Jurisprudentie

Kies jaartal
Kies een uitspraak

Uitspraak CAT van 29 mei 2026 (26/34 CAT)

Uitspraak CAT van 29 mei 2026 (26/34 CAT)

Trefwoorden

Niet-ontvankelijk in beroep.

Art. 16 Tuchtreglement SRA

Samenvatting

Beroepschrift niet ondertekend en aanvullend beroepschrift niet tijdig ingediend. Niet-ontvankelijkheid. Overweging CAT ten overvloede: beroep was hoe dan ook ongegrond geweest. Berisping dus gehandhaafd.

Uitspraak CAT van 29 mei 2026

Zaaknummer 26-34/CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA op de klacht van

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: klaagster,

gemachtigde: mevrouw mr. M.P. Houwing te Amsterdam,

tegen:

Register-Arbeidsdeskundige,

appellant,

verweerder in eerste aanleg,

hierna te noemen: appellant.

Procesverloop

1.1 Bij niet-ondertekende schriftuur, ontvangen door het secretariaat SRA per e-mail op 16 januari 2026, heeft appellant (tijdig) beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 9 december 2025 met zaaknummer 25-82/AT, gegeven tussen appellant en klaagster. Voor het procesverloop bij het AT verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’.

1.2 Overeenkomstig zijn verzoek is aan appellant bij e-mail van het secretariaat SRA van 22 januari 2026 op de voet van artikel 16.4 Tuchtreglement SRA gelegenheid gegeven tot aanvulling van zijn beroepschrift binnen een termijn van 4 weken en indiening van een ondertekend exemplaar daarvan.

1.3 Bij brief gedateerd 16 februari 2026 met onderwerp: “Beroep. Tuchtcommissie in casu klacht. Reactie op aankondiging SRA. Incorrecte procesgang” heeft appellant een nadere toelichting gegeven en opnieuw verzocht “de klacht te seponeren vanwege een onjuiste procesgang.”

1.4 Met betrekking tot de ontvangst van de in 1.3 genoemde brief heeft de secretaresse van de SRA, schriftelijk het volgende verklaard:

“Op 23 februari 2026 is ondergetekende bij de postbus geweest. Op dat moment bevond de bijgaande brief van appellant zich niet in de postbus. Op 28 februari 2026 was deze brief wel aanwezig in de postbus. (…). Hieruit volgt dat de brief tussen 23 februari 2026 en 28 februari 2026 door PostNL in de postbus moet zijn gedeponeerd. (…).”

1.5 Bij e-mail van 30 maart 2026 aan het secretariaat SRA is door de gemachtigde van klaagster een verweerschrift gedateerd 26 maart 2026, met producties, ingediend. Voorts is eveneens bij e-mail van 30 maart 2026 door klaagster zelf een (tweede) verweerschrift, eveneens met producties, ingediend.

1.6 Op verzoek van de voorzitter van het CAT heeft de voorzitter van het AT een door hem ondertekende schriftelijke notitie uitgebracht met betrekking tot de samenstelling van het AT in eerste aanleg en de gang van zaken op de zitting van het AT. Bij die notitie was gevoegd e-mailverkeer uit september 2025 met betrekking tot de zaaktoedeling aan een lid van het AT, alsmede een e-mail van betreffend lid van 12 maart 2026 aan de voorzitter van het AT. Deze e-mail luidt als volgt:

“Ik heb het nog eens nagekeken. In 2013 zat beklaagde in ieder geval al niet meer in mijn OT. Hoe lang toen al niet meer weet ik niet omdat ik gegevens niet zo lang bewaar. In mijn herinnering toen al enkele jaren niet meer.

Voorzitter van de NVvA regio Zuid ben ik geweest tot in 2010.

Ben hem later ook vrijwel niet op bijeenkomsten van de beroepsgroep tegengekomen.

Ik heb geen privé contacten met beklaagde en heb deze ook niet gehad.

Ik heb het wel meteen bij het secretariaat bij binnenkomst van de klacht gemeld dat ik hem wel kende vanuit een lang geleden OT.

We zijn geen echte collega’s geweest. Ik werkte bij ABP later USZO en beklaagde bij andere voorganger UWV. Weet niet meer bij welke. Toen UWV per 2002 ontstond waren we collega’s UWV (ik ben 1-8-2002 weg gegaan bij UWV) maar op verschillende kantoren.”

1.7 Bij e-mails van het secretariaat SRA van 2 april 2026 te 10:49 met “Onderwerp: Verweerschrift (…) tegen het beroepschrift in zaak CAT 26-34” en van 2 april 2026 te 11:32 uur met “Onderwerp: Voortgang CAT 26-34” en waarbij gevoegd de in 1.4 t/m 1.6 genoemde stukken, zijn partijen in de gelegenheid gesteld desgewenst op deze stukken te reageren in een schriftelijke toelichting.

1.8 Op 16 april 2026 heeft appellant zijn “Reactie op e-mail d.d. 02-04-2026 [klaagster]” aan het secretariaat SRA gemaild. Klaagster heeft vervolgens op 22 april 2026 haar schriftelijke reactie gemaild aan het secretariaat SRA.

