Uitspraak AT van 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)

Uitspraak AT van 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)

Uitspraak

AT van 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)

Trefwoorden

Re-integratie tweede spoor. Zorgvuldigheid. Onafhankelijkheid. Objectiviteit. Ongegrond.

Artikelen Gedragscode SRA

1, 7

Samenvatting

De klacht heeft betrekking op de handelwijze van beklaagde bij de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor. Klager verwijt beklaagde dat zij niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen. Volgens het Tuchtcollege heeft beklaagde zich mogen laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie in het tweede spoor aan de orde was. Dat klager het daarmee niet eens was doet daaraan niet af. Beklaagde diende, zo lang dit volgens de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige rapportages nog aan de orde was, uitvoering te geven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie in het tweede spoor. Dat heeft beklaagde zorgvuldig en respectvol gedaan. Beklaagde heeft blijk gegeven zich bewust te zijn van de belangen van klager, door haar rapportages steeds in eerst concept aan klager voor te leggen en de werkgever te berichten dat klager niet akkoord was met het trajectplan. In het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit geeft het Tuchtcollege beklaagde ten overvloede het volgende mee. Wanneer beklaagde de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichte, dient zij zich zeer bewust te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkene aan te geven welke, ten opzichte van haar compagnon, andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft.

 

Uitspraak AT van 26 augustus (zaaknummer: 20/62 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

“klager”,
gemachtigde: mr. R.K. Torn

tegen

de register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “beklaagde”,
gemachtigde: G.P. van Delft.

1. Procesverloop

1.1. Op 2 december 2019 is door de gemachtigde van klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht zijn 10 bijlagen gevoegd.

1.2. Met het verweerschrift d.d. 25 februari 2020 (verzonden 2 maart 2020) is door beklaagde op de klacht gereageerd. Bij het verweerschrift zijn 4 bijlagen gevoegd.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 9 maart 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. De gemachtigde van klager heeft op 19 maart 2020 met een e-mailbericht aan het secretariaat SRA laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd. Bij dit e-mailbericht is 1 bijlage gevoegd.

1.5. Met het e-mailbericht van 7 april 2020 heeft de gemachtigde van klager gereageerd op het verweerschrift van beklaagde van 25 februari 2020 en de klacht nader uitgewerkt. Bij deze reactie is 1 bijlage gevoegd.

1.6. Bij brief d.d. 28 april 2020 heeft beklaagde op de reactie en uitwerking van de klacht van klager van 7 april 2020 gereageerd.

1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 25 juni 2020. Klager is vanwege ziekte niet ter zitting verschenen. Namens klager verschenen ter zitting: de echtgenote van klager en de gemachtigde van klager. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.8. Aan het eind van de zitting heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek nog niet kan worden gesloten, meer informatie van de kant van beklaagde gewenst is en beklaagde in de gelegenheid wordt gesteld aanvullende stukken in te dienen waarop klager vervolgens nog kan reageren.

1.9. Met het e-mailbericht van 1 juli 2020 heeft beklaagde met een begeleidende brief met 5 bijlagen aanvullende stukken ingediend.

1.10. Op 20 juli 2020 heeft de gemachtigde van klager op deze aanvullende stukken gereageerd.

1.11. Vervolgens heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan. 

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Op 8 juni 2016 is klager ziek uitgevallen vanwege diverse medische klachten. Klager heeft meerdere operaties ondergaan en kon langere tijd niet werken.

2.3. Op 4 mei 2017 is klager door de bedrijfsarts van zijn werkgever beoordeeld. Het oordeel van de bedrijfsarts luidde, kort gezegd: “Er is nog geen belastbaarheid voor (eigen) werk”. Daarbij is door de bedrijfsarts ook een uitbreide functionele mogelijkhedenlijst (fml) opgesteld.

2.4. Op basis daarvan is een arbeidsdeskundig onderzoek verricht door de compagnon van beklaagde. Dit onderzoek leidt tot de Arbeidsdeskundige rapportage van 3 juli 2017. Conclusie van dat rapport is dat het eigen werk van klager nu niet passend is en binnen de eigen organisatie geen passend werk voor klager is. Geadviseerd wordt om het re-integratietraject spoor 2 op te starten. 

