Uitspraak 11 maart 2008
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als “de Raad”, op de klacht van de heer X, hierna aangeduid als klager, tegen de registerarbeidsdeskundige, de heer Y, hierna aangeduid als beklaagde. Procesverloop Bij brief van 3 november 2007 is door klager een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een verweerschrift d.d. 14 december 2006. Klager heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 2 januari 2008. Partijen hebben vervolgens hun standpunten nader toegelicht tijdens een hoorzitting op 13 februari 2008, waarbij partijen in persoon zijn verschenen. Klager heeft zich laten bijstaan door mr. Z en beklaagde liet zich vergezellen door diens broer. De feiten Klager is op 11 april 2005 uitgevallen voor zijn werk als foreman operator wegens knieklachten. Na een knieoperatie in juni 2005 start klager in juli 2005 met zijn reïntegratie-activiteiten. In november 2005 valt klager wederom uit, doch nu op grond van rugklachten wegens een hernia. In december 2005 wordt klager hieraan geopereerd, waarna hij in mei 2006 weer in eigen werkzaamheden wenst te hervatten. De bedrijfsarts deelt, na consultatie van beklaagde, de mening van klager niet en acht hem slechts geschikt te starten met passende arbeid voor 4 uur per dag volgens een opbouwschema. Klager vraagt op 2 juni 2006 een second opinion aan. Bij besluit van 22 juni 2006 deelt het UWV aan klager mede dat hij ingaande 16 mei 2006 niet geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk. Op verzoek van de Arbo-Unie heeft beklaagde in mei 2006, voorafgaande aan het oordeel van de bedrijfsarts over de arbeidsgeschiktheid van klager, een onderzoek ingesteld naar de situatie van klager inzake diens arbeidsongeschiktheid en reïntegratie. Op 15 juni 2006 en 20 juli 2006 bezocht klager het spreekuur van beklaagde. Op 24 mei 2006 en 27 juni 2006 bracht beklaagde een bezoek aan de werkgever van klager. Bij die gelegenheid sprak beklaagde met een tweetal leidinggevenden en met een HR-manager, terwijl hij ook de arbeidsplaats van klager bezocht. Voorts vond er nog telefonisch overleg plaats met diverse betrokkenen op meerdere data. Beklaagde had tweemaal overleg met de bedrijfsarts. Op 21 augustus 2006 brengt beklaagde een eerste rapportage uit waarin hij tot de conclusie komt dat klager ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn eigen functie. Op 25 oktober 2006 brengt beklaagde een tweede rapportage uit, gebaseerd op zijn onderzoek naar de situatie van klager inzake arbeidsongeschiktheid en reïntegratie. In het kader daarvan gaat hij na of er ander passend werk tot heden binnen de organisatie beschikbaar is, welke reïntegratieactiviteiten hebben plaats gevonden, of er op termijn passend werk beschikbaar komt en of het zgn. 2e spoor opgestart moet worden. Beklaagde stelt vast dat de werkgever geen vervangende arbeid ter beschikking kan stellen. Dit is in meerdere gesprekken met alle betrokkenen besproken, ook met klager. Hoewel klager aangeeft graag bij zijn werkgever te willen blijven werken, kan hij geen aangepaste functie noemen. Wel claimt klager dat hij zijn eigen werk zou kunnen doen of het werk van wachtchef (promotie). Betreffende dit laatste is in een eerder stadium al beoordeeld dat deze opties niet ingevuld kunnen worden, aldus beklaagde. Beklaagde stelt definitief vast dat klager niet zal terugkeren bij werkgever. Aan klager wordt begeleiding in het 2e spoor aangeboden. De rapportage is vervolgens naar werkgever gestuurd. Op 11 november 2006 vraagt klager opnieuw een second opinion aan omdat hij vraagtekens zet bij het ingezette 2e spoor bij de reïntegratie door werkgever. Na arbeidskundig onderzoek wordt door het UWV evenwel geconcludeerd dat werkgever voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen heeft verricht. In verband met het bereiken van einde wachttijd wordt klager in het kader van de WIA beoordeling gezien door de verzekeringsarts van het UWV. De primaire arbeidsdeskundige bezoekt eind maart 2007 de werkgever van klager en stelt een arbeidskundig onderzoek in, waarbij hij het maatgevende werk beschrijft en de daarin belastende aspecten. Op verzoek van de werkgever van klager is beklaagde bij dit onderzoek aanwezig. Het UWV besluit op 2 april 2007 aan klager geen