Uitspraak 16 maart 2010
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van klaagster, tegen de registerarbeidsdeskundige, hierna aangeduid als beklaagde.
Procesverloop
Bij brief van 26 mei 2009 is door klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een door hem op 12 juli 2009 ingediend verweerschrift. Klaagster heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 24 juli 2009. Op 14 december 2009 heeft de mondelinge behandeling van de klacht ten overstaan van de Raad van Toezicht plaats gevonden, waarbij beklaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer X (arbeidskundig adviseur) en waarbij klaagster in persoon is verschenen.
De feiten
Klaagster, werkzaam als register arbeidsdeskundige is op 18 juni 2008 door de Stichting Y ingeschakeld met het verzoek om de Stichting te adviseren over de re-integratiemogelijkheden van een bij haar in dienst zijnde begeleidster die op 22 oktober 2007 met ernstige rugklachten is uitgevallen. Op 9 juli 2008 heeft klaagster haar onderzoek afgerond en heeft zij haar onderzoeksverslag aan de opdrachtgever aangeboden. De conclusie in het arbeidskundig rapport luidt dat het eigen werk niet passend is en niet passend is te maken. Er is eventueel passend werk bij eigen werkgever. Betrokken medewerker is geschikt voor ander werk. Gedacht kan worden aan administratief medewerker, productiemedewerker, telefoniste/receptioniste. Naar alle waarschijnlijkheid komt medewerker niet in aanmerking voor een WIA-uitkering. Op basis van de door klaagster getrokken conclusies adviseert zij te komen tot een opbouw in uren cfr. het reeds opgestelde re-integratieplan.
Daarnaast dienen de taken ingevuld te worden, waarbij taken als bijvoorbeeld het begeleiden van mensen waarbij geen fysieke inzet van de werknemer wordt gevraagd, administratieve taken en/of coördinatietaken als passend zijn aan te merken. Door klaagster wordt geadviseerd om de interne mogelijkheden te onderzoeken naar een duurzame plek voor werknemer, waarbij werknemer op proef voor 3 maanden geplaatst kan worden in een fysiek minder belastende functie. Na deze drie maanden (of mogelijk reeds eerder) kan een besluit worden genomen om werknemer eventueel te herplaatsen. Mocht het duidelijk zijn of worden dat werknemer intern niet herplaatst kan worden, dan dient op dat moment een tweede spoortraject te worden ingezet.
Op 20 april 2009 vraagt de werkgever om een deskundigenoordeel met betrekking tot diens re-integratie-inspanningen. Ter zake deze aanvraag heeft beklaagde, register arbeidsdeskundige in dienst van het UWV, een onderzoek ingesteld bij werkgever met wie hij op begin mei 2009 een gesprek heeft gevoerd. Op 6 mei 2009 heeft beklaagde zijn rapportage ter zake het deskundigenoordeel uitgebracht. In zijn rapportage stelt beklaagde dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever naar proces en product kunnen worden beoordeeld. Ten aanzien van het proces oordeelt beklaagde dat werkgever de juiste stappen heeft gezet op de momenten dat het noodzakelijk wordt geacht. Ten aanzien van het product stelt hij dat de werkgever op 9 juli 2008 van klaagster een inadequaat advies heeft gekregen. Klaagster had de organisatie op passende functies moeten doorlopen en had moeten aangeven waarom functies passend zijn, niet passend zijn of passend zijn te maken. Hierdoor had de werkgever duidelijk aanwijzingen gekregen waar op ingezet had moeten worden.
De klacht
Klaagster klaagt erover dat beklaagde zijn beoordeling dat het onderzoek en advies van klaagster als onvoldoende moet worden beschouwd, heeft vastgesteld zonder enige vorm van overleg met klaagster en zonder enige vorm van vooraankondiging waarop klaagster zou hebben kunnen reageren. Daarmee heeft beklaagde volgens klaagster de SRA Gedragsregel 1 in relatie tot collegae overtreden die luidt: De Register-Arbeidsdeskundige streeft ernaar zodanig op te treden dat goede collegiale verhoudingen worden bevorderd. In het bijzonder streeft hij ernaar zoveel mogelijk te vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van een collega Register-Arbeidsdeskundige. Hij vermijdt een collega te verdringen bij cliënt en/of opdrachtgever.
Beklaagde heeft niet zorgvuldig jegens klaagster gehandeld nu hij zonder (voor)overleg met klaagster zijn oordeel, dat klaagster een "inadequaat" advies gaf, naar de opdrachtgever heeft gestuurd. Gewild of ongewild heeft hij daardoor afbreuk gedaan aan de reputatie van klaagster.
Het verweer
Beklaagde voert in grote lijnen het volgende verweer.
Wellicht had het kies geweest om klaagster vooraf op de hoogte te stellen van de conclusie inzake het deskundigenoordeel. Het feit dat dit niet is gebeurd, leidt er niet toe dat beklaagde daarmee een Gedragsregel heeft overschreden.