2.5. Naar aanleiding van dit rapport krijgt beklaagde op 14 augustus 2017 de opdracht van de werkgever van klager om de re-integratie tweede spoor van klager te begeleiden voor de duur van 3 maanden met de mogelijkheid van een verlenging van 3 maanden.

2.6. Na kennisname van het dossier, heeft beklaagde op 22 augustus 2017 een intakegesprek met klager. In dat gesprek licht beklaagde toe wat haar taak en verantwoordelijkheid is: begeleiding van klager bij de tweede spoor re-integratie dat middels het intakegesprek en een nog op te stellen trajectplan zal worden opgestart.

2.7. Op 4 september 2017 stuurt beklaagde een concept-Trajectplan aan klager. 

2.8. Klager reageert op 5 september 2017 op dit concept. Daarbij geeft klager, kort samengevat, aan dat hij niet begrijpt waarom re-integratie tweede spoor wordt opgestart en geeft hij aan van mening te zijn dat het concept de sfeer ademt dat hij voor zijn werkgever afgeschreven zou zijn. Klager geeft aan bij zijn werkgever te willen terugkeren en dat hij daarom niet akkoord is met het concept.

2.9. Met de mail van 7 september 2017 reageert beklaagde op dit commentaar. Daarin legt beklaagde aan klager uit, dat zij niet alle opmerkingen van klager in haar rapport overneemt omdat die betrekking hebben op de visie van beklaagde. Voor de medische zaken geeft beklaagde aan zich op de informatie van de bedrijfsarts te baseren. Verder licht beklaagde nogmaals toe dat zij door de werkgever van klager enkel is ingeschakeld voor de re-integratie tweede spoor. Beklaagde geeft aan, dat dit onverlet laat dat de mogelijkheden voor re-integratie eerste spoor bekeken moeten worden, maar dat zij daarbij geen taak en verantwoordelijkheid heeft. Het Trajectplan is door beklaagde vervolgens definitief gemaakt. Daarbij zijn de opmerkingen van klager voor zover mogelijk verwerkt. Het definitieve Trajectplan is door beklaagde aan klager en de werkgever van klager toegezonden. Aan de werkgever van klager is door beklaagde ook teruggekoppeld dat klager niet akkoord is.

2.10. Op 11 september 2017 stuurt beklaagde klager een format CV met het verzoek aan klager deze aan te vullen. De CV wordt door beklaagde op 17 september 2017 terug ontvangen. Op 18 september 2017 reageert beklaagde op de CV en wordt deze CV aangevuld en definitief gemaakt.

2.11. Op 10 oktober 2017 heeft beklaagde met klager bij klager thuis een persoonlijk gesprek. In dat gesprek geeft klager opnieuw aan dat hij kan en wil terugkeren in het eigen werk en hij het nut van re-integratie tweede spoor niet inziet. Beklaagde legt daarop aan klager uit dat de re-integratie tweede spoor voorlopig blijft doorlopen. Afgesproken wordt dat beklaagde aan klager ter oriëntatie passende vacatures toestuurt en klager naar aanleiding daarvan zijn voorkeuren kenbaar maakt.

2.12. Op 24 oktober 2017 stuurt beklaagde aan klager in het kader van de re-integratie tweede spoor ter oriëntatie een aantal naar haar oordeel passende vacatures. Zij geeft daarbij aan, dat zij nog uitgaat van de door de bedrijfsarts aangegeven belastbaarheid. Verder geeft beklaagde aan de week daarop contact op te zullen nemen met klager om te horen hoe het met klager gaat en de toegezonden voorbeeldfuncties te bespreken.

2.13. Klager reageert dezelfde dag (24 oktober 2017) per mail, geeft opnieuw aan dat de re-integratie tweede spoor niet aan de orde is en stelt voor om de uitkomst van een nieuw spreekuur-contact met de bedrijfsarts af te wachten.

