Uitspraak AT van 30 juli 2020 (zaaknummer: 20/60 AT)

Uitspraak AT van 30 juli 2020 (zaaknummer: 20/60 AT)

Uitspraak

AT van 30 juli 2020 (zaaknummer: 20-60/AT)

Trefwoorden

Onafhankelijkheid. Opdrachtgever. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Geen schriftelijk verweer. Voorwaardelijke schorsing.

Artikelen Gedragscode SRA

1, 3

Samenvatting

Werkgever van klaagster heeft beklaagde ingeschakeld voor onderzoek naar interne en externe re-integratiemogelijkheden. Tussen klaagster en haar werkgever speelde op dat moment een gerechtelijke procedure. Beklaagde is volgens het Tuchtcollege volledig voorbijgegaan aan de problematiek in de verhouding tussen klaagster en een van haar leidinggevenden en heeft verzuimd om klaagster als zijn cliënte veiligheid te bieden en humanitaire aandacht te schenken. In plaats daarvan heeft hij meegewerkt aan het scenario waarin de werkgever klaagster onder druk zette. Hij heeft geen observeerbare pogingen gedaan om te voorkomen dat zijn conceptrapportage door de werkgever in de gerechtelijke procedure zou worden gebruikt. Deze rapportage is vervolgens een eigen leven gaan leiden. Ook heeft beklaagde onduidelijkheid laten bestaan over zijn opdrachtgever. Op het moment dat klaagster (zeer veel) kanttekeningen plaatste bij zijn conceptrapport heeft beklaagde de verdere behandeling van het dossier afhankelijk gemaakt van zijn eigen financieel belang. Beklaagde heeft al met al geen professionele, respectvolle houding aangenomen. Het Tuchtcollege legt hem daarom een voorwaardelijke schorsing op voor de duur van drie maanden.

Uitspraak van 30 juli 2020 (klacht 20-60/AT)

 

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klaagster, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.

 

1. Procesverloop

 

1.1. Via het webformulier is op 18 november 2019 door klaagster een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 4 niet genummerde bijlagen gevoegd.

 

1.2. Bij zijn brief d.d. 20 januari 2020 heeft beklaagde zijn standpunt op de klacht kenbaar gemaakt.

 

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 13 februari 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klaagster is medegedeeld dat zij haar klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

 

1.4. Klaagster heeft op 24 februari 2020 aan het secretariaat SRA laten weten dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen. Zij heeft op 18 maart 2020 nadere stukken ingediend en haar klacht met drie onderdelen aangevuld.

 

1.5. Met zijn bericht van 13 mei 2020 heeft beklaagde een nader standpunt op de klacht gegeven.

 

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Ter zitting zijn klaagster en beklaagde verschenen. Klaagster en beklaagde hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.7. Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting aan klaagster en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

 

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

 

2.2. Klaagster was sinds 1 februari 2016 werkzaam als contact-/contractmanager bij de werkgever, een kleine onderneming die zich bezighoudt met detachering van softwaretesters. Op 26 februari 2019 is de arbeidsovereenkomst met klaagster door de werkgever opgezegd. Deze opzegging is later weer ingetrokken, evenals het verzoek van de werkgever om een ontslagvergunning bij UWV op bedrijfseconomische gronden. 

 

2.3. Op 27 februari 2019 is klaagster uitgevallen in verband met toegenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. 

 

2.4. Op 19 september 2019 heeft de algemeen directeur van klaagsters werkgever beklaagde verzocht om een arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek had als doel om aan te geven wat de interne en externe re-integratiemogelijkheden van klaagster waren. 

 

2.5. Beklaagde is na ontvangst van de dossierstukken op 23 september 2019 gestart met zijn onderzoek.

 

2.6. Tussen 27 september 2019 en 29 oktober 2019 heeft beklaagde diverse telefoongesprekken gevoerd met de werkgever van klaagster.

 

2.7. Op 9 oktober 2019 vond onderzoek plaats van klaagster door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft zijn bevindingen opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. De bedrijfsarts heeft geadviseerd zo spoedig mogelijk een mediation-traject op te starten teneinde voldoende voorwaarden te creëren voor terugkeer naar werk.

