Uitspraak AT 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)

Uitspraak AT 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)

Uitspraak

AT van 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)

Trefwoorden:

Loonwaarde onderzoek. Dariuz Works. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Gedeeltelijk gegrond.

Samenvatting:

Klager verwijt beklaagde in strijd met artikelen 1, 2 en 3 van de Gedragscode SRA te hebben gehandeld. De klacht heeft betrekking op een loonwaarde onderzoek dat beklaagde heeft verricht. Tijdens dit onderzoek is klager volledig hersteld gemeld en was van ziekte geen sprake meer. Desondanks heeft beklaagde het loonwaarde-onderzoek, op verzoek van de werkgever van klager, voortgezet. Het Tuchtcollege is niet van oordeel dat beklaagde zich niet onafhankelijk heeft opgesteld. Wel heeft beklaagde volgens het Tuchtcollege onvoldoende afgewogen hoe bruikbaar het onderzoek op basis van de methode ‘Dariuz Works’ en het daarop gebaseerde advies nog was na de volledige herstelmelding. Klager heeft beklaagde vragen gesteld over het rapport. Daarop volgden onbevredigende antwoorden. Beklaagde heeft volgens het Tuchtcollege niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na de volledige herstelmelding van klager kon worden voortgezet.

Uitspraak:

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

“klager”

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “beklaagde”,
gemachtigde: mevrouw mr. L.A. Prinsen, advocaat te Hilversum.

1. Procesverloop

1.1. Bij brief van 8 mei 2019 (verzonden 23 mei 2019) is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht zijn 15 bijlagen gevoegd.

1.2. Door de gemachtigde van beklaagde is namens beklaagde op 23 augustus 2019 op de klacht gereageerd. Deze reactie is voorzien van producties 1a+1b tot en met 6.

1.3. Bij brief d.d. 18 september 2019 zijn door klager 4 aanvullende stukken ingediend (bijlage 16 tot en met 19).

1.4. De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft op 18 oktober 2019 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.5. Bij brief d.d. 30 oktober 2019 heeft klager tijdig aangegeven zijn klacht aan het Tuchtcollege te willen voorleggen en daarbij verwezen naar zijn eerdere brieven d.d. 8 (23) mei 2019 en 18 september 2019.

1.6. Op 18 november 2019 heeft klager zijn klacht aangevuld en 11 nadere stukken (bijlagen 20 tot en met 30) ingediend.

1.7. Door de gemachtigde van beklaagde is op 23 december 2019 namens beklaagde een verweerschrift voorzien van producties 7 tot en met 11 ingediend.

1.8. Op 16 januari 2020 zijn door de gemachtigde van beklaagde aanvullende stukken (producties 12 tot en met 14) ingediend.

1.9. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 30 januari 2020. Ter zitting is klager verschenen. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord. Door de gemachtigde van beklaagde is een pleitnota overgelegd.

1.10. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Klager, die sinds 1 maart 1977 in dienst is bij de werkgever, laatstelijk in de functie van juridisch medewerker, is op 23 oktober 2017 arbeidsongeschikt uitgevallen.

2.3. Na vanaf 22 januari 2018 enkele weken op arbeidstherapeutische basis te hebben gewerkt, is klager vanaf 5 februari 2018 in het eigen werk gaan re-integreren. Vanaf 3 september 2018 werkte klager weer voor zijn volledige werkuren (5×8 uur per week).

2.4. Vanwege een verschil van inzicht met zijn werkgever over de verdere opbouw in taken, heeft klager op 2 januari 2019 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Dat deskundigenoordeel is op 28 januari 2019 uitgebracht en luidde dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende zijn, mits de werkgever op zeer korte termijn een loonwaarde onderzoek laat uitvoeren.