2.14. De bedrijfsarts beoordeelt klager opnieuw op 26 oktober 2017 en oordeelt dan als volgt:

“De heer [klager] heeft een medische ingreep gehad en ervaart een flinke afname van klachten. Zijn behandelaar gaf aan dat hij weer zou kunnen beginnen met werken, rustig opbouwen, nadat hij voldoende genezen was van de ingreep. Dat houdt in dat hij per de week van 6-11 2 hele dagen mag gaan werken, boventallig. Hij moet zelf de grenzen aangeven van wat fysiek mogelijk is. Als dat goed gaat mag hij na 3 weken uitbreiden naar 3 hele dagen, ook nog boventallig. Ondertussen bouwt hij conditie op die nodig is voor de uitvoering van zijn werk. Gezien de verzuimduur adviseer ik dat hij voorlopig wel door gaat met re-integratie 2e spoor.” 

Als re-integratiedoel geeft de bedrijfsarts aan dat de komende maanden moet blijken of een volledige werkhervatting mogelijk is of niet. Bij het oordeel van de bedrijfsarts is een “benutbare mogelijkheden lijst (bml)” gevoegd.

2.15. Op 31 oktober 2017 bericht beklaagde per mail aan klager, mede als reactie op de mail van klager van 24 oktober 2017, dat de uitkomst van het laatste bezoek aan de bedrijfsarts is, dat de re-integratie tweede spoor ook moet doorgaan en het zoeken naar passende vacatures daarmee relevant en nodig blijft. De vacatures die eerder aan klager waren toegezonden, waren ter oriëntatie. Beklaagde verzoekt klager deze vacatures te bekijken, aan te geven welk werk wel of niet aanspreekt. Doel is niet dat op deze vacatures al wordt gesolliciteerd. Daarnaast ontvangt beklaagde van klager graag vacatures die klager heeft gevonden. Klager laat daarop aan beklaagde per mail van 31 oktober 2017 weten wat zijn voorkeuren zijn.

2.16. Naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts laat de werkgever van klager op 2 november 2017 aan klager weten, dat eerst een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek wordt uitgevoerd naar de re-integratiemogelijkheden alvorens kan worden gestart met re-integratie.

2.17. Op 2 november 2017 verzoekt beklaagde klager nogmaals om naar passende vacatures te zoeken.

2.18. Per mail van 20 november 2017 stuurt beklaagde klager een passende vacature toe waarop kan worden gesolliciteerd met het verzoek aan klager haar een sollicitatiebrief toe te sturen zodat deze door beklaagde kan worden aangevuld. Beklaagde geeft verder aan van klager geen vacatures te hebben ontvangen met het verzoek aan te geven wat daarvoor de reden is.

2.19. Op 20 november 2017 brengt de compagnon van beklaagde een aanvullende Arbeidsdeskundige rapportage uit. Conclusie van dat rapport is, dat het eigen werk ongewijzigd niet passend is, er in het kader van de re-integratie aangepaste werkzaamheden zijn voor maximaal 2 uur verspreid over de dag op locatie, dat dit geen structurele werkzaamheden zijn en er daarmee onvoldoende mogelijkheden tot re-integratie (in het eigen werk) bij de eigen werkgever zijn. Blijkens de rapportage heeft er in het kader van het onderzoek overleg met de werkgever en met de bedrijfsarts plaatsgevonden. Dit rapport wordt eind november aan klager toegezonden.

2.20. Klager laat met een mail van 21 november 2017 aan beklaagde weten, dat hij wil re-integreren in het eigen werk, dat de werkgever weigert hieraan mee te werken en de werkgever heeft laten weten dat eerst een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek wordt uitgevoerd. Klager vraagt vervolgens of de uitkomst van dit onderzoek niet eerst moet worden afgewacht.

2.21. Diezelfde dag reageert beklaagde op deze mail en legt beklaagde aan klager uit, dat de bedrijfsarts heeft aangegeven dat spoor 2 doorloopt, dat dit losstaat van re-integratie bij de eigen werkgever en afwachten dus niet zinvol is.

2.22. Op 7 december 2017 heeft beklaagde weer een persoonlijk gesprek met klager bij klager thuis. Opnieuw geeft klager aan, dat hij wil re-integreren in het eigen werk, maar dat zijn werkgever dit tegenhoudt. Klager geeft aan in verband daarmee een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts te hebben gemaakt en de uitkomst daarvan af te willen wachten. Beklaagde legt opnieuw uit dat, zolang de bedrijfsarts niet anders aangeeft, de re-integratie spoor 2 doorloopt. 