 

2.8. Op 15, 22 en 23 oktober 2019 heeft overleg plaatsgevonden tussen beklaagde en de bedrijfsarts.

 

2.9. Op 16 oktober 2019, 21 oktober en 23 oktober 2019 heeft beklaagde telefonisch gesproken met klaagster. 

 

2.10. Op 16 oktober 2019 ontving beklaagde van klaagster een e-mail met het verzoek om hetgeen beklaagde eerder die dag telefonisch heeft uitgelegd over zijn onderzoek, ook per e-mail toe te lichten omdat er nog onduidelijkheid bij klaagster was. Dezelfde dag heeft beklaagde per e-mail aan dat verzoek voldaan. In die e-mail heeft beklaagde klaagster om een afspraak verzocht voor het arbeidsdeskundig onderzoek.

 

2.11. Op 21 oktober 2019 heeft beklaagde zijn verzoek herhaald aan klaagster om een afspraak met hem te maken. Dezelfde dag stuurde klaagster aan beklaagde een e-mail waarin zij hem op de hoogte stelde van de achterliggende problematiek, namelijk seksuele intimidatie vanuit de directie en daarmee een onveilige werkomgeving. Tevens heeft zij beklaagde aangegeven dat op 31 oktober 2019 een rechtszaak diende (kort geding) over haar re-integratie en klaagster heeft beklaagde verzocht om het gesprek na 31 oktober 2019 te laten plaatsvinden.

 

2.12. Op 23 oktober 2019 is met klaagster gecorrespondeerd over het te voeren gesprek tussen beklaagde en klaagster. Klaagster herhaalde daarbij haar verzoek om het gesprek te laten plaatsvinden na het kort geding, met daarin de uitdrukkelijke opmerking dat dit geen weigering was om aan het onderzoek mee te werken.

 

2.13. Op 24 oktober 2019 in de ochtend stuurde de werkgever meerdere mails aan klaagster waarin werd aangedrongen op een inhoudelijk gesprek tussen klaagster en beklaagde. De werkgever heeft klaagster aangezegd haar salaris niet meer uit te betalen indien het gesprek met beklaagde die dag geen doorgang zou hebben.

 

2.14. Op 24 oktober 2019 vond in een hotel het gesprek tussen klaagster en beklaagde plaats.

 

2.15. Op 28 oktober 2019 heeft beklaagde een telefoongesprek met klaagster gevoerd van 1,5 uur.

 

2.16. Op 29 oktober 2019 heeft beklaagde per e-mail het conceptrapport aan alle betrokkenen toegezonden. Hij heeft daarbij aangegeven dat beide partijen op- en aanmerkingen binnen vijf werkdagen aan hem konden toezenden en dat hij eventuele fouten per omgaande zou aanpassen. Na ontvangst van de op- en aanmerkingen zou hij deze bestuderen en beoordelen of hij deze zou kunnen aanpassen.

 

2.17. Op 1 november 2019 ontving beklaagde via e-mail van de werkgever diens reactie op het conceptrapport met het verzoek om een aantal aanpassingen en aanvullingen op te nemen in het rapport.

 

2.18. Op 4 november 2019 volgde een reactie per e-mail van klaagster met het verzoek een aantal correcties en aanvullingen in het rapport op te nemen. 

 

2.19. Beklaagde heeft het conceptrapport aangepast en op 5 november 2019 is het conceptrapport opnieuw per e-mail onder alle betrokkenen verspreid. Dezelfde dag heeft beklaagde aan klaagster een e-mail gestuurd waarin hij puntsgewijs is ingegaan op haar op- en aanmerkingen.

 

2.20. Op 6 november 2019 vond nog nadere correspondentie plaats tussen klaagster en beklaagde over een aantal vraagpunten. Op 8 november 2019 heeft klaagster aan beklaagde een uitvoerige mail gestuurd met daarin haar opmerkingen op het conceptrapport.

 

2.21. Beklaagde heeft klaagster op 8 november 2019 laten weten dat hij de reactie van de arbodienst zou afwachten alvorens haar vraagpunten te beantwoorden. Later die dag belde beklaagde met klaagster over de voortgang. Op 11 november 2019 mailde beklaagde aan klaagster dat hij met de arbodienst had afgesproken voorlopig niets te doen, totdat de vergoeding voor zijn werkzaamheden was geregeld.

