Uitspraak AT 22 oktober 2014

Uitspraak AT 22 oktober 2014

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”,  op de klacht van klager,  tegen register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. M.J.J. de Ridder, advocaat te Utrecht.

Procesverloop

Op 3 februari 2014 is door klager een klacht met bijlagen genummerd A1 t/m A99 over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.

Bij brief van 18 april 2014 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd.

Met de brief van 7 juni 2014 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA  aan het secretariaat SRA  kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

Bij brief van 28 juni 2014 met bijlagen genummerd A110 t/m A113 en 5 handgeschreven notities heeft klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd en de klacht aangevuld.

Op 23 september 2014 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 25 september 2014. Klager is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Beklaagde is  ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Na opening van de zitting is de behandeling ter zitting met instemming van klager en beklaagde geschorst teneinde klager in de gelegenheid te stellen het verweerschrift van beklaagde van 23 september 2014 te lezen. Na hervatting van de behandeling ter zitting zijn de standpunten toegelicht. Daarbij is door klager ook op het verweerschrift van 23 september 2014 van beklaagde gereageerd en zijn vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Het Tuchtcollege  gaat uit van de volgende feiten.

Per 2 februari 2011 is klager, die werkzaam was als docent op een middelbare school, volledig arbeidsongeschikt uitgevallen voor het eigen werk.

Beklaagde is in dienst van de arbodienst die ten tijde van de arbeidsongeschiktheid van klager de ziekteverzuimbegeleiding voor genoemde school uitvoerde.

Vanaf ongeveer oktober 2011 is beklaagde, via de arbodienst in opdracht van werkgever, als arbeidsdeskundige betrokken bij de begeleiding van klager in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter (WVP)-verplichtingen. Aanvankelijk liep beklaagde mee met een collega, vanaf eind 2011/begin 2012 heeft beklaagde het dossier volledig overgenomen en zelfstandig behandeld.

In het kader van zijn arbeidsdeskundige betrokkenheid heeft beklaagde contact met klager gehad en diverse rapportages betrekking hebbend op de re-integratie van klager opgesteld.

Beklaagde is tot het einde van de wachttijd en de aanvraag van een WIA-uitkering bij het dossier van klager  betrokken geweest.

De klachten

Blijkens de brief van 3 februari 2014 verwijt klager beklaagde dat beklaagde niet integer en onbetrouwbaar is, dat beklaagde valse verklaringen heeft afgelegd, op “de stoel van de bedrijfsarts” is gaan zitten en niet onafhankelijk is. Verder klaagt klager er over dat beklaagde er mede voor heeft gezorgd, dat klager weer in een ernstige crisis (suïcidaal) terecht kwam, dat beklaagde incompetent is, zonder toestemming medische gegevens over klager heeft verspreid en deel uitmaakt van een “onbetrouwbaar, leugenachtig, frauderend, asociaal driemanschap”. Ter zitting heeft klager bevestigd dat dit inderdaad zijn klachten zijn en aangegeven dat onderdeel van zijn klachten ook is, dat beklaagde hem niet of nauwelijks op de hoogte heeft gehouden van zijn werkzaamheden.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege de klacht  aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Bij de beoordeling van onderhavige  klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 1 en 3 aanhef en onder d van de Gedragscode SRA, hierna: “Gedragscode”, van belang. In artikel 1 Gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 2 lid 1 bepaalt, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht en zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. Artikel 3 aanhef en onder d vermeldt dat de arbeidsdeskundige zich bij zijn rapportage beperkt tot zijn deskundigheidsgebied.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Op grond van het hetgeen hiervoor is aangeven, overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Niet-ontvankelijke klachten

Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.  

De klachten, dat beklaagde er mede voor heeft gezorgd, dat klager weer in een ernstige crisis (suïcidaal) terecht kwam, dat beklaagde incompetent is en deel uitmaakt van een “onbetrouwbaar, leugenachtig, frauderend, asociaal driemanschap” hebben geen betrekking op gedrag van beklaagde en zijn als zodanig geen klacht in de zin van het hiervoor genoemde artikel 1 Tuchtreglement SRA.

Het Tuchtcollege verklaart deze klachten dan ook niet-ontvankelijk en laat deze als zodanig verder buiten beschouwing.

