Uitspraak CAT 20 juni 2019

Uitspraak CAT 20 juni 2019

Zaaknummer 19-15 CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van

klaagster in hoger beroep,

tegen

verweerder in hoger beroep.

Procesverloop

1.1 Bij beroepschrift van 14 januari 2019 heeft klaagster tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 6 december 2018 met zaaknummer 18-46/AT, gegeven tussen klaagster en beklaagde. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’

1.2 Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 21 februari 2019.

1.3 Na verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling zijdens klaagster heeft op 31 mei 2019 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster, ter zitting bijgestaan door haar gemachtigde, en beklaagde, bijgestaan door zijn raadsman, hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van klaagster heeft pleitaantekeningen overgelegd.

1.4 Ten slotte is uitspraak bepaald.

De feiten

2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tucht­college onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld, nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht. Het gaat daarbij om het volgende.

2.2 Klaagster is slachtoffer van een verkeersongeval dat plaatsvond op 29 augustus 2011. Zij is op die datum aangereden door een vrachtwagen.

2.3 Tussen klaagster en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de vrachtwagen is sprake van een civielrechtelijk geschil over de omvang van de aan klaagster als gevolg van het ongeval te vergoeden schade. In het kader van dat geschil is beklaagde – register-arbeidsdeskundige – bij beschikking van 1 februari 2017 door de rechtbank Limburg op een daartoe strekkend verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht benoemd als deskundige teneinde een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar, kort samengevat, de beperkingen die klaagster ondervindt bij het verrichten van arbeid in de eigen onderneming, huishoudelijk werk en/of andere werkzaamheden en de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster.

2.4 Op 25 juli 2017 heeft beklaagde zijn concept-rapportage aan de rechtbank en aan de betrokken partijen toegestuurd en is aan hen de mogelijkheid geboden om op het concept-rapport te reageren. Het concept-rapport bevat onder meer de volgende passage:

Verdeling huishoudelijke taken

Betrokkene geeft aan dat zij voor het haar overkomen ongeval, zonder hulp van haar man, het huishouden deed. Zij had wekelijks hulp van een werkster op basis van 4 uur. Deze hulp deed met name de het zware huishoudelijke werk zoals ramen zemen, de badkamer (..)doen, stofzuigen et cetera.

Betrokkene claimt dat zij thans geen huishoudelijke arbeid meer kan verrichten. Zij vindt/ervaart dat zij daarvoor te beperkt is.”

2.5 Bij brief van 24 augustus 2017 is door de gemachtigde van klaagster namens klaagster op de concept-rapportage van beklaagde gereageerd. Voor zover hier relevant, is in de reactie van klaagster aangegeven dat klaagster zich niet kan verenigen met de wijze waarop beklaagde de uitval huishoudelijke arbeid heeft vastgesteld. Volgens klaagster kwam het huishouden vóór het ongeval in de praktijk volledig op haar neer.

Beklaagde gaat echter uit van de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden volgens de GITHA (Gestandaardiseerde Inventarisatie Taken Huishoudelijke Arbeid) en dat is niet juist, aldus de reactie van klaagster.

2.6 Op 13 oktober 2017 heeft beklaagde zijn definitieve rapportage arbeidsdeskundig onderzoek vastgesteld en aan de rechtbank en aan de betrokken partijen toegestuurd. In de definitieve rapportage gaat beklaagde in op de reactie van klaagster op het concept. Beklaagde geeft daarbij het volgende aan:

Voor de beoordeling uitval huishoudelijke arbeid, ben ik op zoek gegaan naar de maatvrouw op basis van bestaande data welke ik gevonden heb in het zogenaamde GITHA-systeem. Daarmee heb ik de hoeveelheid huishoudelijke arbeid geobjectiveerd en de verdeling van deze taken tussen de echtelieden vastgesteld. Alleen als er voor mij objectieve feiten bekend zijn, kan en wil ik van deze ‘GITHA-data’ afwijken. Dat betrokkene aangeeft dat de verdeling anders lag en ligt, doet daar niets aan af. Als beoordelaar van een door mij niet te controleren situatie in het verleden en heden, kan ik niet anders dan gebruik maken van bestaande data en daarmee van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen echtelieden.

2.7 Bij brief van 27 december 2017 heeft de gemachtigde van klaagster aan beklaagde laten weten dat de definitieve rapportage voor klaagster niet acceptabel is, met name wat betreft hetgeen door beklaagde is gerapporteerd ter zake van de huishoudelijke arbeid. De gemachtigde heeft aangekondigd dat, met inachtneming van de wachttermijn van 14 dagen, namens klaagster een klacht tegen beklaagde bij de SRA zal worden ingediend,

Overwegingen

3.1 Volgens de uitspraak van het AT, waarvan beroep, verwijt klaagster beklaagde, dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 1 (algemene toetsnorm) en artikel 3 (eisen aan rapportages) van de Gedragscode SRA. Terwijl klaagster heeft aangegeven dat zij voor het ongeval alle huishoudelijke arbeid deed, is beklaagde, in weerwil van de reactie van klaagster op de concept-rapportage, zonder deugdelijke motivering en verantwoording, zonder nader feitelijk onderzoek te doen en zonder klaagster in de gelegenheid te stellen ‘tegenbewijs’ te leveren, in zijn rapportage uitgegaan van de standaardverdeling van huishoudelijke arbeid tussen echtelieden (ieder de helft) volgens de GITHA.

3.2 Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klacht(en) ongegrond geoordeeld.

Behoudens haar klacht over de wijze waarop beklaagde

a. de GITHA heeft toegepast,

b. de verdeling van de huishoudelijke taken tussen de echtelieden voor het ongeval heeft vastgesteld,

heeft klaagster naar het oordeel van het AT niet duidelijk gemaakt op grond waarvan beklaagde bij zijn onderzoek en opstelling van zijn rapport niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen, reden waarom het AT dit onderdeel van de klacht ongegrond acht. Verder is het Tuchtcollege van oordeel dat de rapportage van beklaagde aan de eisen voldoet die in artikel 3 Gedragscode SRA worden gesteld.

De GITHA geeft, aldus het AT, een objectief uitgangspunt om de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden vast te stellen. Dat wordt op zich ook niet door klaagster bestreden. De GITHA als zodanig biedt een, zoals artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA voorschrijft, methode die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vraagstelling. Gezien de door beklaagde onderzochte feiten en omstandigheden en de motivatie van beklaagde, heeft beklaagde zich daarbij naar het oordeel van het Tuchtcollege in redelijkheid ook op het standpunt kunnen stellen dat er voor hem onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren om van de standaardverdeling van huishoudelijke taken volgens de GITHA af te wijken. Dat klaagster daar een ander standpunt over inneemt, doet daaraan niet aan af. Dit dient in de civielrechtelijke discussie over de omvang van de schade aan de orde te komen. Het is niet aan het AT om daar inhoudelijk een uitspraak over te doen.

Aan het verwijt dat beklaagde naar aanleiding van de reactie van klaagster op de concept-rapportage nader onderzoek had moeten doen naar de concrete verdeling van huishoudelijke taken vóór het ongeval dan wel beklaagde in de gelegenheid moeten stellen ‘tegenbewijs’ aan te leveren, gaat het Tuchtcollege voorbij. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde zorgvuldig onderzoek gedaan en een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld die aan de eisen voldoet. De door hem vastgestelde feiten en omstandigheden zijn in voldoende mate geverifieerd en gecontroleerd. Bovendien heeft klaagster zowel voor als na de concept-rapportage alle gelegenheid gekregen om beklaagde in het kader van zijn onderzoek van alle noodzakelijke en relevante informatie te voorzien, aldus het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege.

3.3 Voor de beoordeling in beroep dient tot uitgangpunt dat volgens artikel 18 lid 2 van het Tuchtreglement SRA het beroepschrift in ieder geval moet inhouden:

a. (…)

b. een omschrijving van de beslissing waartegen het beroep is gericht;

c. de gronden van het beroep.

3.4 Het college ziet in het beroepschrift, naast een betoog waaruit op te maken valt dat “de eerder ingediende klacht wordt gehandhaafd” – hetgeen dus niet zonder meer voldoet aan het gestelde in artikel 18 lid 2 van het Tuchtreglement -, dat klaagster enkele (niet-genummerde) grieven tegen overwegingen van het AT aanvoert, onder aanvoering van enkele gronden. Het college zal deze hierna bespreken. Daarbij stelt het college vast dat klaagster niet grieft tegen de overwegingen van het AT dat

1. de GITHA, een objectief uitgangspunt geeft om de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden vast te stellen;

2.de GITHA een methode biedt die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vraagstelling.

3.5 Klaagster voert aan dat het onbegrijpelijk is dat het AT spreekt over ‘tegenbewijs’. Het is, aldus klaagster geen procedure met een bewijsopdracht waaraan klaagster zou moet voldoen.

De grief is niet gegrond, nu deze uitgaat van een verkeerde lezing van de beslissing van het AT. Blijkens het gegeven dat het AT ‘tegenwijs’ tussen aanhalingstekens heeft geplaatst is hij zich ervan bewust geweest dat er in het kader van (de totstandkoming van) het deskundigenbericht geen sprake is van formele bewijslevering door een van partijen. Kennelijk heeft het AT de term gebruikt ter omschrijving van de klacht dat klaagster naar haar mening onvoldoende gelegenheid heeft gekregen te reageren op het concept-deskundigenrapport, althans onvoldoende gehoor heeft gekregen. Op dit onderdeel van de klacht komt het college onder 3.8 terug.

3.6 Het college stelt vast dat in de in 2.3 genoemde beschikking van de rechtbank in de overwegingen noch in het dictum uitgangspunten zijn genoemd – zoals bijvoorbeeld de door klaagster gestelde taakverdeling in het huishouden tussen haar en haar echtgenoot – voor de vaststelling door de deskundige (beklaagde dus) van de omvang van de ongeval gerelateerde beperkingen, als bedoeld in de 6e vraag van de rechtbank. Dat betekent dat het kennelijk aan beklaagde was dat als goed arbeidsdeskundige in de zin van artikel 1 van de Gedragscode SRA te doen.

3.7 Dat beklaagde daarbij gebruik heeft gemaakt van de GITHA ontmoet (terecht) geen bezwaar van klaagster vgl. 3.4. Immers, van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht dat hij zijn conclusies baseert op betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens. Zoals in het eindrapport van beklaagde vermeld kan met behulp van de GITHA de hoeveelheid huishoudelijke arbeid worden geobjectiveerd. Daarmee wordt een beredeneerd uitgangspunt verkregen dat, zoals het AT met juistheid heeft overwogen, tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vragen. In de reactie van de gemachtigde van klaagster op het concept-rapport van beklaagde wordt er ook vanuit gegaan dat het met behulp van de GITHA berekende aantal uren juist is: “Wat betreft de verdeling van de huishoudelijke taken hanteert u Githa. Ik ga er vanuit dat het daarin vermelde totaal aantal uren benodigd voor de huishouding correct is.”