2.22. Op 18 november 2019 heeft klaagster een klacht in tegen beklaagde ingediend.

 

3. De klacht

 

3.1. Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat, het volgende.

 

1) Beklaagde heeft als arbeidsdeskundige niet onpartijdig gehandeld.

2) Beklaagde heeft geen zelfstandig onderzoek uitgevoerd.

3) Beklaagde heeft klaagster onjuist/onvolledig geïnformeerd.

4) Beklaagde heeft UWV bewust en opzettelijk onjuist geïnformeerd.

5) Beklaagde heeft geen gedegen onderzoek uitgevoerd.

6) Beklaagde heeft klaagster opzettelijk schade toegebracht.

7) Beklaagde heeft gezorgd voor een verslechtering van de relatie tussen klaagster en haar werkgever.

8) Beklaagde heeft niet integer gehandeld noch conform de fatsoensnorm.

9) Beklaagde heeft niets gedaan met de informatie van de bedrijfsarts.

10) Beklaagde heeft willens en wetens een kwalitatief slecht en onjuist, niet onderbouwd, niet objectief en niet onafhankelijk rapport geschreven.

11) Beklaagde heeft vergoeding van zijn werkzaamheden als voorwaarde gesteld voor lezing van klaagsters opmerkingen op zijn rapport en de aanpassing daarvan.

 

3.2. In haar e-mail van 18 maart 2020 heeft klaagster haar klacht met drie onderdelen aangevuld.

 

4. Het verweer

 

4.1. Beklaagde heeft in zijn brieven schriftelijk gereageerd op de klacht. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

 

5. De werkwijze van het tuchtcollege

 

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

 

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

 

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

 

5.4. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de inhoud van het werk van beklaagde en zijn inhoudelijke afweging. Klager heeft ter zake daarvan geen correctierecht. Ook de door klager gestelde gevolgen van/schade door de handelwijze van beklaagde laat het Tuchtcollege buiten beschouwing.

 

5.5. Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 1, 3 en 7 van de Gedragscode SRA van belang.

 

5.6. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht. Daarbij laat hij zich leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. Artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen. Op grond van artikel 7 streeft de arbeidsdeskundige naar een verhouding met opdrachtgever(s) en cliënten die berust op respect.

 

6. De ontvankelijkheid van de klacht

 

6.1. Klaagster heeft in haar bericht van 18 maart 2020 haar eerder ingediende klacht met drie klachtonderdelen aangevuld. 

 

Het toepasselijke Tuchtreglement schrijft voor dat een klacht(onderdeel) voordat het Tuchtcollege zich hierover kan buigen aan de Arbeidsdeskundig Ombudsman moet worden voorgelegd. Uit het stelsel van het Tuchtreglement vloeit immers voort dat inhoudelijke behandeling van de klacht door de Arbeidsdeskundig Ombudsman een vereiste is voor ontvankelijkheid van de klacht. 

 

6.2. Aangezien klaagster de drie desbetreffende klachtonderdelen niet eerder naar voren heeft gebracht dan in haar aan het Tuchtcollege gerichte brief van 18 maart 2020, zal het Tuchtcollege klaagster in deze drie klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaren. 

 

7. De overwegingen van het Tuchtcollege

 

7.1. Ter zake van de klachten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

 

7.2. Het Tuchtcollege stelt voorop dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de

onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig

onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan de accepteren. Het zal ook de

maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een

negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. 

 

7.3. Zowel klaagster als beklaagde hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken ingediend bij het secretariaat SRA. Op de voet van artikel 14.3 van het Tuchtreglement SRA zal het Tuchtcollege op deze stukken geen acht slaan, nu deze stukken zijn ingediend na afloop van de voorgeschreven termijn van 14 dagen voor de zitting en bovendien niet in afschrift zijn gedeeld met de wederpartij. Deze handelwijze is in strijd met een goede procesorde. Hetzelfde geldt voor de correspondentie van klaagster na afloop van de zitting en daarmee na sluiting van het onderzoek.

 

7.4. Het Tuchtcollege stelt voorts vast dat beklaagde op de door klaagster naar voren gebrachte klachtonderdelen in zijn schriftelijke reactie feitelijk geen verweer heeft gevoerd. Beklaagde heeft niet meer of anders aangegeven dan dat hij bereid is om alsnog de aan klaagster aangeboden functie op passendheid te onderzoeken. 

