregels verplicht de arbeidsdeskundige zijn conclusies te motiveren. Dat houdt in dat uit de rapportage kenbaar moet zijn welke feiten en argumenten tot de eindconclusie hebben geleid, en wel zodanig dat de feiten controleerbaar zijn en genoemde feiten en argumenten de conclusie kunnen dragen.

Toegepast op een rapport, waarbij de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van de mogelijk te verdienen inkomsten in andere als passend aangegeven functies, dient tenminste een beknopte beschrijving te worden gegeven van deze functies, van de belastingprofielen (in het licht van de eerdere aangegeven medische beperkingen van de cliënt), én het met elk van die functies te verdienen inkomen.

De Raad is van oordeel dat het arbeidsdeskundig rapport van N. te summier is geweest en een toelichting behoefde. N. volstond immers om – na een uitgebreide beschouwing – een zevental niet nader omschreven functies te noemen,  en slechts globaal – d.w.z. niet per functie gespecificeerd -aan te geven welk inkomen daarmee verdiend kon worden; dat af te zetten tegen het door hem geactualiseerde maatmanloon, en het uit de berekening voortvloeiende arbeidsongeschiktheids-percentage te vermelden. Zijn rapport gaf geen enkele argumentatie t.a.v. de gehanteerde inkomenscijfers en verantwoording voor de gekozen functies en de belastbaarheidprofielen.

I.c. voldoet de aangevallen rapportage van N. niet aan deze voorwaarden en de klachten dienaangaande treffen daarom doel.

Overwegingen t.a.v. de op te leggen sanctie(s)

m.b.t. het niet vooraf vermelden van het klachtrecht
Blijkens zijn schriftelijk verweer was N. op de hoogte van deze gedragsregel en heeft hij zich daaraan tot nu toe stelselmatig niet gehouden. Op zich is dat ernstig genoeg om een sanctie te rechtvaardigen.

De Raad ziet daarvan af op grond van de bijzondere omstandigheid, dat het gesprek met de cliënte plaats vond in aanwezigheid van de advocaat, die van het bestaan van dit klachtrecht zoals blijkt uit zijn allereerste schriftelijke reactie goed op de hoogte was. Onder die bijzondere omstandigheden verliest het betreffende mededelingsvoorschrift aan gewicht.

m.b.t. het schenden van de motiveringsplicht
Het is de Raad bekend dat de rapportage van N. qua bondigheid geen uitzondering vormt op hetgeen gangbaar is in de verzekeringspraktijk; dat in talrijke gevallen de praktijk ook geen behoefte heeft aan uitvoerig gemotiveerde bevindingen; dat arbeidsdeskundigen zich onder druk voelen staan om slechts summier te motiveren en dat een gebrek aan motivering in de praktijk wordt opgelost met een nadere toelichting, indien dat opportuun voorkomt.

Deze praktijk staat op gespannen voet met de motiveringsverplichting van de arbeidsdeskundige, zoals deze uit de gedragsregels voortvloeien.

Het advies van een arbeidsdeskundige is van groot belang voor de besluitvorming over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van de in opdracht van een derde onderzochte "cliënt". Het advies gaat dikwijls een eigen leven leiden, al dan niet in gerechtelijke procedures, in toekomstige besluitvorming over arbeidsongeschiktheid, en/of aanverwante vraagstellingen. De weging van het uitgebrachte advies en de discussie over de juistheid van het advies dient plaats te vinden op basis van de in of bij dat advies gegeven verantwoording, en niet op achteraf nog opkomende gegevens uit een niet publiek toegankelijk archief. De opdrachtgever moet uit het advies zelf kunnen afleiden of de conclusies gevolgd kunnen worden. Voor de cliënt moet zichtbaar zijn, hoe met in vertrouwen verstrekte privacygevoelige informatie is omgegaan.

Het aan de klachten ten grondslag liggende feitencomplex in deze zaak laat zien hoe wenselijk een goede motivering is.  N. was geen partij in het conflict tussen M. en P. en was bij voldoende motivering ook geen partij geworden. Het gevolg van het feit dat hij zich door de raadsman van M. liet provoceren was dat een tijdige toelichting op zijn rapport uitbleef, deze toelichting mevrouw M. (via P.) nooit heeft bereikt, hoewel zij daartoe op grond van art. 3.d. recht had, en de volledige rapportage door tijdsverloop een versnipperd karakter heeft gekregen.

Deze beslissing reikt verder dan het belang van partijen. De Raad acht het onjuist N. daarvan het volle gewicht te laten dragen. De Raad volstaat daarom met een schriftelijke waarschuwing als sanctie.

De Raad besluit als volgt:

1. verklaart de klachten m.b.t. de motivering van het uitgebrachte advies en het niet vermelden van het klachtrecht gegrond, en de overige klachten ongegrond.
2. geeft N. een schriftelijke waarschuwing terzake van de geconstateerde schending van zijn motiveringsverplichting ingevolge art. 3 van de Gedragsregels.

Aldus besloten op 24 november 2003