Uitspraak van 24 mei 2019 (klacht 19/50 AT)

Uitspraak van 24 mei 2019 (klacht 19/50 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.

Procesverloop

Op 6 november 2018 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn een groot aantal bijlagen gevoegd.

Op 16 januari 2019 heeft beklaagde op de klacht gereageerd. Aan deze reactie zijn 2 bijlagen gehecht.

Met een ongedateerd bericht heeft klager zijn klacht daarna aangevuld.

Bij brief van 4 februari 2019 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

Met het e-mailbericht van 9 februari 2019 heeft klager aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen. Daarbij heeft klager zijn klacht nader uitgewerkt en een groot aantal bijlagen overgelegd.

Op 3 april 2019 heeft beklaagde een verweerschrift met bijlagen ingediend.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 2 mei 2019. Ter zitting is, in aanwezigheid van zijn echtgenote, klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

Het Tuchtcollege gaat –voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.

Op 17 september 2018 heeft beklaagde van de werkgever van klager in het kader van een voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV met betrekking tot klager opdracht gekregen een onderzoek te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden van klager.

In dat verband heeft beklaagde op 28 september 2018 telefonisch overleg gepleegd met de werkgever. Op dezelfde dag bezoekt beklaagde klager thuis voor een gesprek.

Tijdens dit gesprek wordt door beklaagde op verzoek van klager vertrouwelijkheid aan klager beloofd en wordt afgesproken dat beklaagde zijn advies eerst in concept aan klager zal sturen om het commentaar en de bevindingen van klager te vernemen alvorens dit advies aan de werkgever wordt gepresenteerd.

Op 29 september 2018 stuurt klager beklaagde nog een e-mailbericht waarin klager beklaagde sommeert met een voorstel voor taken te komen, in ieder geval binnen de eigen functie, dan wel ander passend werk met dezelfde verdiensten. Bovendien wijst klager beklaagde er nogmaals op, dat het advies en de informatie van beklaagde pas aan de werkgever mag worden verstrekt na schriftelijke instemming van beklaagde.

Klager vraagt aan de werkgever op 30 september 2018 een lijst met de interne en externe vacatures en functiebeschrijvingen.

Op 1 oktober 2018 stuurt beklaagde de bij de werkgever opgevraagde functiebeschrijvingen, de lijst met functies tot en met schaal 11 en een overzicht van de meest recente vacatures aan klager door met het verzoek aan klager om aan te geven voor welke functies of vacatures hij belangstelling heeft, zodat beklaagde kan afwegen of deze passend zijn. Daarbij vraagt beklaagde aan klager:

“Is het haalbaar om hier binnen een week op te reageren (dus voor 9 oktober 2018).”

Klager reageert op 2 oktober 2018 met het volgende bericht:

“Nog even, mijn informatie naar jou wordt pas opgestuurd nadat ik toestemming heb gegeven. Ik weet namelijk niet welke invloed het heeft op de procedure en mijn kans om voor de restverdiencapaciteit te blijven werken. Volgende week dinsdag spreek ik op uitnodiging de uwv arbeidsdeskundige. Ik ga hem nog eens alles voorleggen en vragen om een nieuw oordeel. Ik ben nu een docent en kan daarin ook nog gewoon functioneren voor die restcapaciteit, behalve voor onderwijsuitvoering. Ik wil je nogmaals benadrukken dat ik dat al voor een halve baan deed in 2015 en 2016. Daarnaast kan ik taken vervullen in de andere functies. Het lijstje met vacatures is niet relevant, alsmede niet de schaal 11. Ik zat in 12.”

Klager geeft daarbij ook aan dat zijn werkgever verantwoordelijk is en dient te zorgen voor taken die in schaal 12 passen in een leuke uitdagende functie.

Op 8 oktober 2018 stuurt beklaagde zijn conceptadvies aan klager. Conclusie van beklaagde is dat er op dat moment geen arbeidsmogelijkheden bij werkgever zijn die aansluiten bij de wensen van klager dan wel passend zijn. In het e-mailbericht van beklaagde aan klager is het volgende vermeld:

“Bijgaand tref je mijn advies. Uiteraard stuur ik het conform belofte eerst naar jou op. Zou je het met de UWV-AD willen bespreken? Ik verneem graag je reactie. Zou dat op woensdag (de dag na jouw onderhoud met de UWV arbeidsdeskundige) kunnen zijn?”

Op 10 oktober 2018 ontvangt beklaagde van klager de volgende reactie:

“Naar aanleiding van het concept rapport arbeidsdeskundige advisering waar de datum ontbreekt maar die is binnengekomen op 8 oktober 2018, geef ik de volgende reflectie: Het rapport bevat te veel tekortkomingen en vooringenomenheden om te kunnen spreken van een objectief en sluitend advies. Ik ga er van uit dat alle informatie geheim blijft en zo spoedig mogelijk wordt vernietigd. Ik zie de discussie hierover graag tegemoet bij de rechtbank. Ik wens verder niet meer benaderd te worden door u. Voor de rest wil ik u bedanken voor het prettige gesprek dat ik met u mocht hebben en wens u alle goeds.”