 

7.5. Beklaagde heeft de door klaagster aangevoerde feitelijke onderbouwing dan ook niet weersproken. Dat leidt er overigens niet toe dat het Tuchtcollege zonder meer dient uit te gaan van de juistheid van deze feiten en omstandigheden. De proceshouding van beklaagde is zijn eigen keuze, maar brengt wel mee dat het Tuchtcollege niet meer of anders bij de beoordeling kan betrekken dan wat beklaagde ter zitting als verweer heeft aangevoerd en dat het Tuchtcollege voor het overige een zelfstandige beoordeling zal maken van de door klaagster aangevoerde feitelijke onderbouwing van de klacht.

 

Klachtonderdeel 1

 

7.6. Klaagster heeft beklaagde het verwijt gemaakt dat hij niet onpartijdig heeft gehandeld. Daartoe voert zij onder meer aan dat hij kort gezegd zonder nader onderzoek is afgegaan op de door klaagsters werkgever verstrekte gegevens, dan wel de door klaagster en de bedrijfsarts verstrekte gegevens heeft genegeerd. 

 

7.7. Deze door klaagster in dit klachtonderdeel onder a tot en met k aangevoerde verwijten zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege in zodanig algemene bewoordingen gesteld dat het Tuchtcollege niet de juistheid ervan kan vaststellen. 

 

7.8. Klaagster heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel onvoldoende relevante feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen dienen als grondslag voor de aanwezigheid van vooringenomenheid en onredelijkheid bij beklaagde. Voor de klacht van klaagster dat beklaagde partijdig heeft gehandeld, zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege geen aanwijzingen. Dit wordt door klager ook niet aannemelijk gemaakt zodat de klacht op de hiervoor genoemde punten ongegrond moet worden verklaard.

 

7.9. Dat oordeel betreft echter niet het door klaagster aangevoerde onder punt l. Het Tuchtcollege stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat beklaagde op de hoogte was van het tussen klaagster en haar werkgever lopende kort geding dat zou dienen op 31 oktober 2019. Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Tegen deze achtergrond en op grond van zijn wetenschap paste beklaagde uiterste terughoudendheid om op verzoek van de werkgever de arbeidsdeskundige conceptrapportage reeds op 29 oktober 2019 op te leveren, met het risico dat werkgever deze conceptrapportage kon gebruiken in de aanhangige gerechtelijke procedure. 

 

7.10. Dit klemt temeer nu beklaagde deze conceptrapportage tegelijkertijd naar klaagster en haar werkgever heeft gestuurd, zodat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld tijdig op mogelijk feitelijke onjuistheden in de conceptrapportage te reageren.

 

7.11. Door op die wijze te handelen heeft beklaagde zich onvoldoende rekenschap gegeven van het risico dat zijn conceptrapportage als bewijsstuk zou dienen in die gerechtelijke procedure. Hij heeft minst genomen daarmee de schijn gewekt dat zijn rapportage, waaraan door de rechter belang en mogelijk bewijskracht kan worden gehecht, als partij-instrument zou dienen in het lopende arbeidsgeschil terwijl partijen het over de inhoud van deze rapportage nog niet eens waren. Daarmee is beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige in zijn zorgplicht jegens klaagster tekortgeschoten.

 

7.12. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is dan ook gegrond.

 

Klachtonderdelen 2, 5, 8 en 10

 

7.13. Nu deze klachtonderdelen betrekking hebben op de (wijze van totstandkoming van de) rapportage, zal het Tuchtcollege deze gezamenlijk behandelen.

 

7.14. Klaagster verwijt beklaagde dat hij geen zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd. Het Tuchtcollege begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat beklaagde volgens klaagster zijn onderzoek niet onafhankelijk heeft uitgevoerd. Beklaagde heeft volgens klaagster voorts geen gedegen onderzoek uitgevoerd en hij heeft relevante inhoud van gesprekken of informatie afkomstig van klaagster niet meegewogen in zijn onderzoek.