Ontvankelijke  klachten 

De klachten dat beklaagde niet integer en onbetrouwbaar is , valse verklaringen heeft afgelegd,  “op de stoel van de bedrijfsarts is gaan zitten”, niet onafhankelijk is, zonder toestemming medische gegevens van klager heeft verspreid en klager niet of nauwelijks op de hoogte heeft gehouden van zijn werkzaamheden, betreffen gedrag van beklaagde in de zin van artikel 1 Tuchtreglement SRA en zijn als zodanig aan het oordeel van het Tuchtcollege onderworpen.

Ter zake van deze klachten overweegt het Tuchtcollege het volgende.

1.       Notities en rapportages

Ter zitting is gebleken dat de klacht dat beklaagde niet integer en onbetrouwbaar is, niet onafhankelijk heeft gehandeld en valse verklaringen heeft afgelegd, door klager met name wordt gebaseerd op een aantal notities en rapportages die beklaagde  heeft opgesteld. Dit betreft onder andere de notities “Actie/verslag” van beklaagde aangemaakt op 10 en 16 februari, 5 april en 4 mei 2012 (bijlagen A16, A17, A18, A19, A25 en A26+27 van klager) en de Bijstelling probleemanalyse van beklaagde  van 1 juli 2011 en 24 februari 2012 (bijlagen A20 en A23 van klager).

Het is het Tuchtcollege opgevallen dat de drie notities “Actie/verslag” van beklaagde van 16 februari 2012 (bijlagen A16, A17 en A18 van klager) enkele minuten na elkaar rond 15.00 uur op die 16de februari zijn aangemaakt. De notities vermelden als actie “Overleg werknemer”. Klager bestrijdt dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden, beklaagde geeft aan wel (telefonisch) overleg met klager te hebben gehad, maar dat de data die genoemd worden in de notities niet juist zijn. Het Tuchtcollege constateert dat in de notities in 2 gevallen bij “Uitvoeren voor” data worden genoemd die zijn gelegen voor 16 februari 2012. Opvallend is verder dat bij “Urenverantwoording” respectievelijk “16-02-2012 0 uren”, “14-02-2012 60 minuten” en “26-01-2012 0 uren” zijn aangegeven. Dat correspondeert niet met het standpunt van beklaagde dat diverse gesprekken met klager hebben plaatsgevonden (dan kan immers niet sprake zijn van “0 uren”).

Bovendien corresponderen de data waarop de notities zijn aangemaakt niet met de data die onder aan de notities “Actie/verslag” worden genoemd. Ten slotte bevatten de betreffende notities korte verslagen waarvan niet duidelijk is of en zo ja of deze zijn terug te voeren op gesprekken met klager, dan wel het slechts om aantekeningen van beklaagde gaat en -als het gaat om gesprekken- wanneer deze gesprekken zijn gevoerd. Ter zitting is duidelijk geworden dat over deze notities geen terugkoppeling door beklaagde met klager heeft plaatsgevonden.

De notitie “Actie/verslag” door beklaagde aangemaakt op 10 februari 2012 (bijlage A19 van klager) vermeldt dat de notitie is aangemaakt “door Automatische routine” en verwijst zonder nadere verslaglegging naar “overige notities”. Opvallend is, dat bij “Urenverantwoording” een datum wordt genoemd die ligt na 10 februari 2012, namelijk: “16-02-2012 0 uren”. Bij de notities “Actie/verslag” van 5 april en 4 mei 2012 (bijlagen A25 en A26+27 van klager) is sprake van dezelfde feiten.

De Bijstellingen probleemanalyse WIA van 1 juli 2011 en 24 februari 2012 zijn door beklaagde ondertekend bij “Naam bedrijfsarts”. In het daarvoor gebruikte standaardformulier van het UWV wordt aangegeven dat de bedrijfsarts verantwoordelijk is voor de opstelling van dit document. Vastgesteld en door beklaagde erkend is, dat beklaagde geen bedrijfsarts is. Opvallend is dat de datum van de Bijstelling probleemanalyse van 1 juli 2011 is gelegen voor de periode waarin beklaagde bij het dossier van klager betrokken raakte. Beklaagde erkent dat de twee bijstellingen probleemanalyse WIA  niet op deze manier hadden mogen worden ondertekend en aan het dossier van klager hadden mogen worden toegevoegd. De organisatie van beklaagde heeft volgens beklaagde inmiddels de protocollen aangepast zodat deze fout niet meer kan voorkomen.