Naar aanleiding van dit bericht besluit beklaagde zijn opdracht te beëindigen en antwoordt hij klager op 10 oktober 2018 als volgt:

“Dank voor de mail. Fijn dat u snel reageert. Ik zal [werkgever] laten weten dat ik niet kan adviseren omdat u vindt dat het rapport teveel tekortkomingen en vooringenomenheden bevat om te komen tot een sluitend advies. Ik kondig dus aan dat ik [werkgever] de opdracht teruggeef met de reden waarom. Ik ga bewust niet in op de inhoud van alle gesprekken, mailwisselingen en overige communicatie.”

Met een e-mailbericht van dezelfde datum laat beklaagde de werkgever van klager weten:

“Ik heb afgelopen maandag mijn conceptrapport naar [klager] gestuurd en gevraagd naar een reactie. Ik heb hem verzocht uiterlijk woensdag 10-10-2018 te zullen reageren. Vandaag kreeg ik de volgende reactie: Het rapport bevat teveel tekortkomingen en vooringenomenheden om te kunnen spreken van een objectief en sluitend advies. Verder de volgende opmerking: Ik ga er van uit dat alle informatie geheim blijft en zo spoedig mogelijk wordt vernietigd. [Klager] wenst niet meer benaderd te worden door mij. Op grond van het bovenstaande wil ik u laten weten dat ik de vraagstelling aangaande passende re-integratiemogelijkheden binnen [werkgever] niet kan beantwoorden.”

Vervolgens heeft klager naar aanleiding van stukken die hij van de werkgever en het UWV ontving (waarin de activiteiten van beklaagde, naar het Tuchtcollege aanneemt, blijkbaar zijn vermeld) beklaagde in e-mailberichten van 18 oktober 2018 en 21 oktober 2018, kort gezegd, verweten dat hij de afgesproken vertrouwelijkheid en geheimhouding heeft geschonden. Beklaagde heeft dit met een e-mailbericht aan klager van 22 oktober bestreden, aangeven aan werkgever alleen te hebben meegedeeld dat hij niet kan adviseren en klager doorverwezen naar het secretariaat SRA voor indiening van een klacht.

Op 26 oktober 2018 en 29 oktober 2018 stuurt klager nog e-mailberichten aan beklaagde met inhoudelijke vragen over en inhoudelijk commentaar op het conceptadvies van beklaagde. Beklaagde laat daarop aan klager weten dat hij het verstandig acht daar niet (meer) op te reageren nu zijn opdracht is beëindigd en klager het voornemen heeft een klachtprocedure te beginnen.

Op 6 november 2018 dient klager zijn klacht in bij het secretariaat SRA.

De klachten

Klager verwijt beklaagde het volgende:

  1. Beklaagde was bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet onafhankelijk en vooringenomen doordat hij vaak opdrachten doet voor de betreffende werkgever en daardoor te afhankelijk is van deze opdrachtgever dan wel daar dan een te nauwe relatie mee heeft om nog onafhankelijk en niet vooringenomen te zijn.

  2. Het conceptadvies van beklaagde van 8 oktober 2018 bevat 5 fouten.

  3. Beklaagde heeft door zijn informatie aan de werkgever de met klager afgesproken vertrouwelijkheid en/of geheimhouding geschonden.

  4. De handelwijze van beklaagde was gehaast, er werd klager te weinig tijd gegeven voor een reactie. Er was sprake van onnodige tijdsdruk op klager.

  5. Beklaagde heeft door gebruikmaking van informatie van het UWV en de bedrijfsarts de medische geheimhoudingsplicht geschonden.

De onderdelen van de klacht hebben allen betrekking op de zorgplicht van de register-arbeidsdeskundige zoals vastgelegd in artikel 1 Gedragscode SRA.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

In deze zaak gaat het daarbij dus om de handelwijze van beklaagde met betrekking tot het conceptadvies van 8 oktober 2018.

Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klager: het Tuchtcollege geeft in deze zaak dus geen oordeel over de handelwijze van de werkgever van klager, de handelwijze van de advocaat van de werkgever, de handelwijze van het UWV en ook niet over de (omvang van de) door klager gestelde schadelijke gevolgen van de handelwijze van beklaagde voor klager. Ook hetgeen in deze zaak bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan de orde is geweest, maakt geen onderdeel uit van deze procedure.

Bij de beoordeling van onderhavige klacht is, zoals reeds aangegeven, met name artikel 1 van de Gedragscode SRA van belang. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Op grond van de genoemde feiten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de inhoud van de klacht als volgt. Daarbij volgt het Tuchtcollege de hiervoor aangegeven nummering van de onderdelen van de klacht.

Klachtonderdeel 1: niet onafhankelijk

Dat beklaagde bij uitvoering van zijn werkzaamheden niet-onafhankelijk, maar vooringenomen was, blijkt niet uit de aan het Tuchtcollege overgelegde stukken en is door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege niet feitelijk onderbouwd. Ook op de zitting bij het Tuchtcollege heeft klager dit niet aan kunnen geven. Het enkele door klager gestelde feit dat beklaagde vaak opdrachten voor dezelfde opdrachtgever uitvoert, maakt naar de opvatting van het Tuchtcollege niet dat een register-arbeidsdeskundige meer onafhankelijk bij uitvoering van zijn werk vooringenomen is.