2.23. Op 10 december 2017 ontvangt beklaagde van klager een concept-sollicitatiebrief.

2.24. Op 18 december 2017 heeft beklaagde telefonisch contact met klager. Klager geeft aan dat de afspraak met de bedrijfsarts geen doorgang heeft gevonden, er een nieuwe afspraak wordt gemaakt en hij, in afwachting van de uitkomst daarvan, geen actie in het tweede spoor onderneemt. 

2.25. In vervolg op dit gesprek zendt beklaagde aan klager in concept de 1e Voortgangsrapportage. In deze rapportage worden de hiervoor aangegeven ondernomen activiteiten beschreven en aangegeven dat klager van mening is, dat hij kan terugkeren in het eigen werk, de inzet van het tweede spoor daarom onnodig is en het gesprek met de bedrijfsarts te willen afwachten alvorens verder te gaan met het tweede spoor. Als vervolg wordt in het rapport aangegeven, dat aan klager passende vacatures zullen worden toegezonden waarop klager in het kader van het tweede spoor kan reageren. Per mail van 21 december 2017 geeft klager aan dat hij het betreffende rapport heeft gelezen en er op dat moment niets aan toe te voegen heeft. Op 27 december 2017 wordt de 1e Voortgangsrapportage per post aan klager en de werkgever van klager toegezonden.

2.26. Op 18 januari 2018 stuurt klager beklaagde een mail met een overzicht van sollicitaties naar vacatures. Beklaagde reageert daarop per mail van 22 januari 2018 en geeft aan dat klager niet alleen naar re-integratieplaatsen moet solliciteren en breder moet kijken dan alleen de bouwsector. 

2.27. Op 24 januari 2018 maakt klager in een e-mailbericht aan beklaagde en haar compagnon, kort samengevat, duidelijk dat hij zich niet kan vinden in de aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017, dat de bedrijfsarts aangeeft dat hij kan re-integreren in het eigen werk bij de werkgever van klager en de functies waarop hij door beklaagde geacht wordt in het kader van de re-integratie tweede spoor te solliciteren niet passend te vinden.

2.28. Beklaagde reageert daarop met een e-mailbericht van 29 januari 2018 waarin zij antwoordt op de vragen die haar begeleiding betreffen. Beklaagde licht toe waarom de vacatures naar haar oordeel wel passend zijn en geeft aan dat beklaagde in het kader van de re-integratie tweede spoor geacht wordt op passende vacatures en niet op een re-integratieplaats te solliciteren. Beklaagde legt uit dat de bedrijfsarts alleen een urenbeperking heeft gegeven voor het eigen werk, niet voor passend ander werk. Beklaagde geeft aan van klager te verwachten dat hij, aan de hand van de sollicitatiebrief die eerder (december 2017) in overleg met beklaagde is opgesteld, solliciteert en stuurt klager nog 2 passende vacatures toe. Bij het solliciteren biedt beklaagde klager ondersteuning aan.

2.29. Op 1 maart 2018 heeft beklaagde een gesprek met klager over de sollicitatie-activiteiten. Een verslag van dit gesprek wordt diezelfde dag aan klager en de werkgever van klager toegezonden.  

2.30. Op 21 maart 2018 pleegt beklaagde overleg met de bedrijfsarts naar aanleiding van het feit dat klager aangeeft dat hij alleen op een re-integratieplaats moet solliciteren en de bedrijfsarts zou hebben aangegeven dat hij eerst moet opbouwen in werk en hij nog niet bij een andere werkgever kan starten voor zijn volle werkuren zonder eerst te re-integreren. De bedrijfsarts geeft aan, niet met zekerheid te kunnen zeggen dat klager het werk 40 uur per week volhoudt en daarom het advies te hebben gegeven klager te laten re-integreren bij de eigen werkgever. 

Omdat sindsdien enige tijd verstreken is, geeft de bedrijfsarts ook aan dat klager ondertussen wel fulltime kan re-integreren bij een andere werkgever, maar daar geen 100% zekerheid over te hebben.