 

7.15. Het Tuchtcollege is op basis van het dossier en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen van oordeel dat klaagster met betrekking tot dit verwijt geen relevante feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen dienen als grondslag voor de vaststelling dat beklaagde onvoldoende onafhankelijk te werk is gegaan dan wel dat het onderzoek niet gedegen is uitgevoerd. Dat klaagster daar een andere mening over heeft, is haar goed recht, maar maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet dat kan worden gezegd dat beklaagde op dit punt niet overeenkomstig de Gedragscode SRA heeft gehandeld. Daarbij is tevens van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.

 

7.16. Het Tuchtcollege overweegt dat klaagster zich voornamelijk heeft beperkt tot algemene kritiek op de wijze waarop beklaagde zijn arbeidsdeskundig onderzoek heeft uitgevoerd. Welke relevante informatie concreet ontbreekt of al dan niet opzettelijk door beklaagde in zijn rapportage is weggelaten werkt klaagster niet uit. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat beklaagde informatie niet klakkeloos heeft overgenomen, maar deze heeft verzameld, weergegeven en gewogen.

 

7.17. Het Tuchtcollege heeft evenmin de welbewustheid of opzettelijkheid kunnen vaststellen die ten grondslag zou hebben gelegen aan het schrijven door beklaagde van een kwalitatief slecht en onjuist, niet onderbouwd, niet objectief en niet onafhankelijk rapport.

 

7.18. Tot slot herhaalt het Tuchtcollege dat het geen oordeel geeft over de inhoud van het werk van beklaagde en zijn inhoudelijke afweging. Daarbij komt nog dat klaagster zowel voor als na de conceptrapportage alle gelegenheid heeft gekregen om beklaagde in het kader van zijn onderzoek van alle noodzakelijke en relevante informatie te voorzien. Klaagster heeft overigens ook gebruikgemaakt van de haar geboden mogelijkheid om haar inhoudelijke opmerkingen op het conceptrapport aan beklaagde over te brengen. Naar het Tuchtcollege begrijpt heeft het rapport van beklaagde nog immer de status van concept.

 

7.19. Op grond van het voorgaande acht het Tuchtcollege deze klachtonderdelen ongegrond.

 

Klachtonderdeel 3

 

7.20. Beklaagde heeft klaagster volgens haar onjuist of onvolledig geïnformeerd. Uit de door klaagster overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde in zijn e-mail van 16 oktober 2019 aan klaagster op haar verzoek een toelichting heeft gegeven op zijn taak en rol als arbeidsdeskundige en op zijn werkwijze.  

 

7.21. Hoewel deze toelichting volgens het Tuchtcollege summier is te noemen en geen schoonheidsprijs verdient, kan niet worden gezegd dat beklaagde klaagster niet over zijn methode of wijze van onderzoek heeft geïnformeerd. Beklaagde heeft in zijn e-mail ook aangeboden klaagster nogmaals zijn aanpak toe te lichten en haar vragen te beantwoorden. Uit deze door klaagster overgelegde e-mailcorrespondentie kan het Tuchtcollege niet opmaken dat klaagster van dat aanbod gebruik heeft willen maken. In zoverre ontbeert dit verwijt feitelijke grondslag.

 

7.22. Evenmin heeft het Tuchtcollege aanknopingspunten gevonden voor de stelling van klaagster dat beklaagde haar onjuist heeft geïnformeerd over de in acht te nemen termijnen.

 

7.23. Dat laatste laat onverlet hetgeen het Tuchtcollege heeft overwogen onder klachtonderdeel 1, dat van beklaagde had mogen worden verwacht dat hij zorgvuldig te werk zou gaan waar het de oplevering betreft van zijn conceptrapportage met het oog op het kort geding. 

 

7.24. Beklaagde heeft in zijn genoemde e-mail van 16 oktober 2019 aan klaagster ook vermeld dat hij in opdracht werkt van de arbodienst en dat de arbodienst formeel zijn opdrachtgever is. In de conceptrapportage van 5 november 2019 (p. 1) geeft beklaagde als aanleiding aan dat het arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden op verzoek van de algemeen directeur van de werkgever van klaagster. Uit diens e-mail van 19 september 2019 blijkt ook dat beklaagde van de algemeen directeur rechtstreeks zijn opdracht heeft ontvangen. 