WIA-uitkering toe te kennen omdat klager bij einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Klager wordt geschikt geacht voor de maatgevende functie van foreman operator. Werkgever maakt als derde-belanghebbende bezwaar tegen voornoemd besluit van het UWV en stelt dat het maatgevende werk veel te zwaar zou zijn voor klager. Hervatting door klager in eigen werk zou te veel risico opleveren. Werkgever onderbouwt zijn stelling met een rapport van beklaagde d.d. 25 april 2007. Op 3 oktober 2007 vindt een hoorzitting plaats waar de werkgever wordt bijgestaan door een Arbo-arts en door beklaagde, die als zijn mening te kennen geeft dat gezien de belasting in het werk, afgezet tegen de belastbaarheid van klager, de maatgevende arbeid niet passend is. Klager zou eventueel ander, passend werk kunnen doen bij deze werkgever, bijvoorbeeld wachtchef, maar klager voldoet niet aan de interne eisen die voor deze functie vereist zijn. Bij de huidige werkgever is de risico-inventarisatie van groot belang. Indien een werknemer niet 100% fit is, kan hij niet aan het werk. Heroverweging in bezwaar leidt tot gegrond verklaring van het door werkgever ingediende bezwaar. Klager wordt alsnog niet geschikt geacht voor het verrichten van de maatgevende arbeid. De klachten Kort en zakelijk samengevat zijn de klachten: 1. Beklaagde heeft zich niet onafhankelijk opgesteld; 2. Klager is niet in de gelegenheid gesteld om zich tegen de door beklaagde in zijn arbeidskundige rapportage getrokken conclusie, dat klager ongeschikt is voor zijn eigen functie, te verweren; 3. Beklaagde heeft een onjuist/vals beeld geschapen van de maatgevende functie; 4. Beklaagde stelt alles in het werk om klager arbeidsongeschikt verklaard te krijgen en dat in opdracht van de werkgever van klager; Het verweer Beklaagde stelt zich, blijkens het door hem gevoerde verweer, op het standpunt dat er sprake is van een normale arbeidskundige beoordeling en begeleiding van werkgever in het kader waarvan hij op grond van de door de bedrijfsarts opgestelde beperkingen heeft geconcludeerd dat het 1e spoor geen mogelijkheden geeft en het 2e spoor wordt opgestart met een reïntegratiebedrijf. Nadat het UWV klager bij einde wachttijd als functiegeschikt heeft beoordeeld, heeft werkgever hem verzocht om het dossier te blijven volgen en aanwezig te zijn bij het bezoek aan de hoorzitting in het kader van het door werkgever ingediende bezwaar en eveneens aanwezig te zijn bij het bezoek van de bezwaararbeidsdeskundige aan werkgever. Aan dit verzoek van de werkgever heeft beklaagde gevolg gegeven. Naar het oordeel van beklaagde zit het probleem in dit dossier in de afwijkende mening van de primaire verzekeringsarts die de WIA aanspraak heeft beoordeeld ten opzichte van de drie andere artsen die in dit dossier actief zijn geweest. De aan de orde zijnde feiten zijn vanaf de aanvang van het dossier niet gewijzigd of door beklaagde beïnvloed. Afhankelijk of onafhankelijk optreden heeft daar geen enkele invloed op. Klager geeft in zijn klacht nergens aan op basis van feiten en concrete gegevens waaruit het gebrek aan onafhankelijkheid zou blijken, alsook waaruit de invloed van het gebrek aan onafhankelijkheid zou bestaan. Elk argument en bewijs ontbreekt. De werkwijze van de Raad Art. 4 van het Reglement van de Raad van toezicht bevat bepalingen betreffende de werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige zijn onderzoek binnen de in de gedragsregels gestelde kaders heeft uitgevoerd. Tijdens de hoorzitting stelt beklaagde dat de Raad zich dient te beperken tot een beoordeling van de door klager geformuleerde klachten en voor zover die klachten beperkt zijn geformuleerd, is dat voor rekening en risico van klager. De Raad deelt deze opvatting niet. Het Reglement schrijft de Raad zonder enige beperking voor de klacht te toetsen aan o.a. de Gedragsregels. Mede gelet op de doelstelling van de Stichting, namelijk het waarborgen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en het daarbij beoogde publieke belang, is de Raad bevoegd een klacht over de beroepsuitoefening van een arbeidsdeskundige te beoordelen aan alle bepalingen van de Gedragsregels. De Gedragsregels geven overigens geen limitatieve opsomming van de gevallen waarin geklaagd kan worden. Met betrekking tot de klachten De Raad leest de klacht van klager aldus dat klager in ieder geval van oordeel is dat beklaagde gehandeld heeft in strijd met de Gedragsregels 3.3 en 2.2. die als volgt zijn geformuleerd. 