Dit onderdeel van de klacht is volgens het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 2: fouten

Klager heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege een redelijke tijd en gelegenheid gehad om het op het conceptadvies van beklaagde van 8 oktober 2018 te reageren en daarbij eventuele fouten in het concept aan te geven. Het beginsel van hoor en wederhoor is door beklaagde op een juiste wijze toegepast. Klager heeft er voor gekozen om niet op het conceptadvies te reageren en heeft dit op 10 oktober 2018 aan beklaagde laten weten. Beklaagde heeft daarop zijn opdracht beëindigd. Pas op 29 oktober 2018, dus ruimschoots na het beëindigen van de opdracht, heeft klager alsnog inhoudelijke vragen gesteld over en commentaar geleverd op het conceptadvies.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde op dat moment terecht aan klager aangegeven daarop niet meer te reageren.

Het gaat klager naar het oordeel van het Tuchtcollege niet aan om, terwijl hij eerder bewust afzag van een reactie op het conceptadvies, nu nog over fouten in het conceptadvies te klagen. Het Tuchtcollege wijst er daarbij op, dat beklaagde zijn advies nimmer heeft afgerond, maar de opdracht na de mail van klager van 10 oktober 2018 heeft beëindigd en geen advies heeft uitgebracht.

Ook dit onderdeel van de klacht acht het Tuchtcollege daarom ongegrond.

Aan beklaagde geeft het Tuchtcollege nog wel mee, dat het naar betrokkenen toe duidelijker is en onnodige misverstanden worden voorkomen als op een conceptadvies of concept-rapport door beklaagde ook nadrukkelijk wordt vermeld dat het om een concept gaat. Het Tuchtcollege adviseert beklaagde dat in het vervolg te doen.

Klachtonderdeel 3: schending geheimhouding

Voor de klacht dat beklaagde de afgesproken vertrouwelijkheid en/of geheimhouding heeft geschonden, ontbreekt naar het oordeel van het Tuchtcollege een feitelijke grond. Overeenkomstig de gemaakte afspraken heeft beklaagde zijn advies eerst in concept aan klager voorgelegd. Klager heeft op dit concept kunnen reageren, maar heeft er voor gekozen dit niet te doen en aan beklaagde te berichten dat deze zijn werkzaamheden dient te beëindigen. Met de e-mailberichten van 10 oktober 2018 heeft beklaagde aan klager en aan de werkgever uitsluitend laten weten, dat hij geen advies kan uitbrengen en hij de opdracht beëindigt. Met het e-mailbericht van 10 oktober 2018 aan de werkgever van klager is de afgesproken vertrouwelijkheid en/of geheimhouding naar het oordeel van het Tuchtcollege niet geschonden. Voor het overige heeft beklaagde. Behalve genoemde mededeling aan de werkgever, heeft de werkgever, voor zover het Tuchtcollege bekend, geen mededelingen aan de werkgever en/of derden gedaan.

Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel 4: tijdsdruk

Van haast dan wel onnodige tijdsdruk op klager is het Tuchtcollege noch uit het dossier noch uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, gebleken. Integendeel: het Tuchtcollege is van mening dat beklaagde aan klager redelijke reactietermijnen heeft gegeven en aan klager daarbij, zo blijkt uit de berichten van beklaagde aan klager, ook de nodige flexibiliteit heeft getoond. Beklaagde heeft ten aanzien daarvan naar het oordeel van het Tuchtcollege zorgvuldig gehandeld.

Dit onderdeel van de klacht is volgens het Tuchtcollege ook ongegrond.

Klachtonderdeel 5: schending medisch geheim

Ten slotte is klager van mening dat beklaagde in strijd met de medische geheimhoudingsplicht heeft gehandeld door informatie van het UWV en de bedrijfsarts te gebruiken. Het Tuchtcollege merkt ten aanzien daarvan op, dat niet is gebleken dat de informatie waar klager op doelt medische informatie betreft.

Het gaat, naar het Tuchtcollege heeft begrepen, om informatie over de functionele mogelijkheden en/of beperkingen van de werknemer die door het UWV en de bedrijfsarts aan de werkgever werden verstrekt en door de werkgever in kader van de arbeidsdeskundige advisering door beklaagde noodzakelijkerwijs aan beklaagde is doorgegeven.

Het Tuchtcollege concludeert dan ook dat van schending van de medische geheimhouding geen sprake is en ook dit klachtonderdeel derhalve ongegrond is..

Het Tuchtcollege komt tot het oordeel dat door beklaagde niet in strijd met de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA is gehandeld. De klacht dient naar het oordeel van het Tuchtcollege ter zake van alle onderdelen van deze klacht ongegrond te worden verklaard.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht ongegrond is.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 24 mei 2019 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois, lid

F. Hoebink, lid