 

7.25. Volgens de inleidende opmerkingen bij de Gedragscode SRA wordt in die code onder “opdrachtgever” verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die zich tot een bij de SRA geregistreerde arbeidsdeskundige wendt met het verzoek om onderzoek te verrichten of advies uit te brengen. 

 

7.26. Het Tuchtcollege komt dan ook tot het oordeel dat beklaagde klaagster op dit punt niet juist heeft ingelicht en daarmee onduidelijkheid heeft laten bestaan over de opdrachtgever van het uit te voeren arbeidsdeskundig onderzoek. 

 

7.27. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege gegrond.

 

Klachtonderdeel 4

 

7.28. Klaagster maakt beklaagde het verwijt dat hij het UWV bewust en opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd. Voor zover het Tuchtcollege kan nagaan heeft er op 23 oktober 2019 telefonisch contact plaatsgevonden met het UWV Werkgeversportaal, over welk contact beklaagde kort daarop een e-mail aan klaagster heeft gestuurd. 

 

7.29. Of de tijdens dat contact uitgewisselde informatie onjuist is en wie met het UWV contact heeft gehad, heeft het Tuchtcollege niet kunnen vaststellen. Belangrijk hierbij is voorts dat het Tuchtcollege, indien en voor zover deze uitgewisselde informatie onjuist was en door beklaagde is overgebracht, evenmin heeft kunnen vaststellen of beklaagde dat, zoals klaagster hem verwijt, zulks bewust en opzettelijk heeft gedaan. 

 

7.30. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

 

Klachtonderdeel 6

 

7.31. In dit klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat hij haar opzettelijk schade heeft toegebracht. 

 

Zij stoelt dit klachtonderdeel voornamelijk op het verwijt dat beklaagde zich vooral richt op de belangen van de werkgever en op het onjuist informeren van de werkgever. Het geheel van het handelen van beklaagde, zoals opgenomen in het klaagschrift, schaadt volgens klaagster haar belangen.

 

7.32. Het Tuchtcollege overweegt dat het verband tussen de door klaagster gestelde schade – die zij voorts niet heeft onderbouwd – en het handelen van beklaagde door klaagster dusdanig ruim is omschreven dat het Tuchtcollege dit verband niet kan vaststellen. 

 

7.33. Voor de volledigheid: het Tuchtcollege toetst niet aan civielrechtelijke normen en geeft ook geen oordeel over de mogelijke (civielrechtelijke) consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor klaagster heeft. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen.

 

7.34. Voor zover klaagster met haar klacht heeft beoogd een vergoeding van de door haar in verband met de klachtbehandeling gemaakte kosten of geleden schade te verkrijgen, merkt het Tuchtcollege ten overvloede nog het volgende op. Schadevergoeding kan niet worden verkregen door middel van deze tuchtrechtelijke procedure, ook niet als de klacht gegrond zou zijn verklaard. Daarvoor bevat het tuchtrecht, zoals geregeld in het Tuchtreglement SRA, geen grondslag.

 

7.35. Dit onderdeel van de klachten is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

 

Klachtonderdeel 7

 

7.36. Volgens klaagster heeft beklaagde voor verslechtering gezorgd van de relatie tussen klaagster en haar werkgever. Klaagster baseert dit klachtonderdeel op het door haar veronderstelde oogmerk bij beklaagde om de relatie tussen werkgever en klaagster te verslechteren door een ondeugdelijk rapport op te leveren en de werkgever onjuist te informeren over het contact tussen klaagster en beklaagde.

 

7.37. Wat er ook zij van de eventuele gevolgen van het handelen van beklaagde op de relatie tussen klaagster en haar werkgever, het Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen of zelfs maar de indruk gekregen dat beklaagde genoemd oogmerk heeft gehad of zich ten doel heeft gesteld om de relatie tussen klaagster en haar werkgever negatief te beïnvloeden.

 

7.38. Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor klaagster heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde. 

 

7.39. Dit klachtonderdeel mist dan ook feitelijke grondslag en is ongegrond. 

 

Klachtonderdeel 9

 

7.40. In dit klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat hij niet werkt met de informatie van de bedrijfsarts en er welbewust voor zorgt dat dit niet zichtbaar is in zijn rapportage.

 

7.41. Uit de rapportage blijkt dat beklaagde zich heeft gebaseerd op de beperkingen zoals door de bedrijfsarts opgenomen in diens FML d.d. 9 oktober 2019. Beklaagde heeft voorts meermaals contact gehad met de bedrijfsarts.