Als de werkgever om een deskundigenoordeel vraagt, is beklaagde vanuit de onafhankelijke arbeidsdeskundige functie bij het UWV genoodzaakt om kritisch te kijken naar de adviezen die aan werkgevers in het kader van een re-integratietraject worden gegeven. Bij een arbeidsdeskundig advies waarvan het UWV vindt dat dit onvoldoende is, moet dat worden gemeld aan de werkgever. Dit wordt gedaan om aan de werkgever aandachtspunten in het kader van de re-integratie mee te geven en niet om aan de reputatie van een collega arbeidsdeskundige afbreuk te doen. Het melden aan de werkgever dat er verschil van mening bestaat tussen beklaagde en klaagster staat niet gelijk aan het afbreuk doen aan de reputatie van klaagster. Beklaagde heeft er geen enkel belang bij om klaagster bij haar opdrachtgever in een kwaad daglicht te zetten. Naar het oordeel van beklaagde heeft hij zorgvuldig gehandeld door met de aanvrager van het deskundigenoordeel (lees: de werkgever) te overleggen.
De werkwijze van de Raad
Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige heeft gehandeld binnen de door Gedragsregels aangegeven kaders.
De overwegingen van de Raad
De Raad toetst de klacht aan de hand van de Gedragsregel m.b.t. de collegialiteit, die luidt als volgt:
Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de Gedragsregel die inhoudt dat De Register-Arbeidsdeskundige ernaar streeft zodanig op te treden dat goede collegiale verhoudingen worden bevorderd. In het bijzonder streeft hij ernaar zoveel mogelijk te vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van een collega Register-Arbeidsdeskundige. Hij vermijdt een collega te verdringen bij cliënt en/of opdrachtgever.
De Raad constateert allereerst dat er geen sprake is van schending van de tweede en derde volzin van dit artikel. De derde volzin niet omdat dit niet aan de orde; de tweede volzin niet op grond van het volgende:
Klaagster heeft het verweer van beklaagde niet in twijfel getrokken, dat hij uit hoofde van zijn functie het onderzoek van klaagster kritisch diende te toetsen, en evenmin dat hij geen afbreuk heeft willen doen aan de reputatie van klaagster als register-arbeidsdeskundige. Ook de Raad gaat daar van uit.
De Raad vindt de bewoordingen van de conclusie van beklaagde dat het onderzoek van klaagster "niet adequaat" is geweest, vrij neutraal en niet grievend. Deze kwalificatie doet geen afbreuk aan de reputatie van klaagster. Het enkele feit dat beklaagde tot een ander oordeel dan klaagster is gekomen, is dat evenmin.
Mede naar aanleiding van het verhandelde bij de mondelinge behandeling stelt de Raad vast dat het standpunt van klaagster er op neer komt dat de onderlinge collegialiteit van Register-Arbeidsdeskundigen voor beklaagde een verplichting schiep om in een geval als hier aan de orde (het oordeel van beklaagde als UWV arbeidsdeskundige week af van het oordeel van klaagster als door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige) op voorhand contact op te nemen met klaagster.
Resteert dus nog de vraag of er sprake is van een schending van de in de eerste volzin omschreven verplichting (= het streven naar het bevorderen van goede collegiale verhoudingen) nu beklaagde niet heeft voldaan aan de door klaagster voorgestane verplichting om op voorhand contact met haar op te nemen ter zake zijn van haar afwijkende arbeidskundige oordeel.
De Raad stelt voorop het wellevender te hebben gevonden, indien beklaagde met klaagster contact had opgenomen, om haar mee te delen dat hij tot een ander oordeel was gekomen. Dat oordeel levert echter nog geen schending van de betreffende Gedragsregel op.
De Raad kan in de eerste volzin van opgemelde Gedragsregel geen verplichting lezen, dat twee arbeidsdeskundigen, die verschillend oordelen over een gelijke casus, daarover
onderling contact moeten hebben. Dat staat er niet en vloeit ook niet noodzakelijkerwijs uit deze in de Gedragregel wel zeer ruim omschreven "verplichting" voort.
Voor de uitleg van deze bepaling acht de Raad richtinggevend de doelstelling van de SRA, te weten het scheppen en in stand houden van waarborgen t.a.v. de kwaliteit van de beroepsuitoefening van arbeidsdeskundigen en het beschermen van de belangen van een ieder in de Nederlandse samenleving, die met de beroepsuitoefening van de Register-arbeidsdeskundige in aanraking komt. In dat kader zijn immers de Gedragsregels SRA opgesteld.
Het is zeer goed mogelijk, dat arbeidsdeskundigen – zorgvuldig, deskundig en onpartijdig – tot een verschillend oordeel komen over een zelfde vraag in een zelfde casus. Dit moet niet gemaskeerd, maar juist transparant gemaakt worden. De verschillen van mening zullen toch primair moeten blijken uit de in het verslag van de beide arbeidsdeskundigen beschreven methode van onderzoek en de motivering van hun resultaten. Het is de Raad niet duidelijk, wat het door klaagster bepleite (voor)overleg tussen de twee arbeidsdeskundigen daaraan kan bijdragen. Kritiek op het onderzoek van een collega mag scherp zijn, mits ter zake en fair en goede collegiale verhoudingen brengen o.a. met zich mee dat zulks mogelijk is en gerespecteerd wordt.
De Raad acht het denkbaar, dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn, die in afwijking van bovenstaande wél tot voorafgaand onderling overleg nopen.
Naar het oordeel van de Raad is in casu van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die noopten tot het door klaagster verlangde vooroverleg echter niet gebleken.
Conclusie
Alles overwegende oordeelt De Raad de klacht van klaagster dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de Gedragsregel ter zake collegialiteit ongegrond.
Aldus gewezen op 16 maart 2010