2.5. Aan beklaagde is door de werkgever van klager op 29 januari 2019 opdracht verleend dit onderzoek uit te voeren.

2.6. In het kader daarvan heeft beklaagde op 8 februari 2019 een informatief gesprek gehad met klager en met de werkgever van klager. In dit gesprek is klager door beklaagde over het doel van het onderzoek en de methode van onderzoek (‘Dariuz Works’) geïnformeerd.

2.7. Op 7 maart 2019 is klager door de bedrijfsarts hersteld gemeld en kwam de re-integratie van klager tot een einde, zowel wat spoor 1 als spoor 2 betreft. Er was vanaf dat moment geen sprake meer van ziekte of gebrek. Klager was weer volledig inzetbaar in het eigen werk.

2.8. Op verzoek van de werkgever heeft beklaagde het loonwaarde-onderzoek naar klager voortgezet. Werkgever wilde weten of er, ondanks het herstel, nog sprake was van afstand tot de normfunctie en welke ontwikkeling c.q. begeleiding van klager nog nodig was.

2.9. Op 26 maart 2019 heeft beklaagde de werkplek van klager bezocht en een uitvoerig gesprek met klager en de werkgever van klager gehad.

2.10. Het onderzoek door beklaagde is afgerond met het ‘Loonwaarde-Eindrapport’ van 2 april 2019. Uit het rapport blijkt dat de loonwaardemeting is uitgevoerd met behulp van de methode ‘Dariuz Works’. Uitkomst van het onderzoek is een loonwaardepercentage van 65%. Op 2 april 2019 heeft beklaagde klager telefonisch over de uitkomst van het onderzoek geïnformeerd. Het rapport is door beklaagde op 5 april 2019 per mail aan klager en de werkgever van klager toegestuurd.

2.11. Vervolgens heeft klager per email aan beklaagde herhaaldelijk zijn onvrede over het rapport kenbaar gemaakt en vragen over de gebruikte methode aan beklaagde gesteld, welke niet naar tevredenheid van klager door beklaagde zijn beantwoord.

2.12. Per e-mailbericht van 8 mei 2019 heeft klager aan beklaagde kenbaar gemaakt voornemens te zijn een klacht bij de SRA in te dienen, hetgeen klager op 23 mei 2019 heeft gedaan.

3. De klachten

3.1. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, dat zij bij het uitvoeren van het loonwaarde-onderzoek en de op grond van dat onderzoek opgestelde rapportage van 2 april 2019 in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode SRA. De klacht bestaat uit de navolgende onderdelen.

– Beklaagde heeft naar de mening van klager in strijd met de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA gehandeld door een loonwaarde-onderzoek uit te voeren terwijl geen sprake meer was van (medische) beperkingen bij klager, door zich onvoldoende onafhankelijk op te stellen en door onvoldoende rekening te houden met de gevolgen van het rapport voor de broze relatie tussen klager en zijn werkgever (hierna: ‘klachtonderdeel a’).

– Beklaagde heeft volgens klager in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA gehandeld door klager niet op duidelijke wijze in te lichten over zijn opdracht. Het is beklaagde niet duidelijk geworden waarom het onderzoek is voortgezet, terwijl nut en noodzaak daarvan volgens beklaagde waren komen te vervallen (hierna: ‘klachtonderdeel b’).

– Beklaagde heeft volgens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens. De feiten waar het rapport van beklaagde op gebaseerd is, zijn onjuist en niet bij klager geverifieerd (hierna: ‘klachtonderdeel c’).

– De rapportage van beklaagde van 2 april 2019 voldoet volgens klager niet aan de eisen die aan een rapportage van een arbeidsdeskundige in artikel 3 Gedragscode SRA worden gesteld: de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het rapport berust zijn onjuist, er wordt niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport berusten, beklaagde heeft zich bemoeid met het arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever en zich daarmee niet beperkt tot haar deskundigheidsgebied en de door beklaagde gebruikte methode (Dariuz) was in dit geval niet geschikt (hierna: ‘klachtonderdeel d)’.

3.2. Na indiening van de klacht en tijdens de procedure is tussen klager en beklaagde discussie gerezen over een verzoek van klager aan beklaagde om overlegging van nadere gegevens en, in verband daarmee, toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming.

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. Gezien de aard en inhoud van de klachten toetst het Tuchtcollege in dit geval aan de normen zoals vastgelegd in artikel 1, artikel 2 lid 1 en 2 en artikel 3 Gedragscode SRA en de daar op gebaseerde rechtspraak van het Tuchtcollege.

5.5. De discussie tussen partijen over het verzoek van klager aan beklaagde om overlegging van een aantal nadere gegevens en de toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege geen onderdeel uit van de klacht en wordt door het Tuchtcollege als zodanig buiten beschouwing gelaten.

6. De ontvankelijkheid van de klacht

6.1. Als meest verstrekkende verweer voert beklaagde aan dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat beklaagde zich jegens klager niet heeft gedragen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. Beklaagde is opgetreden in de hoedanigheid van loonwaarde-expert en heeft ook geen arbeidsdeskundig onderzoek gedaan, maar een loonwaarde-onderzoek. De klacht is volgens beklaagde dan ook geen blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid, in de zin van artikel 1 Gedragscode SRA. Volgens beklaagde is haar handelwijze in deze zaak daarmee niet aan toetsing door het Tuchtcollege onderworpen.

6.2. Het Tuchtcollege passeert dit verweer.

6.3. De rapportage van 2 april 2019 (het loonwaarde onderzoek) is blijkens de vermelding in de rapportage, door beklaagde niet alleen als gecertificeerd loonwaarde-expert uitgebracht, maar allereerst als register-arbeidsdeskundige. In de e-mailcorrespondentie van april 2019 tussen beklaagde en klager heeft beklaagde zich bij herhaling ook als zodanig aan klager gepresenteerd. Klager is en mocht er op grond daarvan vanuit gaan dat beklaagde jegens hem optrad als arbeidsdeskundige. Bovendien is het verrichten van een loonwaarde-onderzoek iets dat ook tot het deskundigheidsgebied en werkterrein van een arbeidsdeskundige behoort.

6.4. Op grond daarvan is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde jegens klager wel degelijk als arbeidsdeskundige heeft gehandeld en de klacht over de handelwijze en rapportage van beklaagde ontvankelijk is.

7. De overwegingen van het Tuchtcollege

7.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de inhoud van de klacht als volgt.

7.2. Noch uit de door partijen overgelegde stukken noch uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, is naar het oordeel van het Tuchtcollege aannemelijk geworden dat beklaagde zich niet onafhankelijk heeft opgesteld en onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het onderzoek voor de relatie tussen klager en zijn werkgever. Bovendien is de taak van de arbeidsdeskundige naar de mening van het Tuchtcollege breder dan alleen het doen van onderzoek in relatie tot arbeidsongeschiktheid. Dat door beklaagde onderzoek is gedaan terwijl geen sprake meer was van (medische) beperkingen is, op zichzelf bezien, naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook niet verwijtbaar. Dat geldt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook voor het gebruik van de methode ‘Dariuz Works’. Dit is een erkende methode die als zodanig mag worden toegepast.

7.2. De klachtonderdelen die hier op betrekking hebben falen volgens het Tuchtcollege.

7.3. Anders ligt dat met de klachtonderdelen die betrekking hebben op de (wijze van) voortzetting van het onderzoek door beklaagde nadat klager volledig hersteld is verklaard.