Ter zitting is bovendien komen vast te staan, dat geen terugkoppeling met klager heeft plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van de genoemde notities en bijstellingen probleemanalyse. Klager heeft pas achteraf en nadat hij daarom zelf heeft moeten verzoeken bij de arbodienst het dossier toegezonden gekregen en kennis genomen van de betreffende stukken. Aan hem was daarvan blijkbaar noch door beklaagde, noch diens arbodienst dan wel de werkgever mededeling gedaan. Dit is ook niet ontkend door beklaagde.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde met de hiervoor beschreven herhaalde slordige, onduidelijke en onzorgvuldige wijze van rapporteren in strijd heeft gehandeld met de algemene zorgplicht van artikel 1 van de Gedragscode. Van de register-arbeidsdeskundige wordt een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Met name laakbaar acht het Tuchtcollege dat beklaagde genoemde bijstellingen probleemanalyse als “bedrijfsarts” en in één geval met vermelding van een volstrekt onacceptabele datum heeft ondertekend. De Bijstelling probleemanalyse WIA betreft een voor het Poortwachter-dossier en het UWV belangrijk document, dat betrouwbaar en juist dient te zijn. Zeker ter zake van deze documenten wordt van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van nauwkeurigheid en oplettendheid verwacht.

Voorts heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met de informatieplicht van artikel 2 lid 1 van de Gedragscode. Zoals het Tuchtcollege eerder heeft geoordeeld, is de grondgedachte van de gedragsregels dat degene die onderwerp is van arbeidsdeskundig onderzoek over het onderzoek alsmede over de aard, inhoud en doel daarvan wordt geïnformeerd. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld en gegevens die in het kader van arbeidsdeskundig onderzoek dan wel arbeidsdeskundige begeleiding worden verkregen, worden geverifieerd. Zeker als sprake is van arbeidsdeskundige begeleiding in het kader van Poortwachter dient een cliënt op de hoogte te zijn van de werkzaamheden en rapportages van de arbeidsdeskundige (Zie onder andere de eerdere uitspraken van 22 oktober 1997, 22 januari 2010 en 19 augustus 2013). Het is naar de opvatting van het Tuchtcollege de verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige om zich daarvan te vergewissen.

Het Tuchtcollege is van oordeel, dat beklaagde dit onvoldoende heeft gedaan. Zeker gezien de positie en aandoening van klager had het op de weg van beklaagde gelegen om over zijn werkzaamheden en rapportages verifieerbaar en duidelijk  met klager te communiceren. Bij de opstelling van de diverse notities en rapportages heeft beklaagde niet de zorg betracht die van hem als arbeidsdeskundige verwacht mag worden door niet na te gaan of zijn rapportages klager bereikt hadden en klager daarop nog wenste te reageren.

Het verweer van beklaagde dat zijn werkwijze voorkomt uit het systeem dat wordt gehanteerd bij de arbodienst waar hij werkzaam is, en door beklaagde ter zitting is toegelicht, wordt door het Tuchtcollege verworpen. Het Tuchtcollege benadrukt dat een register-arbeidsdeskundige, ook als deze in dienst is bij een arbodienst, een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft, mede in het licht van het genoemde artikel 1 en artikel 2 lid 1 Gedragscode. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde die verantwoordelijkheid veronachtzaamd en  bij opstelling van zijn notities en rapportages over klager niet de zorg jegens klager betracht die van hem als arbeidsdeskundige verwacht mag worden.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat de door klager geuite klachten met betrekking tot genoemde  notities en rapportages van beklaagde en de informatievoorziening daarover aan klager gegrond zijn.

2.       Medische oordelen

De klacht dat “beklaagde op de stoel van de bedrijfsarts is gaan zitten” vat het Tuchtcollege op als klacht dat beklaagde medische oordelen heeft gegeven over de situatie van klager, terwijl dat niet de taak en expertise van beklaagde als arbeidsdeskundige was.

Bij deze klacht doelt klager onder andere op het medische oordeel van beklaagde in de notitie “Actie/verslag” aangemaakt op 16 februari 2012 15:05 (bijlage A18 van klager), dat hij denkt “dat de medische oorzaak aan de basis ligt van het conflict”, daarmee doelend op het conflict tussen klager en zijn werkgever. Voorts doelt klager op de eerder genoemde bijstellingen van de probleemanalyse (bijlage A20 en A23 van klager), waarin beklaagde uitspraken doet over de belastbaarheid van klager.