1.9 Aansluitend is aan partijen medegedeeld dat met de nadere toelichtingen van beide partijen het partijdebat is gesloten, er geen gelegenheid meer bestaat tot indiening van stukken en de stukken van het geding ter hand worden gesteld aan het CAT. Ten slotte is medegedeeld dat het CAT voornemens is uitspraak te doen op 12 juni 2026. De uitspraak is nader bepaald op heden.

Overwegingen

2.1 In zijn uitspraak van 9 december 2025 is de klacht van klaagster, thans verweerster in hoger beroep, over de handelwijze van thans appellant bij het door hem in oktober en november 2024 ten aanzien van klaagster uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek en de opstelling van zijn arbeidsdeskundige rapporten van 2024 en 2025, door het AT samengevat als volgt weergegeven:

a. bij het arbeidsdeskundig onderzoek was aanvankelijk geen rechtstreeks contact met appellant mogelijk, maar dit contact verliep uitsluitend via de casemanager;
b. er konden alleen maar online (beeldbellen) gesprekken met appellant worden gevoerd en er was geen persoonlijk, fysiek contact met appellant;
c. er is door appellant niet onafhankelijk en objectief gehandeld;
d. er is door appellant aanvankelijk niet gereageerd op het commentaar en de correcties van klaagster op en van de rapporten van appellant;
e. appellant heeft een onjuiste functionele mogelijkhedenlijst gebruikt en onjuiste en onvolledige rapporten opgesteld;
f. er heeft geen hoor/wederhoor plaatsgevonden;
g. appellant heeft klaagster procedureel geïntimideerd en zich respectloos gedragen;
h. appellant is de afspraken gemaakt bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA niet nagekomen.

2.2 Na daartoe door appellant gevoerd verweer heeft het AT de klachtonderdelen b., d., e., f. en g. gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van berisping opgelegd.

2.3 Appellant heeft in zijn schriftuur (zie 1.1) het CAT verzocht “om de klacht te seponeren vanwege een onjuiste procesgang.”

2.4 Klaagster en haar gemachtigde hebben bij afzonderlijke verweerschriften geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellant in zijn beroep, althans dat beroep ongegrond te verklaren, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3.5 Tuchtreglement SRA. In dat verband hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de aanvulling op het beroepschrift van appellant te laat is binnengekomen bij het secretariaat SRA. Klaagster heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven niet incidenteel te appelleren.

Ontvankelijkheid

3.1 Het CAT stelt voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 lid 3 van het Tuchtreglement SRA “Het beroepschrift is ondertekend door degene die het beroep instelt, dan wel door zijn advocaat of een andere schriftelijk gemachtigde.”

De door appellant als beroepschrift ingediende schriftuur is niet ondertekend. Bij de in 1.2 genoemde e-mail van 22 januari 2026 is appellant gewezen op dit verzuim en is appellant gelegenheid gegeven tot indiening van een ondertekend exemplaar van zijn beroepschrift binnen een termijn van 4 weken. Appellant heeft daaraan geen gehoor gegeven. Dit leidt ertoe dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep en (dus) het CAT niet toekomt aan inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

3.2 Het CAT stelt vast dat sprake is van een administratief minder gelukkig verloop in hoger beroep waardoor aanvankelijk bij klaagster de indruk lijkt te zijn ontstaan dat van een tijdig ingediend beroepschrift geen sprake was. Zo lijken in strijd met het bepaalde in artikel 3.7 Tuchtreglement SRA de administratiekosten vroegtijdig aan klaagster te zijn gerestitueerd.
Het antwoord op de vraag of de door appellant op 16 januari 2026 – derhalve binnen de termijn gesteld in artikel 14.1 Tuchtreglement SRA – ingediende schriftuur als een beroepschrift in de zin het van Tuchtreglement SRA dient te worden aangemerkt, is evenwel uiteindelijk aan het CAT.

Het CAT betreurt dat dit misverstand bij klaagster is ontstaan, maar wijst er wel op dat in de aan klaagster bekende e-mail van 22 januari 2026 van het secretariaat SRA aan appellant (1.2) gelegenheid wordt gegeven tot aanvulling van zijn beroepschrift. Er is tijdig door appellant hoger beroep aangetekend, waarbij één procesrechtelijke grief is voorgedragen (zie hierna in 4.1.4), maar de aanvulling op zijn beroepschrift is niet tijdig binnen gekomen.

Ten overvloede

4.1 Onverminderd hetgeen hiervoor in 3.1. is overwogen hecht het CAT eraan het volgende onder de aandacht te brengen.

4.1.1 In zijn “Reactie op e-mail d.d. 02-04-2026 [klaagster]” (zie 1.8, hierna: de reactie) stelt appellant: “(…) Ik zie ook een attachment genaamd hoger beroep. Ik heb zelf alleen een voornemen van de Tuchtcommissie (aangetekend) mogen ontvangen. Daarna heb ik behalve de mail waarop ik nu reageer niets ontvangen. Hoger beroep bevreemdt mij dus (…).”
Het CAT kan niet anders dan deze passage als onbegrijpelijk aanmerken. Daargelaten dat de aan appellant toegezonden uitspraak van 9 december 2025 van “de Tuchtcommissie”, waarvoor het CAT leest: het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, geen voornemen inhoudt maar zijn einduitspraak en het secretariaat SRA daar reeds in de e-mail van 22 januari 2026 (1.2) op heeft gewezen, geldt dat appellant met die e-mail een bevestiging van de ontvangst van zijn schriftuur heeft ontvangen en dat appellant bij e-mails van 2 april 2026 van het secretariaat SRA (1.7) nadere stukken heeft ontvangen. Alle e-mails zijn gestuurd aan het door appellant zelf gebruikte e-mailadres. Hij heeft daarop ook 2 x gereageerd, namelijk door middel van zijn brief gedateerd 16 februari 2026 (1.3) en in de reactie. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat appellant niet alle processtukken heeft ontvangen en hij zich daarover (dus) niet heeft kunnen uitlaten. Het recht op hoor en wederhoor is niet tekortgedaan.

4.1.2 In zijn reactie is appellant geheel voorbijgegaan aan de in 1.4 genoemde verklaring van de secretaresse van de SRA. Dat betekent dat onweersproken is komen vast te staan dat deze aanvulling van het beroepschrift met nadere gronden niet binnen de termijn van 4 weken gesteld in artikel 16.4 Tuchtreglement SRA heeft plaatsgevonden. Daarmee wordt deze aanvulling door het CAT buiten beschouwing gelaten.

4.1.3 In die reactie is appellant bovendien geheel voorbijgegaan aan de bij de e-mails van 2 april 2026 van het secretariaat SRA (1.7) gevoegde stukken, met name de schriftelijke notitie van de voorzitter van het AT en de e-mail van het lid-beroepsgenoot van het AT van 12 maart 2026, beide genoemd in 1.6. Daarmee zijn de feiten en omstandigheden opgesomd in laatstgenoemde e-mail als onbetwist tussen partijen komen vast te staan. Dat leidt tot het volgende.

4.1.4 De enige grief van appellant in zijn beroepschrift houdt in “(…) dat de procesgang niet voldeed aan de gestelde eisen van integriteit (…) een van de leden [van het AT, toev. CAT] (bleek) een oud-collega, een oud-meerjarig OT-lid en een oud regiovoorzitter te zijn, die ik dus persoonlijk al lange tijd meemaak. (…) Dit kan nimmer leiden tot een objectieve beoordeling.” Ter zake overweegt het CAT als volgt.

Gesteld noch gebleken is dat appellant (ter zitting) in eerste aanleg een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen één van de leden van het AT, met name eerdergenoemd lid, overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 e.v. Tuchtreglement SRA. In de notitie (1.6) heeft de voorzitter van het AT aangegeven dat appellant “(…) het betreffende AT lid ook niet (heeft) gewraakt of enigerlei ander verzoek gedaan tot een andere samenstelling van het AT.” Klaagster sluit hierbij aan in haar verweerschrift in hoger beroep. Dat neemt niet weg dat, anders dan klaagster lijkt te verdedigen, in beginsel in appel een beroep kan worden gedaan op het ontbreken van het recht op een eerlijk proces in eerste aanleg. Het ontbreken van een wrakingsverzoek in eerste aanleg staat daaraan niet in de weg. In dit geval, zo begrijpt het CAT zijn stellingen, beroept appellant zich daartoe op het ontbreken van de tuchtrechterlijke onpartijdigheid vanwege de deelname aan het AT in zijn zaak.

Appellant heeft in zijn beroepschrift en in zijn reactie enige tijdsaanduiding noch frequentie genoemd met betrekking tot zijn (professionele) contacten met een van de AT leden. Uit de in 1.6 geciteerde e-mail blijkt dat die contacten méér dan 10 jaar geleden zijn geweest. Bovendien waren het slechts min of meer incidentele zakelijke contacten, geen contacten in de persoonlijke sfeer. Daarmee zijn die contacten te lang geleden om aan de tuchtrechtelijke onpartijdigheid afbreuk te doen, behoudens bijzondere omstandigheden.
Daarvan is evenwel niet gebleken. Ten slotte neemt het CAT in aanmerking het uitgangspunt volgens artikel 15.2 Tuchtreglement SRA dat aan de behandeling van een klacht door het CAT wordt deelgenomen door in ieder geval één lid-beroepsgenoot werkzaam op het terrein van het Platform van de Nederlandse Vereniging van Arbeidsdeskundigen (NVvA) waarop de werkzaamheden van de arbeidsdeskundige betrekking hebben.

Uit het voorgaande volgt dat indien appellant ontvankelijk zou zijn geweest in zijn hoger beroep, dat appel geen doel zou hebben getroffen.

Beslissing

5.1 Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

– verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Aldus bij vervroeging beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 29 mei 2026 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, A.L. van Summeren en J.J. Wieman, leden.