Uitspraak 17 maart 2010

Uitspraak 17 maart 2010

van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen naar aanleiding van de klachten van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen de beklaagde.

Procesverloop

Bij brief d.d. 28 oktober 2009 heeft klager bij de SRA een aantal klachten ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft daarop bij brief d.d. 16 december 2009 gereageerd. Klager heeft daarop bij brief d.d. 21 januari 2010 zijn reactie gegeven. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 17 februari 2010. Klager heeft zich de dag van de zitting wegens ziekte afgemeld met het verzoek de zitting door te laten gaan. Beklaagde heeft zich eveneens afgemeld middels een schrijven.

Feiten

Klager is op 28 november 1991 aangereden door iemand, die zich bij een verzekeringsmaatschappij tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd had. Klager vordert van deze verzekeringsmaatschappij in rechte schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en immateriële schade als gevolg van dit ongeval. Bij vonnis d.d.
2 september 1997 wijst de Rechtbank de vordering van klager af, na voor klager negatief uitgevallen deskundigenonderzoek van een neuroloog, een neuropsycholoog en een orthopedisch chirurg.

Klager gaat in appel. Bij tussenvonnis d.d. 10 februari 1999 stelt het Gerechtshof vast, dat bij klager als gevolg van genoemd auto-ongeval een postwhiplash syndroom is ontstaan. Het Gerechtshof geeft partijen de gelegenheid zich uit te laten over aantal, hoedanigheid en persoon van de te benoemen deskundigen.

In dat verband wordt beklaagde door de advocate van klager om advies gevraagd. Beklaagde, die als arbeidsdeskundige in loondienst werkzaam is van het bureau X, was reeds vanaf 1994 door de advocate van klager in deze zaak betrokken.

Bij brief d.d. 22 februari 1999 raadt hij haar aan, in plaats van wederom een beperkingenprofiel door medici te laten vaststellen, om een belastbaarheidonderzoek te laten verrichten, met als argument dat de bestaande beperkingenprofielen niet zijn toegesneden op de specifieke klachten van klager (hoofdpijn, vermoeidheid etc). Uit de eerdere onderzoekingen van deskundigen was al een discrepantie gebleken tussen de geconstateerde lichamelijke en geestelijke beperkingen en de klachten van klager. Beklaagde beveelt in dat verband een onderzoek aan middels de Ergos Worksimulator. Ook noemt hij een aantal namen van mogelijke medische deskundigen en arbeidsdeskundigen.

De advocate van klager en vervolgens het Gerechtshof volgen beklaagdes advies, ondanks bezwaar van de verzekeringsmaatschappij. De uiteindelijke uitkomst is voor klager teleurstellend. Hij wordt bij arrest d.d. 18 oktober 2001 volledig geschikt geacht voor zijn werk als taxichauffeur alsmede voor andere passende arbeid.

Ruim vijf jaar later stelt klager bij email d.d. 16 december 2006 beklaagde aansprakelijk voor de door hem geleden schade wegens het onjuiste advies van beklaagde. Bij brief d.d. 27 mei 2007 herhaalt klager dit.

De klachten

De klachten luiden, zakelijk weergegeven, als volgt:

  1. Beklaagde heeft willens en wetens aan klager en zijn advocate de informatie onthouden dat zijn advies d.d. 22 januari 1999 onjuist was, omdat met de Ergos Worksimulator geen betrouwbare gegevens te verkrijgen waren over zijn arbeidsongeschiktheid. Beklaagde wist dit of moest dat weten ten tijde van zijn advisering.
  2. Beklaagde heeft zijn advies d.d. 22 januari 1999 gegeven zonder vooroverleg met zijn medisch adviseur.
  3. Beklaagde heeft zich gedragen als arts.
  4. Beklaagde heeft ten onrechte zijn kosten geclaimd.
  5. Beklaagde heeft klager aangezet tot het verzwijgen van voor de verzekeringsmaatschappij relevante informatie, namelijk dat hij ook nog slachtoffer is geweest van een taxioverval.
  6. Beklaagde heeft hem, nadat klager hem aansprakelijk had gesteld, bij brief d.d. 16 december 2006 beledigd en in een slecht daglicht gesteld.
  7. Beklaagde wil alleen kansrijke zaken in behandeling nemen.

Het verweer

  1. Beklaagde heeft geen informatie achtergehouden.
  2. Vooroverleg met de medisch adviseur was niet nodig.
  3. Beklaagde heeft zich niet als medicus gedragen.4. Beklaagde heeft zelf geen kosten geclaimd. Of het bureau, waarvoor hij werkt dat heeft gedaan en of die declaratie is voldaan, onttrekt zich aan zijn waarneming.
  4. Beklaagde betwist dat hij klager heeft aangezet tot geheimhouding. Wél heeft hij gewezen op de mogelijke consequenties van de taxioverval op de letselschade, die klager claimde i.v.m. zijn eerdere auto-ongeval.
  5. Beklaagde betwist dat hij klager in een kwaad daglicht heeft gesteld.
  6. Beklaagde betwist dat hij alleen kansrijke zaken in behandeling neemt. Het feit dat hij de zaak van klager behandeld heeft, bewijst zijns inziens het tegendeel.

Overwegingen van de Raad

De Raad beoordeelt naar aanleiding van een binnengekomen klacht of de gedragingen van een register-arbeidsdeskundige strijdig zijn met de Gedragsregels SRA. De Raad hoeft zich daarbij niet te beperken tot de strikte inhoud van de ingediende klachten noch een oordeel te geven over elke afzonderlijke klacht of onderdelen daarvan. De Raad is evenmin verplicht in te gaan op alle door partijen aangevoerde argumenten.

Tijdsverloop

De klachten hebben betrekking op feiten uit 1995,1999 en 2006 en zijn dus zeer gedateerd. De SRA kent geen regel, die het klachtrecht in de tijd beperkt, hoewel dat o.a. vanuit de optiek van de rechtszekerheid wenselijk zou zijn. Bij gebreke daarvan zal de Raad terughoudend opstellen t.a.v. zeer oude feiten, in het bijzonder bij het opleggen van een sanctie.

Het belang van klager

Op verzoek van de Voorzitter van de Raad heeft klager zijn belang aangegeven om na zo vele jaren nog een klacht tegen beklaagde in te dienen. Klager geeft aan dat hij destijds veel geld heeft betaald aan beklaagde, voor wat achteraf verkeerde adviezen bleken te zijn. Hij eist geen terugbetaling, maar een oordeel van de Raad over de handelswijze van beklaagde, die hij zo ernstig acht dat beklaagde alsnog uit het Register van de Stichting SRA dient te worden uitgeschreven.

Wat betreft de klachten:

De Raad verklaart de klachten, behoudens onderdeel 6, ongegrond op de volgende gronden.

Ad 1. Achterhouden van essentiële informatie

Klager beschuldigt beklaagde er van, dat hij in ieder geval kort na zijn hierboven vermeld advies d.d. 22 februari 1999 – namelijk om de belastbaarheid van klager door middel van Ergos Worksimulator vast te stellen – wist dan wel moest weten, dat deze methode ondeugdelijk was, en dat hij opzettelijk heeft nagelaten klager of diens advocate daaromtrent te informeren. Hij overlegt daartoe een aantal stukken van beklaagde zelf, die beklaagde de advocate van klager in 2002 had toegezonden.

Kennelijk is de redenering van klager, ten eerste dat het advies d.d. 22 februari 1999 fout was omdat een onderzoek met Ergos WorkSimulator niet deugdelijk kon zijn, en ten tweede dat beklaagde hem tijdig hem tijdig had moeten én kunnen waarschuwen dat zijn advies fout was geweest, zodat alsnog voorkomen kon worden dat het Gerechtshof het advies zou volgen.

Wat betreft de relevante feiten:
– TNO stuurt in maart 1999 aan de Bond van Verzekeraars de resultaten van haar onderzoek naar de deugdelijkheid van Ergos Worksimulator voor het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
– Beklaagde wist in april 1999, dat de verzekeraars zich op grond van dit rapport op het standpunt stelden, dat Ergos Worksimulator voor dat doel ondeugdelijk was.
– De verzekeringsmaatschappij verklaart zich in de procedure bij het Gerechtshof tegen een onderzoek met de Ergos Worksimulator. In de brief d.d. 10 mei 1999 van beklaagde aan de advocate van klager geeft hij aan het TNO rapport nog niet te kennen. Hij spreekt in die brief het vermoeden uit, dat de resultaten van het TNO-rapport ongunstig zijn voor de verzekeringsmaatschappijen, omdat met deze methode de beperkingen beter onderbouwd kunnen worden.
– In juni 1999 wordt daarover in de vakliteratuur het TNO rapport besproken.
– Op 24 juni 1999 krijgt beklaagde van een verzekeringsmaatschappij te horen, dat hij het aangevraagde TNO rapport niet krijgt, omdat het te dik is.
– Bij tussenarrest d.d. 30 juni 1999 benoemt het Gerechtshof de deskundigen.

Op grond van bovenstaande komt de Raad tot de conclusie, dat beklaagde in de relevante periode na zijn advies d.d. 22 februari 1999 tot de datum van arrest van het Gerechtshof (30 juni 1999)
– de inhoud van het TNO niet kende;
– tevergeefs getracht heeft dit rapport in handen te krijgen,
– en dus ook geen relevante invloed had kunnen uitoefenen om zijn eerder advies ongedaan te maken;
– klager en/of zijn advocate het standpunt van de verzekeringsmaatschappij kenden, maar daarin geen aanleiding zagen om op hun eerder ingenomen standpunt terug te komen.

De Raad acht de klacht, dat beklaagde opzettelijk de betreffende informatie heeft achtergehouden, daarom feitelijk onjuist.

Klager gaat er in zijn klaagschrift klakkeloos en zonder enige onderbouwing van uit, dat de Ergos Worksimulator als methode voor het vaststellen van zijn beperkingen ondeugdelijk was.
De Raad beperkt zich in reactie op die stelling er toe, dat in het beoordelingsproces over de (mate van) arbeidsongeschiktheid deze methode wel degelijk een nuttig aanvullend hulpmiddel kan zijn bij de vaststelling van iemands belastbaarheid/beperkingen voor een bepaalde functie. Dat was in 1999 niet anders dan nu.

In het geval van klager hadden drie medisch specialisten geen relevante beperkingen kunnen vaststellen. Onder die omstandigheid kan het nuttig zijn de omgekeerde weg te bewandelen door allereerst te onderzoeken óf en zo ja welke beperkingen klager had om zijn eigen functie als taxichauffeur uit te oefenen, om vervolgens na te gaan of die beperkingen een medische oorzaak hadden, en gerelateerd konden worden aan het ongeval in kwestie.

De Raad komt tot de slotsom, dat in de gegeven omstandigheden, voor zover die blijken uit het overgelegde – onvolledige – dossier, beklaagde ter zake van deze klacht en zijn verdere advisering aan de advocate van klager niet in strijd heeft gehandeld met enige Gedragsregel SRA.

Ad 2 en 3: ontbreken medisch advies cq handelen als medicus

Beklaagde heeft op verzoek van de advocate van klager destijds advies gegeven over de benoeming van één of meer deskundigen. Niet valt in te zien, waarom dit een aangelegenheid is van zuiver medische aard of dat daarvoor voorafgaand medisch advies noodzakelijk was. Uit niets blijkt, dat hij zich voor het overige als medicus heeft opgesteld. Het ging er destijds om welke beperkingen van klager konden worden vastgesteld, nadat reeds drie medici dat niet was gelukt.

Ad 4: declaratie

Klager heeft zijn klacht onvoldoende met feiten onderbouwd en met bewijsmiddelen gestaafd. De Raad kan daarom de klacht niet beoordelen, met de aantekening dat het verweer van beklaagde eveneens niet toereikend is.

Ad 5: aanzetten tot fraude

Klager heeft in 1991 een auto-ongeluk gehad, waarvoor hij schade claimde. De taxioverval vond in 1995 plaats. Dat eventuele schade als gevolg van de overval in 1995 een complicerende factor kon zijn voor zijn schadeclaim m.b.t. het ongeval in 1991, is een vanzelfsprekend onderwerp van overleg. Of beklaagde slechts op die complicatie gewezen heeft, dan wel tot verzekeringsfraude heeft aangezet, zoals klager stelt, kan de Raad niet vaststellen. Ieder spoor van bewijs ontbreekt. Aan een oordeel over de eventuele daaruit voortvloeiende schendingen van de Gedragsregels SRA komt de Raad daarom niet toe.

Ad 6; Belediging en in kwaad daglicht stellen

Klager stelt beklaagde bij brief d.d. 16 december 2006 naar zijn zeggen aansprakelijk. Beklaagde reageert in ieder geval bij brief d.d. 18 december 2006. Hij vangt zijn brief aan met een op internet gevonden bericht over klager onder het vetgedrukte kopje: "Taxibedrijf zeikt in Y", en neemt de inhoud daarvan als citaat over. Volgens beklaagde bedoelde hij op deze wijze aan te geven hoe hij aan het telefoonnummer van klager gekomen was.

Dat verweer is niet ter zake. Klagers telefoonnummer komt in het bericht niet voor. Het bericht gaat er integendeel over dat klager telefonisch niet bereikbaar is. Het citaat voegt ook niets toe aan de inhoud van de brief van beklaagde en is daarom overbodig.

De Raad is van oordeel dat beklaagde niet anders bedoeld heeft, dan de kop van het citaat suggereert, namelijk dat klager niet moet "zeiken".

De Raad acht het opnemen van dit citaat in strijd met de normen van fatsoen en professionaliteit, en vindt de klacht daarom gegrond zonder daaraan overigens een sanctie aan te verbinden.

Ad. 7; alleen kansrijke zaken in behandeling nemen

Bij gebrek aan zinvolle ondersteunende informatie en/of argumentatie laat de Raad deze klacht onbesproken.

Conclusie

De Raad acht de klachten ongegrond, behoudens de klacht over het citaat in de brief van
18 december 2006, zonder daarvoor een sanctie te overleggen.

Aldus besloten op 17 maart 2010