Klager wijst ook de “Rapportage bedrijfsarts” van 24 mei 2012 (bijlage  A28 van klager) waarin als vraagstelling van beklaagde aan de bedrijfsarts is opgenomen: “Wn acht zichzelf niet in staat tot gesprekken met werkgever, ik acht hem daar wel toe in staat. Wat is de visie van de BA?”. Een zelfde vraagstelling is opgenomen in de notitie “Actie/verslag” van 4 mei 2012 van beklaagde (bijlage A26+27). Ten slotte meent klager dat beklaagde in de “Rapportage Monitoring Probleemanalyse” van 24 februari 2012 zich een medisch oordeel aanmeet met zijn opmerking, dat “de situatie erg ziekmakend” is voor werknemer.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege klaagt klager er terecht over, dat beklaagde zich met deze opmerkingen en vraagstelling inderdaad medische oordelen heeft aangemeten en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als arbeidsdeskundige. Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder d van de Gedragscode en is deze klacht ook gegrond.

3.       Verstrekking van medische gegevens

De laatste te behandelen klacht betreft de klacht dat beklaagde zonder toestemming van klager medische gegevens over klager heeft verspreid en daarmee de privacy van klager heeft aangetast.

Daarmee doelt klager naar het Tuchtcollege ter zitting heeft begrepen op de gegevens die door beklaagde bij punt 2 van het “Actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA” van 7 november 2012 (bijlage A12 t/m A15 van klager) worden vermeld. Volgens klager zou beklaagde daar gegevens hebben vermeld ontleend aan een gesprek op 27 januari 2011 waarvan is toegezegd dat dit vertrouwelijk zou zijn (daarbij verwijst klager naar de brief van de arbodienst van 21 januari 2011, bijlage A95 van klager). Beklaagde heeft ter zitting aangegeven dat het genoemde actueel oordeel uitsluitend naar klager als werknemer is gestuurd en hij geen medische gegevens van klager aan anderen heeft verstrekt. Beklaagde heeft aangeven dat de vermelde gegevens waarop door klager wordt gedoeld, niet zijn ontleend aan het vertrouwelijke gesprek van 27 januari 2011.

Het is het Tuchtcollege niet gebleken dat in het genoemde door beklaagde opgestelde actueel oordeel medische gegevens over klager worden vermeld. Voorts kan het Tuchtcollege uit de betreffende rapportage niet afleiden, dat daarin gegevens worden vermeld die zijn ontleend aan het vertrouwelijke gesprek van 27 januari 2011 dan wel op andere wijze vertrouwelijk zijn.

Deze klacht mist naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook feitelijke grond en dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klachten gegrond zijn voor zover dat hiervoor is aangegeven. Voor het overige zijn de klachten van klager naar het oordeel van het Tuchtcollege niet-ontvankelijk dan wel ongegrond.

Tuchtmaatregel

Nu sprake is van gegronde klachten over de handelwijze van beklaagde, is de vraag aan de orde of een tuchtmaatregel aan beklaagde moet worden opgelegd en, zo ja, welke tuchtmaatregel genoemd in artikel 22 lid 1 Tuchtreglement SRA dit dient te zijn.

Ten einde meer inzicht te bieden in de afwegingen die door het Tuchtcollege bij beantwoording van deze vraag worden gemaakt en daarin meer uniformiteit aan te brengen, overweegt het Tuchtcollege het volgende. Een waarschuwing zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 onder b Tuchtreglement SRA is te omschrijven als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Een berisping (artikel 22 lid 1 onder c Tuchtreglement SRA) heeft een duidelijk verwijtende en veroordelende strekking (zie : MvT, Kamerstukken II 1985-1986, 19 522, nr. 3, p. 76).

Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan -hoewel beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk werd veroordeeld- met een waarschuwing in deze zaak niet worden volstaan, omdat beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege laakbaar heeft gehandeld door tot tweemaal toe als bedrijfsarts de bijstellingen probleemanalyse met daarin oordelen over de belastbaarheid van klager te ondertekenen. Deze handelwijze is uitermate schadelijk voor het aanzien van de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen. Voorts laat het Tuchtcollege bij de oplegging van de maatregel meewegen, dat beklaagde, zelfs na daarop ter zitting te zijn bevraagd, weinig tot geen besef toonde van de ernst van de nalatigheden in de door hem gevolgde handelwijze .  

Op grond hiervan is het Tuchtcollege van oordeel, dat oplegging van  de maatregel van een  berisping op zijn plaats is.

Beslissing

De Raad verklaart de klacht gegrond voor zover dat hiervoor is aangegeven en legt beklaagde ter zake de maatregel van een berisping op.

Aldus gegeven op 22 oktober 2014 door M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter, F. Hoebink en J. Wijnekus, leden.

Voor dezen:

M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter