Jurisprudentie

Kies jaartal
Kies een uitspraak

Uitspraak AT van 23 maart 2026 (AT 25/84)

Uitspraak AT van 23 maart 2026 (25/84 AT)

Trefwoorden

Ziekteverzuim. Hoor en wederhoor. Functiebeschrijving. Ongegrond.

Artikelen Gedragscode SRA 2023

6

Samenvatting

Arbeidsdeskundig onderzoek in kader ziekteverzuim. Klager is van oordeel dat hoor en wederhoor is geschonden. AT SRA deelt die visie niet. Tijdens arbeidsdeskundig onderzoek gesproken met klager en in driegesprek met werkgever, aansluitend concept-rapport opgesteld. Klager in gelegenheid gesteld om daarop te reageren waarna nog veel contact. Gedragscode SRA legt arbeidsdeskundige niet verplichting op om betrokkenen in de gelegenheid te stellen om op elkaars standpunten te reageren. Klacht dat leidinggevende niet is gesproken niet terecht. Arbeidsdeskundige heeft contact gehad met HR-functionarissen. Klager onderschreef ook functiebeschrijving dus gesprek met leidinggevende had volgens AT SRA geen relevante en toegevoegde waarde. Ongegrond.

Uitspraak van 23 maart 2026 (zaaknummer 25/84 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

“klager”,

tegen

“verweerder”, Register-Arbeidsdeskundige

1. Procesverloop

1.1. Via het webformulier is door klager op 2 september 2025 een klacht over de handelwijze van verweerder ingediend bij het secretariaat SRA. Bij het websiteformulier zijn bijlagen gevoegd, namelijk de klacht van klager bij de NVvA van 1 september 2025 en de brief aan verweerder, voorafgaand aan het arbeidsdeskundig onderzoek, van 19 augustus 2025.

1.2. Op 15 september 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij dit verweerschrift is een groot aantal bijlagen gevoegd.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 4 december 2025 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet tot een oplossing heeft geleid, daarmee niet vruchtbaar is gebleken en dat klager een uitspraak van het Tuchtcollege wenst. Verder heeft de Ombudsman SRA met deze brief laten weten, dat aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. Per mail van 16 december 2025 heeft klager het secretariaat SRA verzocht om de klacht door het Tuchtcollege in behandeling te laten nemen.

1.5. Op 7 januari 2026 heeft klager zijn klacht aangevuld en nog een aantal bijlagen aan het Tuchtcollege overgelegd.

1.6. Per mail van 9 januari 2026 heeft verweerder laten weten, dat hij op deze aanvulling niet schriftelijk reageert, maar op de zitting van het Tuchtcollege een nadere uitleg zal geven.

1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 26 februari 2026. Klager en verweerder zijn ter zitting verschenen. Klager en verweerder hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en verweerder meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op genoemde stukken, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Klager is werkzaam bij een gemeente. Op 18 september 2024 heeft klager zich arbeidsongeschikt gemeld voor het eigen werk. Er is sprake van samengesteld verzuim. Klager was eerder arbeidsongeschikt in de periode van 18 augustus 2024 tot 27 augustus 2024.

2.3. Verweerder, die werkzaam is als zelfstandige, krijgt van de werkgever van klager opdracht om de arbeids- en re-integratiemogelijkheden van klager te beoordelen binnen de kaders van het Burgerlijk Wetboek en de Wet Verbetering Poortwachter.

2.4. Op 19 augustus 2025 stuurt klager verweerder, voorafgaand aan het arbeidsdeskundig onderzoek, een brief waarmee klager een aantal bijlagen aan verweerder toestuurt (cv, tussentijdse evaluatie, voortijdige omzetting van de arbeidsovereenkomst naar onbepaalde tijd en evaluatie “Het Goede Gesprek”) en verweerder erop wordt gewezen dat alleen is voorzien in een gesprek met de Teamleider P&O en medewerker HR, maar niet in een gesprek met de directe leidinggevende van klager. Klager wijst verweerder erop dat er geen eenzijdig beeld mag ontslaan en in dat verband een gesprek met de leidinggevende van belang is, omdat deze op de hoogte is van de functie en werkomstandigheden van klager. Verder verzoekt klager verweerder om klager actief te betrekken bij het onderzoek en het opstellen van het rapport.

2.5. Na voorbereiding (dossieronderzoek) vindt op 19 augustus 2025 het arbeidsdeskundig onderzoek plaats. Dit onderzoek bestaat uit een werkgeversbezoek, een gesprek met de Teamleider P&O en een HR-medewerker van werkgever, een gesprek met klager, een beoordeling van de werkzaamheden van klager en een evaluatie van eerste bevindingen in een driegesprek met werkgever en klager na afloop van de individuele gesprekken.

2.6. Op 20 augustus 2025 stelt verweerder een concept arbeidsdeskundig rapport op. De conceptrapportage wordt op 20 augustus 2025 naar klager en de werkgever gezonden in het kader van het inzage- en correctierecht, voor klager exclusief het verslag van het gesprek met werkgever, voor werkgever exclusief het verslag van het gesprek met klager.

2.7. Conclusie van het onderzoek en de rapportage van verweerder is, dat klager op dat moment arbeidsongeschikt is voor het eigen werk, dat het eigen werk, gezien de beperkte actuele belastbaarheid, ook niet geschikt te maken is en er, gezien met name die actuele belastbaarheid, ook geen andere passende functies voor klager bij werkgever voorhanden zijn. Bij een verdere toename van de mogelijkheden van klager dienen interne mogelijkheden bij de werkgever mogelijk nogmaals te worden overwogen. Aangegeven wordt dat klager strikt genomen benutbare mogelijkheden in passende arbeid heeft, maar de belastbaarheid nog niet van dien aard is dat daaraan concrete mogelijkheden kunnen worden verbonden. Geadviseerd wordt, onder andere en kort samengevat, om:

-uitvoering te geven aan de adviezen van de bedrijfsarts (zoals gefaseerde urenopbouw en passende taken);

-een twee sporen-beleid te volgen: naast activiteiten spoor 1 ook te starten met activiteiten (oriëntatie en intake) gericht op het vinden van ander passend werk bij een andere werkgever (spoor 2) omdat nog niet duidelijk is of bij de werkgever een duurzaam re-integratieresultaat mogelijk is;

-bij wijzigingen in de belastbaarheid opnieuw onderzoek te doen naar mogelijkheden voor klager en de arbeidsmogelijkheden bij de eigen werkgever (spoor 1) te blijven beoordelen.

2.8. Op 28 augustus 2025 reageert klager op het concept. Klager verzoekt aan verweerder om de hiervoor in 2.4. genoemde brief van 19 augustus 2025 met de daarbij horende 4 bijlagen en de vragenlijst aan zijn rapport toe te voegen. Verder verzoekt klager aan verweerder om in zijn rapport op te nemen, dat hij meermaals nadrukkelijk heeft aangegeven dat hij graag wil re-integreren binnen spoor 1 bij voorkeur in de eigen functie.

2.9. Per mail van 29 augustus 2025 laat verweerder aan klager weten, dat hij de betreffende informatie reeds heeft betrokken bij het opstellen van zijn conceptrapportage en de aanvullende stukken niet als bijlage bij het definitieve rapport worden gevoegd omdat deze geen invloed hebben op de conclusies van het rapport.

2.10. Diezelfde dag maakt klager per mail bezwaar bij verweerder tegen het niet opnemen van de bijlagen bij het rapport en het onvolledig opnemen van de re-integratiewens (spoor 1) van klager.