7.4. Noch uit de door partijen overgelegde stukken noch uit hetgeen ter zitting is toegelicht, is het Tuchtcollege gebleken van een zorgvuldige afweging door beklaagde met betrekking tot de vraag of het onderzoek na die wijziging nog wel kon worden voortgezet en of de methode ‘Dariuz Works’ nog wel bruikbaar was. Toen klager weer volledig inzetbaar werd, was immers geen sprake meer van een loonwaarde-vraag in eigenlijke zin. De vraag werd een andere, namelijk of er in het feitelijke functioneren van beklaagde nog sprake was van een afstand tot de normfunctie en welke coaching, begeleiding en ontwikkeling van klager op dat punt nodig was. De vraag veranderde, maar het onderzoek en de methode van onderzoek niet, zo stelt het Tuchtcollege vast.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege is door beklaagde onvoldoende afgewogen hoe bruikbaar het onderzoek op basis van de methode ‘Dariuz Works’ en het daarop gebaseerde advies na de veranderde vraag nog was. Daarbij heeft beklaagde onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen van de gebruikte onderzoeksmethode.

7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.

7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.

7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens. Het Tuchtcollege stelt vast dat noch de gebruikte normfunctie noch de in het rapport geschetste afstand tot het werk (tempo en kwaliteit, zelfstandigheid, coach etc.) bij klager geverifieerd zijn, terwijl deze feiten wel als uitgangspunt dienen voor de vastgestelde loonwaarde. Verder stelt het Tuchtcollege op basis van de rapportage vast, dat er weinig ruimte is geboden voor een persoonlijke toelichting door klager. Van de gesprekken ontbreken verslagen. Deze gesprekken zijn ook niet, althans niet kenbaar, verwerkt in de rapportage. Dat de gebruikte methode daarvoor weinig mogelijkheden biedt, zoals beklaagde ter zitting heeft toegelicht, ontslaat beklaagde als register-arbeidsdeskundige niet van haar eigen verantwoordelijkheid op dit punt. Ook is door beklaagde aan klager onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze de loonwaarde van 65% is vastgesteld en hoe dit percentage begrepen moet worden in het licht van de door de bedrijfsarts vastgestelde 100% inzetbaarheid van klager. Mede gezien het gewijzigde doel van het onderzoek en de wijze waarop de uitkomsten van het onderzoek door de werkgever zouden worden gebruikt, had van beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege meer zorg en aandacht mogen worden verwacht ter zake van de onderbouwing haar rapportage en de conclusies daarvan.

Nu is klager, zonder dat beklaagde zich er bij klager van vergewist heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens te beschikken, met het eindrapport van beklaagde van 2 april 2019 geconfronteerd. Het rapport is op 5 april 2019 zowel aan klager als de werkgever van klager gezonden. Klager werd daarmee voor een voldongen feit geplaatst.

7.8. Een register-arbeidsdeskundige heeft, zo benadrukt het Tuchtcollege opnieuw, een hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid heeft beklaagde jegens klager naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende in acht genomen.

7.9. Dat geldt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook voor de informatievoorziening door beklaagde aan klager na verzending van het eindrapport. Die informatie is naar het oordeel van het Tuchtcollege nogal summier, gebrekkig en weinig toeschietelijk, terwijl klager duidelijk aangaf zich in het geheel niet in het eindrapport te herkennen en de nodige vragen te hebben over de gebruikte methode en uitkomst van het onderzoek. Van beklaagde wordt als register-arbeidsdeskundige op grond van artikel 3 Gedragscode (eisen aan rapportages) verwacht dat zij op een zorgvuldige wijze aan betrokkenen duidelijk maakt hoe en op basis van welke feiten zij tot haar oordeel is gekomen. Voorkomen moet worden dat het rapport van een arbeidsdeskundige onderwerp van conflict wordt. Beklaagde is hierin naar het oordeel van het Tuchtcollege tekort geschoten.

7.10. Voor het overige behoeft de klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege geen bespreking meer en wordt deze ongegrond geacht.

8. Slotsom

8.1. Op grond van deze overwegingen komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk en voor zover hiervoor aangegeven gegrond dient te worden verklaard. Beklaagde heeft jegens klager gehandeld in strijd met de eisen van de artikelen 2 en 3 Gedragscode SRA.