3.8 Beklaagde heeft nota genomen van de mededeling van klaagster in het kader van het door beklaagde verrichte onderzoek dat zíj vóór het ongeval (m.a.w.: in de situatie zonder ongeval) het huishouden deed, zonder hulp van haar echtgenoot. Immers, in het concept-rapport heeft beklaagde onbetwist de in 2.4 weergegeven passage opgenomen. Dat beklaagde klaagster niet heeft gevolgd in haar stelling heeft hij gemotiveerd in zijn eindrapport door middel van de in 2.6 weergegeven passage. Klaagster heeft met een verwijzing naar de handleiding voor de toepassing van de GITHA gesteld dat de arbeidsdeskundige de standaardtijden berekend door het GITHA-programma, het objectieve deel, kan aanpassen aan de situatie van betrokkene. De hiervoor bedoelde passage staat hier volgens klaagster haaks op. Het college volgt beklaagde in zoverre dat de concrete situatie inderdaad aanleiding kan vormen tot aanpassing van de berekeningen volgens de GITHA; het programma biedt hier mogelijkheden toe.

Beklaagde heeft zodanige aanpassingen ook gedaan (2.4) door een aftrek toe te passen voor het doen van de gebruikelijke boodschappen nu klaagster en haar echtgenoot een kruidenierszaak exploiteerden waarin de dagelijkse boodschappen voorradig waren en door bij de hulpbehoefte rekening te houden met de 4 uren die de werkster iedere week kwam werken.

Met het AT volgt het college verweerder evenwel in zijn stelling dat voor (verdere) aanpassing van de uitkomsten van de GITHA geen voldoende aanleiding bestond. Klaagster heeft in het kader van het door de arbeidsdeskundige te verrichten onderzoek haar stellingen onvoldoende onderbouwd, in de (wat stellige) bewoordingen van beklaagde weergegeven in zijn eindrapport (2.6) “alleen als er voor mij objectieve feiten bekend zijn, kan en wil ik van deze ‘GITHA-data’ afwijken. Dat betrokkene aangeeft dat de verdeling anders lag en ligt, doet daar niets aan af. (…)” Beklaagde heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de arbeidsbelasting in de winkel en het daarin door klaagster, haar echtgenoot en haar dochter te maken aantal uren. Beklaagde heeft de woon- en gezinssituatie in zijn beoordeling betrokken. Dat tegen die concrete achtergrond en de door de GITHA berekende tijden beklaagde geen (verdere) aanpassing heeft gedaan en hij heeft gesteld “Als beoordelaar van een door mij niet te controleren situatie in het verleden en heden, kan ik niet anders dan gebruik maken van bestaande data en daarmee van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen echtelieden.” is niet in strijd met het bepaalde in artikel 1 en/of 3 van de Gedragscode SRA. Voor zover al in het beroepschrift op dit onderdeel een grief tegen een beslissing van het AT valt te lezen, faalt de klacht dat beklaagde de GITHA onjuist/onvolledig heeft toegepast. Op gelijke voet faalt de klacht dat klaagster niet voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op het concept-rapport. De grief dat beklaagde in het geheel niet heeft gereageerd op de mededeling dat het huishouden volledig voor rekening van klaagster kwam mist, naar uit het voorgaande blijkt, feitelijke grondslag.

3.9 Ten aanzien van de grief dat onbegrijpelijk is de overweging van het AT dat het standpunt van klaagster als weergegeven in de aanhef van 3.8 en de weigering van beklaagde tot aanpassing van zijn concept-rapport in de civielrechtelijk discussie over de omvang van de schade aan de orde dient te komen, geldt het volgende. Waar klaagster stelt: “De rapportage van de deskundige vormt de basis voor de schaderegeling” ziet zij eraan voorbij dat de basis ligt in de feiten.

Wanneer klaagster zich met het deskundigenbericht niet kan verenigen kan zij zich in de civiele procedure overeenkomstig vaste rechtspraak (EHRM

18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, Mantovanelli en HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2741) daarover uitlaten. De grief faalt.

3.10 Nu alle grieven falen behoort het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

– verklaart het beroep ongegrond.

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij vervroeging op 20 juni 2019 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren P. van Kesteren en A. L. van Summeren, leden. 

Mr. J.W. van Rijkom