2.11. Naar aanleiding van dit bezwaar neemt verweerder op 29 augustus 2025 telefonisch contact op met klager. Met klager wordt afgesproken, dat de door klager aangeleverde bijlagen worden opgenomen in de definitieve rapportage, evenals de bezwaarmail van klager van diezelfde dag, dat in de definitieve rapportage ook expliciet wordt benoemd waarom deze bijlagen worden opgenomen en dat in de definitieve rapportage ook zal worden vermeld dat klager meerdere malen nadrukkelijk heeft aangegeven terug te willen keren bij de eigen werkgever met een duidelijke voorkeur voor de oorspronkelijke functie. Deze afspraken worden door verweerder aan klager diezelfde dag per mail bevestigd. Daarbij wordt door verweerder op verzoek van klager ook bevestigd welke medewerkers van de werkgever van klager de definitieve rapportage zullen ontvangen. Ten slotte bevestigt verweerder aan klager dat, zoals met klager besproken, zijn conclusies niet wijzigen.

2.12. Klager reageert niet op deze mail.

2.13. Op 1 september 2025 stuurt verweerder de definitieve rapportage aan klager en de twee aan klager aangegeven medewerkers van werkgever. De definitieve rapportage voldoet aan de afspraken die daarover op 29 augustus 2025 met klager zijn gemaakt (de afgesproken bijlagen zijn bij het rapport gevoegd en de passage over de re-integratiewens van klager is in het rapport verwerkt).

2.14. Diezelfde dag maakt klager bij verweerder bezwaar tegen de definitieve rapportage. Volgens klager is sprake van een aantal ernstige tekortkomingen, kort samengevat: het ontbreken van een bijlagevermelding waardoor de onderbouwing en conclusies van het rapport niet ‘toetsbaar’ zouden
zijn, en onvoldoende transparantie, hoor-wederhoor en onderbouwing. Klager verzoekt verweerder om per direct te bevestigen welke bijlagen zijn toegevoegd, deze alsnog zichtbaar en correct als bijlagen op te nemen in het rapport en te laten weten aan wie het rapport definitief wordt verstrekt.

2.15. Verweerder laat klager per omgaande op 1 september 2025 weten het definitieve rapport aan te willen passen conform de wens van klager door een genummerd overzicht van de bijlagen aan het rapport toe te voegen en geeft (nogmaals) aan dat het rapport aan de twee eerdergenoemde medewerkers van werkgever zal worden toegezonden.

2.16. Vervolgens verzoekt klager op 1 september 2025 verweerder aan hem te laten weten of hij lid is van de NVvA of een andere beroepsvereniging voor arbeidsdeskundigen.

2.17. Verweerder probeert daarna, nog steeds op 1 september 2025, diverse malen contact te krijgen met klager, maar krijgt geen contact. Per mail laat verweerder aan klager weten lid te zijn van de NVvA en SRA en vraagt verweerder aan klager om hen zo spoedig mogelijk te laten weten of hij akkoord kan gaan met de door verweerder voorgestelde wijzigingen. Op dit verzoek komt geen reactie van klager.

2.18. Klager dient op 1 september 2025 bij de NVvA een klacht in tegen verweerder.

2.19. Verweerder verzendt daarna, nadat hij advies heeft gevraagd aan een collega-arbeidsdeskundige, een herziene versie van het definitieve rapport aan klager en de twee genoemde medewerkers van werkgever. De herziening bestaat daaruit dat aan de rapportage een genummerd overzicht van de bijlagen is toegevoegd.

2.20. Op 2 september 2025 dient klager zijn klacht in bij de SRA.

2.21. Op 3 september 2025 reageert klager per mail op de herziene definitieve versie van het rapport. Klager wijst erop dat zijn brief van 19 augustus 2025 niet als bijlage is toegevoegd. Daarnaast wil klager dat ook in het rapport wordt opgenomen dat hij geen gelegenheid heeft gekregen om te reageren op de informatie en het standpunt van de werkgever. Ten slotte wenst klager dat er nog een andere correctie in het rapport wordt verwerkt.

2.22. Naar aanleiding daarvan voegt verweerder de brief van 19 augustus 2025 nog als bijlage toe aan het rapport en het genummerde overzicht van bijlagen en stuurt verweerder het aldus gewijzigde rapport toe aan klager en de twee medewerkers van werkgever. Daarbij laat verweerder aan klager weten dat hij aan de overige wensen van klager geen gehoor geeft, dat dit ook niet hoeft volgens de voor hem geldende gedragsregels van de SRA, dat er geen verdere aanpassingen van het rapport meer zullen plaatsvinden en het rapport definitief is.