2.31. Bij brief d.d. 3 mei 2019 is door de gemachtigde van klager bij beklaagde geklaagd over de handelwijze van beklaagde bij haar begeleiding van klager bij de tweede spoor re-integratie en is beklaagde namens klager aansprakelijk gesteld voor schade die klager stelt te hebben geleden.

2.32. Op 14 mei 2018 is een eindrapportage door beklaagde opgesteld en is de opdracht beëindigd.

3. De klacht

3.1. De klacht heeft betrekking op de handelwijze van beklaagde bij de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor en bestaat, kort samengevat, uit de volgende onderdelen:

a. er is door beklaagde gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode. Beklaagde wordt verweten dat zij niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen. Zij heeft zich bij haar handelen volgens klager niet laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid jegens klager getoond. Volgens klager heeft beklaagde zijn belangen niet geïnventariseerd. Verder heeft beklaagde volgens klager geen oog gehad voor de gevolgen voor klager en heeft er ten onrechte geen afstemming en bijstelling van de aanpak plaatsgevonden met de collega-arbeidsdeskundige na de aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017. Door beklaagde is volgens klager ook niet geantwoord op zijn e-mailbericht van 28 januari 2018. Bovendien zou door beklaagde niet onafhankelijk en niet objectief jegens klager zijn gehandeld.

b. er is door beklaagde gehandeld in strijd met artikel 7 Gedragscode: de arbeidsdeskundige streeft naar een verhouding met cliënten die berust op respect. Klager is van mening dat het optreden van beklaagde zeer dwingend, belerend en vervelend was en niet van respect getuigde. In de terugkoppelingen van beklaagde aan de werkgever over het verloop van de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor is klager naar zijn oordeel niet dan wel onvoldoende gekend.

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan. 

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. 

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.  

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. 

Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. In het geval van deze klacht gaat het met name om de hiervoor reeds genoemde artikelen 1 en 7 Gedragscode SRA.

5.5. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klager: het Tuchtcollege beperkt zich tot een beoordeling van de handelwijze van de arbeidsdeskundige en geeft geen oordeel over de inhoudelijke vraag of klager nu wel of niet kon re-integreren bij zijn eigen werkgever, de door klager gestelde aansprakelijkheid van beklaagde en de door klager bij beklaagde geclaimde schade. Dit laat het Tuchtcollege bij de beoordeling van de klacht buiten beschouwing.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van beklaagde als register-arbeidsdeskundige bij de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager als volgt.

6.2. Het Tuchtcollege stelt vast, dat de taak en verantwoordelijkheid van beklaagde jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager. Daar heeft beklaagde klager, zowel bij de start als herhaalde malen gedurende de begeleiding, naar het oordeel van het Tuchtcollege duidelijk en zorgvuldig over geïnformeerd. Daarbij heeft beklaagde zich steeds (mogen) laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was. Dat klager de mening was toegedaan, dat re-integratie tweede spoor niet (meer) aan de orde was, maar hij gere-integreerd diende te worden in het eigen werk, doet daar niet aan af. Zoals beklaagde klager een en ander maal en naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht heeft uitgelegd, was zij in die discussie geen partij en diende zij, zo lang dit volgens de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige rapportages nog aan de orde was, uitvoering te geven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie tweede spoor. 

6.3. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager aan deze taak en verantwoordelijkheid, ondanks de spanningsvolle situatie waarin zij moest werken, op een jegens klager zeer zorgvuldige en respectvolle wijze uitvoering gegeven. 

Beklaagde heeft steeds en veelvuldig contact met klager onderhouden, klager steeds en bij herhaling geïnformeerd over haar taak en hetgeen van klager verwacht werd en vragen van klager zo goed als mogelijk beantwoord. 

Bovendien heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege de beschikbare informatie op een zorgvuldige wijze geïnventariseerd en steeds zorgvuldig afgewogen of de informatie van de bedrijfsarts en de (aanvullende) Arbeidsdeskundige rapportages aanleiding waren om het trajectplan en de begeleiding aan te passen. Beklaagde heeft klager steeds op correcte en zorgvuldige wijze geïnformeerd over de reden waarom de re-integratie tweede spoor moet worden voortgezet. 