3.3.Onderzoeksmethode De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid. (…) 2.2. Persoonlijke beperkingen (…) De Register-Arbeidsdeskundige geeft, na overleg met zijn opdrachtgever, de opdracht terug indien persoonlijke of zakelijke omstandigheden hem verhinderen een objectief onderzoek in te stellen of deze, na aanvang te voltooien. De overwegingen van de Raad Algemeen De belangen, zowel van werkgevers als van werknemers, waarmee een arbeidsdeskundige beroepshalve wordt geconfronteerd, zijn groot. Zij vormen veelvuldig aanleiding tot ernstige geschillen in en buiten rechte. Een vakbekwaam uitgevoerd arbeidsdeskundig onderzoek kan dat op zich niet voorkomen. Wel mag verwacht worden dat de rapportage en het optreden van een arbeidsdeskundige zodanig zal zijn dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat de rapportage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen of doordat er geen duidelijkheid bestaat over de rol van de arbeidsdeskundige ten opzichte van de onderzochte. Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in zijn rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen op een in de rapportage beschreven wijze en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse hij per onderdeel tot welke conclusies komt. Het is voorts van het allergrootste belang, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan de accepteren. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werkgever of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in art 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen. In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden. Doet hij dat wél, dan zal zijn handelen eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels. In het licht van de door de Raad eerder geconstateerde schendingen van deze voor de beoefening van het beroep van arbeidsdeskundige zo belangrijke normen, zal de Raad overtredingen terzake met een zware sanctie treffen. M.b.t. het niet onderzoeken van de functie van wachtchef Gelet op het bovenstaande en hetgeen door partijen, zowel mondeling als schriftelijk naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt. Uit het verhandelde op de hoorzitting is onomstotelijk komen vast te staan dat beklaagde nagelaten heeft om in zijn rapportage een arbeidskundig oordeel te geven over een door klager aangedragen passende functie, te weten de functie van wachtchef, een functie die, zo is gebleken, ook naar het oordeel van beklaagde qua belasting als passend kan worden gekwalificeerd. Beklaagde heeft aangegeven niet tot een beschrijving van de functie van wachtchef te zijn overgegaan omdat de werkgever van klager had aangegeven klager voor die functie niet in aanmerking te willen laten komen. Het beschrijven van die functie in relatie tot de bij klager aanwezige beperkingen en het geven van een arbeidskundige visie op de geschiktheid van klager voor die functie had naar het oordeel van beklaagde dus geen zin. De Raad kan beklaagde in diens betoog niet volgen. Klager heeft aangegeven dat de functie van wachtchef door hem zou kunnen worden vervuld, temeer omdat hij die functie in de praktijk menigmaal had uitgevoerd en in het bezit was van het voor die functie vereiste diploma. Naar het oordeel van de Raad had het op de weg van beklaagde gelegen om de functie van wachtchef in zijn arbeidskundige rapportage te beschrijven en tevens in zijn rapportage aan te geven of die functie voor klager, gelet op diens beperkingen en belastbaarheid, passend was. Tevens had beklaagde, voor zover hij van oordeel was dat er sprake was van een voor klager passende functie, zo nodig moeten aangeven om welke reden de werkgever klager voor het vervullen van die functie niet in aanmerking wenste te brengen. De Raad is van oordeel dat beklaagde door geen beschrijving te geven van de functie van wachtchef – een functie die door beklaagde overigens in de bezwaarfase als een voor klager passende werd gekwalificeerd – en door het nalaten van hem om zijn arbeidskundige visie te geven op de geschiktheid van klager voor deze functie in zijn