9. Tuchtmaatregel

9.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht moet leiden.

9.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

9.3. Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht bij het doen van onderzoek en de totstandkoming van een rapportage. Een register-arbeidsdeskundige dient zich daarbij rekenschap te geven van de positie en belangen van een betrokkene. Op dat punt toonde beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege weinig reflectie, noch in haar verweer noch in haar opstelling ter zitting. Naar de mening van het Tuchtcollege was beklaagde zich in onderhavig geval te weinig bewust van haar toenaderingsverantwoordelijkheid als register-arbeidsdeskundige.

9.4. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Dit laat naar het oordeel van het Tuchtcollege echter onverlet dat de tekortkomingen in de handelwijze van beklaagde zodanig zijn dat deze tot de oplegging van een maatregel dienen te leiden.

9.5. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde de tuchtrechtelijke maatregel van een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gedeeltelijk gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 9 maart 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

F. Hoebink, lid

B. Gerringa, lid

Noot

In deze zaak heeft beklaagde een loonwaarde-onderzoek verricht. De beslissing is het bespreken waard vanwege een aantal redenen. Allereerst het beroep van beklaagde op de niet-ontvankelijkheid van de klacht. Beklaagde stelt zich niet te hebben gedragen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige en geen arbeidsdeskundig onderzoek, maar een loonwaarde-onderzoek te hebben verricht. Het Tuchtcollege verwerpt dit verweer. Beklaagde heeft zich in het rapport als register arbeidsdeskundige gepresenteerd. En niet (alleen) als gecertificeerd loonwaarde-expert. Beklaagde heeft zich bovendien ook als zodanig gepresenteerd in de e-mailcorrespondentie. Terecht overweegt het Tuchtcollege voorts dat het loonwaarde-onderzoek behoort tot deskundigheidsgebied en het werkterrein van een arbeidsdeskundige. Een loonwaarde-onderzoek stelt de economische waardering van de feitelijke geleverde arbeid van de werknemer vast. Deze wordt afgezet tegen de waarde die van een gemiddelde werknemer in dezelfde functie verwacht kan worden en uitgedrukt in een percentage van het loon van die functie. Mitsdien behoort een en ander, zoals het Tuchtcollege terecht overweegt, tot de werkzaamheden van een arbeidsdeskundige.

Een ander in het oog springend element is dat beklaagde zich erop beroept dat de Dariuz Works methode “weinig mogelijkheden” biedt om de gevoerde gesprekken deugdelijk in het rapport te kunnen verwerken. Het Tuchtcollege overweegt dat dat beklaagde als registerarbeidsdeskundige niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid op dit punt. De beslissing strookt daarmee met die van het Tuchtcollege van 22 oktober 2014. Het Tuchtcollege verwierp in die beslissing het verweer van beklaagde dat zijn werkwijze voortvloeide uit het systeem dat wordt gehanteerd bij de Arbodienst waar hij werkzaam is. Het Tuchtcollege benadrukte dat een register-arbeidsdeskundige, ook als deze in dienst is bij een Arbodienst, een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft die mede voortvloeit uit de artikelen 1 en 2 van de Gedragscode SRA. In gelijke zin oordeelde het Tuchtcollege bij beslissing van 11 maart 2008, door aan te geven dat de gezagsrelatie tussen de werkgever en de arbeidsdeskundige geen invloed mag hebben op de strikte naleving van de uitgangspunten van de Gedragscode SRA.

De toenaderingsverantwoordelijkheid is eveneens in deze zaak in het geding. Het Tuchtcollege benadrukt dat een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid heeft. Deze verantwoordelijkheid is vaker inzet van tuchtrechtprocedures, zoals recentelijk weer bleek uit de beslissing van het Tuchtcollege van 16 januari 2020 en de beslissing van het Tuchtcollege van 7 mei 2018.

Mr. dr. E.J. Wervelman, advocaat bij VWW Advocaten-Mediation te Utrecht