3. De klacht

3.1. Klager vindt dat verweerder bij het arbeidsdeskundig onderzoek en de opstelling van de arbeidsdeskundige rapportage in strijd heeft gehandeld met de regels 3 (vertrouwelijkheid), 4 (deskundigheid), 5 (informatieplicht) en 6 (eisen aan rapportages) van de Gedragscode SRA 2023 door, kort samengevat en puntsgewijs weergegeven:

a. Onduidelijkheid over de bijlagen bij de totstandkoming van het rapport: op nadrukkelijk verzoek van klager heeft verweerder diverse bijlagen aan het definitieve rapport toegevoegd. Die bijlagen zijn echter niet concreet benoemd in het rapport, niet als bijlage opgenomen en niet vindbaar in de definitieve versie van het rapport. Volgens klager is het daardoor onmogelijk om de conclusies van verweerder te verifiëren en de volledigheid van het rapport vast te stellen.

b. Geen onderbouwde toetsing van spoort 1: hoewel klager herhaaldelijk aan verweerder heeft aangegeven te willen re-integreren in spoor 1, is in de rapportage volgens klager geen objectieve of toetsbare analyse opgenomen van de mogelijkheden te re-integreren binnen de eigen organisatie van werkgever. Daarmee is volgens klager geen zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen spoor 1 en 2, terwijl dit een essentieel onderdeel vormt van het arbeidsdeskundig kader.

c. Schending van hoor en wederhoor: de schriftelijke en mondelinge inbreng van klager is volgens klager niet zichtbaar verwerkt. De rapportage van verweerder bevat ook geen reflectie op de standpunten of context (zoals eerdere re-integratiepogingen of de organisatieproblematiek bij werkgever). Daardoor is volgens klager sprake van een eenzijdig en onvolledig beeld.

d. Geen contact met direct leidinggevende: verweerder heeft uitsluitend gesproken met HR-functionarissen en niet met de direct leidinggevende van klager, die als enige inhoudelijke kennis heeft van de werkcontext en het functioneren van klager. Dit beïnvloedt volgens klager de zorgvuldigheid en objectiviteit van de rapportage.

e. Geen vertaling van medisch advies: er wordt volgens klager niet ingegaan op het advies van de bedrijfsarts om klager op aangepaste wijze vanuit huis werkzaamheden op te laten bouwen (1×1 uur, zonder druk/deadlines). Dit had door verweerder wel getoetst moeten worden in het kader van spoor 1. Er is volgens klager direct doorgeschakeld naar spoor 2 zonder analyse.

f. Er is door verweerder geen klachtenprocedure op zijn website vermeld: dit is volgens klager in strijd met het transparantievereiste.

3.2. Ter zitting heeft klager aangegeven dat hij de klacht die hiervoor onder f genoemd is (vermelding klachtenprocedure) laat vallen en die klacht verder buiten beschouwing kan blijven. Over dit onderdeel van de klacht zal het Tuchtcollege dan ook geen uitspraak doen.

4. Het verweer

4.1. Verweerder voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA 2023) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

5.3. Het Tuchtcollege oordeelt op basis van de klacht uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Bij de beoordeling van het handelen van de arbeidsdeskundige gaat niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat verweerder met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. Het Tuchtcollege toetst de inhoud van het werk en de inhoudelijke conclusies van verweerder slechts marginaal aan de hand van de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen. De eventuele gevolgen van de handelwijze van verweerder laat het Tuchtcollege ook buiten beschouwing.