rapportage cruciale en voor klager relevante gegevens heeft weggelaten. Klager is daardoor in zijn (arbeidsrechtelijke) belangen geschaad. Bovendien heeft beklaagde door aldus te handelen de schijn van partijdigheid op zich gelaten door zonder enig onderzoek en/of argumentatie het werkgeverstandpunt te volgen. M.b.t. het uitdragen van het werkgeversstandpunt buiten het onderzoek De Raad heeft op basis van de stukken en op basis van het verhandelde tijdens de hoorzitting vastgesteld dat beklaagde tijdens het arbeidsongeschiktheids- en reïntegratietraject intensief heeft samengewerkt met de werkgever van klager. Op zich hoeft dat zijn onafhankelijkheid niet te schaden. Beklaagde is echter verder gegaan. Op verzoek van de werkgever van klager is beklaagde bij diverse gelegenheden opgetreden als arbeidsdeskundige die het standpunt van werkgever van klager, inhoudende dat klager niet arbeidsgeschikt was voor de maatgevende functie en inhoudende dat er binnen de onderneming van werkgever geen andere voor klager passende functie voorhanden was, heeft ondersteund. Mede gelet op het ontbreken van de arbeidskundige visie van beklaagde op de functie van wachtchef in zijn arbeidskundige rapportages heeft beklaagde daardoor op zijn minst de schijn van partijdigheid opgeroepen. Het beoogde doel van onafhankelijkheid, te weten overdracht en acceptatie van arbeidskundige bevindingen door beide partijen, is hierdoor in gevaar gebracht, een gevaar dat zich, blijkens de klacht, in deze casus ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. De Raad is van oordeel dat beklaagde door op te treden als “RAD à décharge”, zonder klager hiervan op de hoogte te brengen en zonder zijn rol aan klager duidelijk te maken, volstrekt onvoldoende heeft gedaan om de schijn van gebrek aan onafhankelijkheid te voorkomen. Naar het oordeel van de Raad had beklaagde geen gehoor mogen geven aan het verzoek van de werkgever van klager om aanwezig te zijn bij de bezwaarhoorzitting en bij het onderzoek dat de bezwaararbeidsdeskundige bij de werkgever van klager heeft uitgevoerd. De arbeidsdeskundige rapportage had voor zich dienen te spreken. Dit klemt temeer nu beklaagde in zijn verweerschrift aangeeft dat het probleem in deze casus zit in de afwijkende mening van de primaire verzekeringsarts ten opzichte van de drie andere in deze zaak optredende artsen en dat de aan de orde zijnde feiten door hem niet kunnen zijn beïnvloed. Dit zo zijnde had zijn aanwezigheid op verzoek van de werkgever van klager bij de eerder genoemde aangelegenheden dus net zo goed achterwege kunnen blijven, zodat hij in ieder geval had voorkomen dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Nu kan zijn aanwezigheid worden uitgelegd als een steun aan de werkgever en als een ongewenste beïnvloeding van in ieder geval de bezwaararbeidsdeskundige. Conclusie De Raad concludeert op grond van het bovenstaande tot gegrond verklaring van de klacht. De Raad is van oordeel dat beklaagde niet de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid heeft betracht bij de door hem gehanteerde onderzoeksmethode door na te laten een beschrijving van en zijn arbeidskundige visie te geven op de functie van de voor klager passende functie van wachtchef. Voorts heeft beklaagde daarmee de (door hem te vermijden) schijn gewekt dat hij heeft gehandeld in strijd met de aan de Gedragsregels ten grondslag liggende beginselen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, en die indruk nog verstrekt door zijn – op verzoek van de werkgever van klager – aanwezigheid en optreden bij de bezwaarhoorzitting en bij het bezoek van de bezwaararbeidsdeskundige aan het bedrijf van de werkgever van klager. Sanctie Naar het oordeel van de Raad is klager door het nalaten c.q. handelen van beklaagde in zijn (arbeidsrechtelijke) belangen geschaad. Beklaagde had zich bewust moeten zijn van de gevolgen die zijn handelen c.q. het nalaten daarvan voor klager zou kunnen hebben. Gelet op de ernst van de gedragingen en de daaruit voortvloeiende gevolgen gelast de Raad daarom het ongedaan maken van de inschrijving van beklaagde uit het openbaar register van SRA voor de duur van drie maanden, alsmede integrale geanonimiseerde publicatie van deze uitspraak in het nieuwsblad van SRA en op de website van SRA.