Ook heeft beklaagde haar rapportages steeds eerst in concept aan beklaagde voorgelegd alvorens deze definitief werden gemaakt en aan de werkgever van klager en aan klager werden toegezonden. Beklaagde heeft aan de werkgever ook aangegeven dat klager niet akkoord was met het Trajectplan. Door deze wijze van handelen heeft beklaagde er naar het oordeel van het Tuchtcollege blijk van gegeven zich bewust te zijn van de belangen van klager en daar op een zorgvuldige wijze rekening mee gehouden.

Het verwijt van klager dat beklaagde zich niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid heeft getoond, acht het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

6.4. Ook het verwijt van klager dat beklaagde haar taak niet op een onafhankelijke en objectieve wijze heeft vervuld, acht het Tuchtcollege ongegrond. Noch uit de door partijen gewisselde stukken noch uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt van een feitelijke grondslag voor dit verwijt. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde bij de begeleiding van klager, uitgaande van de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, haar eigen onafhankelijke rol vervuld en heeft zij beklaagde op een onafhankelijke en objectieve wijze begeleid. 

6.5. Het verwijt dat beklaagde onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar andere passende functies, treft naar het oordeel van het Tuchtcollege evenmin doel. Beklaagde heeft klager een en andermaal gewezen op naar het oordeel van beklaagde passende vacatures. Dat klager van oordeel is, dat deze niet passend waren, doet daar niet aan af. 

Het is niet aan het Tuchtcollege om een oordeel te geven over de vraag of de betreffende vacatures wel of niet passend waren. Zoals aangegeven, beoordeelt het Tuchtcollege de handelwijze van beklaagde en geeft zij geen inhoudelijk oordeel over de bevindingen van een arbeidsdeskundige. Het is niet aan het Tuchtcollege om het verschil van inzicht daar over te beslechten.

6.6. Op grond van het vorenstaande is het Tuchtcollege van oordeel dat de klacht ongegrond is dat door beklaagde gehandeld is in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode en beklaagde niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen.

6.7. Wel geeft het Tuchtcollege aan beklaagde in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit in de vorm van een overweging ten overvloede mee, dat wanneer zij de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichtte, zij zich zeer bewust dient te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkenen aan te geven welke ten opzichte van haar compagnon andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft. Nogmaals: volgens het Tuchtcollege heeft beklaagde zich daar in deze zaak genoegzaam van gekweten, maar aan beklaagde geeft het Tuchtcollege mee, dat beklaagde deze afweging in vergelijkbare situaties bewust onder ogen moet zien en ter zake daarvan een zorgvuldige en voor betrokkenen kenbare en transparante afweging moet maken, zeker in situaties waarin het arbeidsdeskundig onderzoek van haar compagnon al onderwerp van discussie is. 

6.8. Ook de klacht dat er door beklaagde zou zijn gehandeld in strijd met artikel 7 Gedragscode en beklaagde klager niet op een respectvolle wijze heeft behandeld, acht het Tuchtcollege ongegrond. Noch de feiten noch hetgeen op de zitting aan de orde is gekomen, bieden feitelijke grond voor dit oordeel. Weliswaar had klager een andere visie op het nut en de noodzaak van de re-integratie tweede spoor dan beklaagde en heeft beklaagde klager een en ander maal gewezen op hetgeen van hem in het kader van de re-integratie tweede spoor verwacht werd, maar dit levert geen feitelijke grond op voor de klacht. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde klager, ondanks verschil in visie op de re-integratie tweede spoor, op een respectvolle en zorgvuldige wijze bejegend en behandeld. Dat klager de houding van beklaagde als dwingend, belerend en vervelend heeft ervaren, is naar het oordeel van het Tuchtcollege beleving van klager, maar is, objectief beschouwd, onvoldoende om te kunnen spreken van niet-respectvol gedrag van beklaagde. 

7. Slotsom

7.1. Nu alle klachtonderdelen ongegrond zijn bevonden, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 26 augustus 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois, lid

B. Gerringa, lid