5.4. Ter voorlichting van klager geeft het Tuchtcollege in dit geval verder aan, dat het Tuchtcollege dus geen oordeel geeft over het ziekteverzuim van klager, de re-integratie-inspanningen van de werkgever (spoor 1 en 2) en de vraag of aan de Wet Verbetering Poortwachter en/of NVvA-normen is voldaan. In dit geval beoordeelt het Tuchtcollege de handelwijze van verweerder bij het door hem in augustus 2025 uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek en de daaruit volgende rapportage.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en verweerder over en weer hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Algemeen

6.2. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de handelwijze van verweerder in deze zaak zich, ondanks de druk die op hem werd uitgeoefend, kenmerkt door een hoge mate van integriteit, professionaliteit en deskundigheid. Ook is het Tuchtcollege van mening dat verweerder op zeer goede wijze invulling heeft gegeven aan zijn toenaderingsverantwoordelijkheid door, zo lang als dat nodig was, op redelijke wijze met klager in gesprek te komen en te blijven en klager alle relevante informatie te verschaffen die deze nodig had om zijn eigen belangen verantwoord te kunnen behartigen (zie wat dat betreft ook: AT 14 maart 2025, 24/78 AT). Verder oordeelt het Tuchtcollege dat de rapportage van verweerder voldoet aan alle eisen die in regel 6 Gedragscode SRA 2023 aan rapportages worden gesteld.

6.3. Het Tuchtcollege is van oordeel dat alle klachtonderdelen en daarmee de klacht in haar geheel ongegrond is. Dit oordeel wordt hierna uitgewerkt en toegelicht.

Klachtonderdeel a (bijlagen)

6.4. Klachtonderdeel a betreft, kort gezegd, onduidelijkheid over de bijlagen bij de totstandkoming van het rapport. Klager beklaagt zich over de gang van zaken met betrekking tot de bijlagen.

6.5. Regel 6 Gedragscode SRA 2023 geeft weer aan welke eisen rapportages van Register-Arbeidsdeskundigen moeten voldoen. Naar het oordeel van het Tuchtcollege is aan die eisen met de rapportage van verweerder voldaan. Verweerder heeft in de rapportage helder aangegeven op basis van welke feiten, verkregen langs welke in de rapportage beschreven wijze, en op basis van welke analyse, verweerder per onderdeel tot welke conclusies komt. De stellingname van klager dat het onmogelijk is om de conclusies van verweerder te verifiëren en de volledigheid van het rapport vast te stellen, wordt door het Tuchtcollege niet gedeeld. Het is aan de arbeidsdeskundige om te beoordelen of en welke informatie, in dit geval: bijlagen, relevant is voor de afweging van belasting en belastbaarheid. De arbeidsdeskundige heeft daarbij een grote mate van vrijheid.

6.6. In dit geval geldt bovendien dat verweerder de afspraken met klager van 29 augustus 2025 over de bijlagen, de opmerking over spoor 1 en vermelding van de personen aan wie de rapportage wordt toegezonden volledig is nagekomen en ook daarna nog aan de aanvullende wensen van klager met betrekking tot het concreet benoemen en het geven van een overzicht van de bijlagen bij het rapport tegemoet is gekomen. De bijlagen zijn volgens het Tuchtcollege heel overzichtelijk en wel degelijk vindbaar opgenomen bij de definitieve rapportage van verweerder.

6.7. Gelet hierop is dit klachtonderdeel naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

Klachtonderdeel b (spoor 1)

6.8. Klachtonderdeel b, namelijk dat de rapportage van verweerder geen deugdelijk onderbouwde toets van de mogelijkheden van re-integratie spoor 1 bevat, wordt door het Tuchtcollege niet begrepen en niet gevolgd.
In de rapportage van verweerder (m.n. hoofdstuk 8) wordt deugdelijk onderbouwd afgewogen en geoordeeld, dat er, gezien de zeer beperkte belastbaarheid van klager op dat moment, geen mogelijkheden zijn voor re-integratie spoor 1 (eigen of ander werk bij de werkgever), maar dat dit op een later moment, bij verbetering van de belastbaarheid en na een vervolg arbeidsdeskundig onderzoek, wellicht wel mogelijk is. In de rapportage wordt door verweerder verder deugdelijk gemotiveerd waarom wordt geadviseerd om, ondanks de zeer beperkte belastbaarheid, al wel te starten met de intake- en oriëntatiefase van het spoor 2-traject. Daarbij gold, zoals verweerder in het rapport heeft aangegeven en ter zitting heeft toegelicht, dat spoor 1 leidend is en blijft en daarmee alsnog gestart zou kunnen worden bij een verbetering van de belastbaarheid en mogelijkheden van klager.