 

7.42. Het Tuchtcollege overweegt dat beklaagde aan de hand van deze contacten en de inlichtingen die klaagster hem heeft verstrekt in haar e-mail van 21 oktober 2019 over de achterliggende problematiek van ongewenste intimiteiten en een onveilig werkklimaat, blijk heeft gegeven onvoldoende oog te hebben voor deze problematiek. Beklaagde heeft deze problematiek ook niet zichtbaar betrokken in zijn onderzoek, althans daarvoor heeft het Tuchtcollege geen aanknopingspunten kunnen vinden in de rapportage.

 

7.43. Ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat hem bij aanvang van het onderzoek opviel dat sprake was van een beladen dossier. Ook uit de gesprekken met de directie van werkgever is beklaagde duidelijk geworden dat er “meer aan de hand was”. Desondanks heeft hij er uitdrukkelijk voor gekozen om de opdracht voort te zetten.

 

7.44. Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat zij zich met betrekking tot deze problematiek niet of onvoldoende door beklaagde gehoord heeft gevoeld. Zij heeft in haar e-mail van 21 oktober 2019 aan beklaagde ook verzocht om aandacht te besteden aan de bevindingen van de bedrijfsarts dat de beperkingen vooral voortvloeien uit de seksuele intimidatie op de werkvloer. Beklaagde heeft daarvan in zijn rapportage geen melding gemaakt. Het Tuchtcollege merkt op dat dit aansluit bij het achterwege laten van de reden die klaagster heeft aangevoerd om het gesprek met beklaagde pas na 31 oktober 2019 aan te gaan, dat wil zeggen na het kort geding tussen klaagster en werkgever. 

 

7.45. Een register-arbeidsdeskundige heeft, zo benadrukt het Tuchtcollege, een hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid heeft beklaagde jegens klaagster naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende in acht genomen.

 

7.46. Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde zich bij de uitvoering van de opdracht onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de achterliggende problematiek. Beklaagde heeft daarentegen in zijn gerichtheid op de uitvoering van de opdracht geen veiligheid geboden aan klaagster, geen vertrouwen opgebouwd en haar geen of onvoldoende humanitaire aandacht gegeven. Het Tuchtcollege laat meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd. 

 

7.47. Het Tuchtcollege acht dit klachtonderdeel dan ook gegrond.

 

Klachtonderdeel 11

 

7.48. Klaagster heeft tot slot beklaagde verweten dat hij voor het lezen van haar e-mail met commentaar op de rapportage de voorwaarde heeft gesteld dat de daarmee gemoeide tijd vergoed, althans gefactureerd zou kunnen worden.

 

7.49. Klaagster heeft daarbij verwezen naar de e-mail van beklaagde aan klaagster van 11 november 2019 waarin hij heeft geschreven:

 

“Ik heb met de arbodienst afgesproken dat ik nu niets doe, dus ook niet rustig lezen van uw vorige mail, aangezien daar nogal wat uren in zitten, die gefactureerd dienen te worden, in afwachting van de reactie van de arbodienst.”

 

7.50. Het Tuchtcollege stelt vast dat beklaagde met zijn reactie aan klaagster zijn werkzaamheden in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek heeft laten afhangen van goedkeurig van zijn vergoeding en het antwoord van de arbodienst.

 

7.51. Beklaagde heeft daarbij zijn zorgplicht voor de behandeling van het dossier en het belang van klaagster bij een tijdige, afgewogen en evenwichtige rapportage ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen financiële belang. Enig geschil met de opdrachtgever of andere derden over de financiële vergoeding van de betrokken arbeidsdeskundige kan geen reden zijn om de behandeling van een dossier niet voort te zetten of af te ronden, temeer waar klaagster geen invloed heeft op het oplossen van dat geschil. In dat geval had het op de weg van beklaagde gelegen om het dossier terug te geven zodat het zo nodig door een andere arbeidsdeskundige had kunnen worden overgenomen. 

 

7.52. Het betreft hier dan ook een handelwijze die een arbeidsdeskundige onwaardig moet worden geacht. Dit onderdeel van de klachten is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook gegrond.