6.9. Dit klachtonderdeel faalt derhalve. Dat verweerder daarmee niet tegemoetkomt aan de dringende wens van klager om op het moment van het onderzoek en de rapportage toch in spoor 1 te kunnen starten, maakt dat niet anders.

Klachtonderdeel c (hoor en wederhoor)

6.10. Ook de klacht dat verweerder het hoor- en wederhoor-principe heeft geschonden (klachtonderdeel c), is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

6.11. Verweerder heeft met klager gesproken in het kader van het onderzoek (zowel met klager alleen als in een drie-gesprek waar naast klager ook de werkgever aan deel nam), zijn concept-rapportage met klager gedeeld, klager in de gelegenheid gesteld te reageren en, mede naar aanleiding van de reacties en wensen van klager met betrekking tot de rapportage, nog veelvuldig contact met klager gehad alvorens tot een definitieve rapportage te komen. In de rapportage van verweerder worden de standpunten van, in dit geval: werknemer en werkgever, weergegeven. De gedragscode SRA 2023 legt aan de arbeidsdeskundige niet de verplichting op om betrokkenen in de gelegenheid te stellen om op elkaars standpunten te reageren. Het is aan de arbeidsdeskundige om af te wegen of dit noodzakelijk is in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek. Naar de mening van het Tuchtcollege heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om klager nog op het standpunt van de werkgever te laten reageren.

Klachtonderdeel d (leidinggevende)

6.12. Klachtonderdeel d betreft de klacht dat verweerder in verband met zijn onderzoek uitsluitend heeft gesproken met HR-functionarissen, maar niet met de leidinggevende van klager die volgens klager als enige inhoudelijke kennis heeft van de werkomgeving en het functioneren van klager.

6.13. Ook hier geldt dat het aan de arbeidsdeskundige is om af te wegen of hij bij de afweging van belasting en belastbaarheid de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit de (on)mogelijkheden van betrokkene in voldoende mate blijken (regel 6 lid 2 Gedragscode SRA 2023).
Gezien de informatie waarover verweerder blijkens zijn rapportage de beschikking had en gezien het feit dat klager, zoals klager ter zitting ook bevestigde, geen bezwaar had tegen de aan verweerder ter beschikking gestelde functiebeschrijving, heeft verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege in redelijkheid kunnen oordelen dat een gesprek met de leidinggevende geen relevante en toegevoegde waarde had bij zijn arbeidsdeskundig onderzoek. Daarmee is ook dit klachtonderdeel volgens het Tuchtcollege ongegrond.

Klachtonderdeel e (vertaling medisch advies)

6.14. Ook de klacht dat verweerder het medisch advies van de bedrijfsarts niet vertaald heeft in zijn rapport, faalt naar het oordeel van het Tuchtcollege.

6.15. Het Tuchtcollege constateert dat het rapport van verweerder de (medisch gezien zeer beperkte) belastbaarheid van klager vermeldt en, uitgaande van die belastbaarheid, op inzichtelijke en consistente wijze duidelijk maakt dat er ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek geen duurzame re-integratiemogelijkheden zijn voor klager in spoor 1. Voor de stellingname van klager dat dit door verweerder niet is getoetst en verweerder, zoals klager stelt, direct is doorgeschakeld naar spoor 2 zonder analyse, bestaat volgens het Tuchtcollege geen feitelijke grond.

7. Slotsom

7.1. Op basis van het vorenstaande concludeert het Tuchtcollege dat de klacht van klager in al haar onderdelen ongegrond is. Het Tuchtcollege komt daarmee tot de slotsom dat de klacht ongegrond is.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 23 maart 2026 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

B.B. Gerringa, lid

drs. J.L.S. Lussing – van der Pol, lid