 

8. Slotsom

 

8.1. Nu de hiervoor genoemde klachtonderdelen 1, 3, 9 en 11 van de klacht (deels) gegrond zijn, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.

 

9. Tuchtmaatregel

 

9.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

 

9.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

 

9.3. Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde op een aantal wezenlijke gezichtspunten in ernstige mate tekort is geschoten. 

 

9.4. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam register-arbeidsdeskundige mag worden verwacht dat hij zich kan verplaatsen in de positie van de ander en dat hij in staat is de ander als gelijkwaardige te behandelen. Beklaagde heeft er onder meer ter zitting blijk van gegeven dat hij gedurende de uitvoering van de opdracht meermaals de conclusie heeft getrokken dat de situatie onwerkbaar was geworden. Desondanks heeft hij er welbewust van afgezien om de opdracht terug te geven of neer te leggen. 

 

9.5. Beklaagde is naar het oordeel van het Tuchtcollege volledig voorbijgegaan aan de problematiek in de verhouding tussen klaagster en een van haar leidinggevenden, die zich afspeelde binnen een zeer kleine organisatie. Beklaagde heeft verzuimd klaagster als cliënte veiligheid te bieden en humanitaire aandacht te schenken. In plaats van vertrouwen op te bouwen heeft hij meegewerkt aan het scenario waarin de werkgever klaagster kennelijk onder druk heeft gezet en heeft hij geen observeerbare pogingen gedaan om te voorkomen dat zijn conceptrapportage door de werkgever in de kortgedingprocedure zou worden gebruikt. Vervolgens is zijn conceptrapportage een eigen leven gaan leiden.

 

9.6. Beklaagde heeft daarenboven minst genomen onduidelijkheid laten bestaan over de vraag wie zijn opdrachtgever was, en op het moment dat klaagster – overigens zeer veel – kanttekeningen plaatste bij het conceptrapport heeft hij de verdere behandeling van het dossier afhankelijk gemaakt van zijn eigen financieel belang.

 

9.7. De hier aan beklaagde te maken verwijten leggen een patroon bloot van een arbeidsdeskundige die zich volledig richt op de uitvoering van de opdracht en daarbij uit het oog heeft verloren dat hij het vak van arbeidsdeskundige hoog dient te houden door een professionele, respectvolle houding te betrachten jegens klaagster als cliënte.

 

9.8. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk en vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.

 

9.9. Dat laatste raakt ook aan de van beklaagde gevergde transparante en toetsbare houding. Noch bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman, noch bij het Tuchtcollege heeft beklaagde gebruikgemaakt van de gelegenheid om enig inhoudelijk schriftelijk verweer te voeren. Ter zitting heeft beklaagde een afwachtende houding aangenomen en beriep hij zich voornamelijk op de (volgens hem ontlastende) visie van anderen. 

 

9.10. Enerzijds heeft beklaagde het recht om zich te verweren zoals hem goeddunkt; anderzijds laat het Tuchtcollege zwaar meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd. Beklaagde bagatelliseerde zijn handelwijze veeleer en toonde zich naar het oordeel van het Tuchtcollege weinig tot niet bewust van de consequenties daarvan. Door voorts niet (voorafgaand) schriftelijk en inhoudelijk op de klacht in te gaan frustreert hij de beoordeling van zijn handelwijze.

 

9.11. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige is. 

 

Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Dit laat naar het oordeel van het Tuchtcollege echter onverlet dat de tekortkomingen in de handelwijze van beklaagde zodanig zijn dat deze tot de oplegging van een maatregel dienen te leiden.

 

9.12. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval volgens artikel 22.1 aanhef en onder d van het Tuchtreglement SRA de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden dient te worden opgelegd.

 

Beslissing

 

Het Tuchtcollege:

 

– verklaart de door klaagster ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond; 

– legt aan beklaagde op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren die ingaat met de datum van deze beslissing;

– stelt als algemene voorwaarde dat beklaagde zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een tuchtrechtelijk verwijt;

– bepaalt dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege later anders mocht bepalen op de grond dat beklaagde de voorwaarde niet heeft nageleefd.

 

Aldus beslist door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 30 juli 2020 door 

mr. R. Sanders, voorzitter, mevrouw C. Boulonois en de heer F. Hoebink, leden.