Uitspraak 11 oktober 2005
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van mevrouw C, hierna te noemen klager tegen de register-arbeidsdeskundige mevrouw E, hierna te noemen beklaagde als arbeidsdeskundige in loondienst werkzaam bij G.
Procesverloop
Bij brief d.d. 24 februari 2005 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde. Op verzoek van de SRA heeft zij deze klacht nader uitgewerkt bij brief d.d. 29 maart 2005. Beklaagde heeft daarop verweer gevoerd, bijgestaan door de bedrijfsjurist van het landelijk opererende G. Klager heeft daarop bij brief d.d. 4 juli 2005 gereageerd onder overlegging van een aantal bijlagen.
De mondelinge behandeling vond plaats op 11 oktober 2005. Beklaagde en klager zijn daarbij in persoon verschenen. Beiden hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord. Beklaagde heeft zich laten bijstaan door K, bedrijfsjurist van G.
Situatieschets
Klager is sinds 1 februari 1999 voor 36 uur per week in dienst van M als management-assistente. Ingaande 14 januari 2004 valt zij (wederom) uit op psychische gronden. Er is sprake van een conflict met haar werkgever o.a. over de hoogte van haar salariëring en er zijn spanningen met haar twee direct leidinggevenden. Klager wil na enige tijd weer aan het werk. Als reïntegratie uitblijft, verzoekt zij het UWV om een deskundigenoordeel over de vraag of haar werkgever voldoende integratie-inspanningen heeft verricht. Zij meldt dit aan de fungerend arbo-arts van G, die de werkgever daarvan in kennis stelt. Nog voordat de uitslag van het UWV-onderzoek bekend is, reageert M door aan G zelf opdracht te geven voor een arbeidsdeskundig onderzoek naar interne en externe reïntegratiemogelijkheden. Het deskundigen-oordeel van UWV d.d. 16 november 2004 houdt kort gezegd in dat M onvoldoende pogingen heeft ondernomen om klager intern in een passende functie te plaatsen onder een manager, die niet direct bij het arbeidsconflict is betrokken, hoewel er voldoende potentiële arbeidsplaatsen aanwezig waren.
Beklaagde wordt belast met het door M aan G opgedragen onderzoek naar de reïntegratiemogelijkheden van klager. Van belang is, dat klager heeft geweigerd een machtiging aan beklaagde te ondertekenen om haar medisch dossier te mogen inzien; dat beklaagde voormeld deskundigenrapport kende; en dat zij een gesprek heeft gehad met de arbo-arts van G over de medische beperkingen van klager. Deze arbo-arts was niet dezelfde als waarmee klager contact had gehad.
In januari heeft beklaagde eerst een gesprek met de werkgever en daarna met klager. In februari 2005 voert zij een tweede gesprek met de werkgever, waarna zij haar eindrapport opstelt. Daarin komt zij tot de slotsom, dat er bij M geen reële mogelijkheden zijn om klager in eigen of passende functie tewerk te stellen. Aan dat rapport is een bijlage gehecht, bevattende een afvloeiingsvoorstel overeenkomstig de kantonrechterformule bij neutrale ontbinding, dat zoals tijdens de mondelinge behandeling op 11 oktober 2005 bleek, van M afkomstig was, aangevuld met een financieel voorstel tot externe reïntegratie, waarvoor beklaagde zich tegenover M sterk had gemaakt.
Klager heeft vrijwel direct na ontvangst van dit rapport aangekondigd een klacht tegen beklaagde te zullen indienen bij de SRA. Beklaagde heeft zich daarna als arbeidsdeskundige in deze zaak teruggetrokken. In april 2005 heeft de rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen klager en M ontbonden zonder dat enige poging tot reïntegratie was ondernomen.
Inhoud van de klachten:
1. De uitnodiging tot het arbeidsdeskundig onderzoek kwam uit de lucht vallen.
2. Beklaagde is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens c.q. heeft deze in onvoldoende mate geverifieerd.
3. Beklaagde is uitgegaan van de wensen van de werkgever en heeft niet op basis van eigen onderzoek haar rapportage uitgebracht.
4. De rapportage stemt niet overeen met de introductie van beklaagde en haar uitspraken tijdens het onderzoek
5. Beklaagde heeft verwachtingen gewekt t.a.v. de uitkomst van het onderzoek.
6. Beklaagde heeft zich niet gehouden aan de vereiste zorgvuldigheid in haar onderzoek.
7. Beklaagde heeft getracht door middel van voorbeelden uit de privé-sfeer een vertrouwelijke sfeer op te bouwen en heeft – daarmee – misbruik gemaakt van daardoor verstrekte vertrouwelijke informatie.
Inhoud van het verweer
Ad 1
Beklaagde is niet zelf verantwoordelijk voor de opdracht tot het arbeidsdeskundig onderzoek, omdat de opdracht kwam van haar werkgever.
Ad 2
Door de weigering van klager haar inzicht te geven in het medische dossier, was beklaagde sterk afhankelijk geworden van door de werkgever verstrekte informatie, die niet door klager zijn gecorrigeerd. In het bijzonder wijst beklaagde naar de standaard begeleidingsbrief bij haar rapport, waarin verwezen wordt naar de mogelijkheid om met haar contact op te nemen naar aanleiding van haar rapport. Klager heeft daarvan geen gebruik gemaakt, althans niet om het rapport op feitelijke onjuistheden te corrigeren.
Ad 3
De conclusies van beklaagde zijn gebaseerd op het feit dat zij heeft moeten constateren dat de wensen van klager (interne reïntegratie) niet overeenstemden met de wensen van de werkgever (externe reïntegratie). Anders dan klager stelt, heeft beklaagde de werkgever niet klakkeloos conform diens wensen geadviseerd. Beklaagde heeft haar advies mede uitgebracht met het oog op de eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid die een min of meer gedwongen reïntegratie voor klager zou kunnen hebben.
Ad 4
Beklaagde betwist deze klacht, behoudens dat zij gezegd zou hebben dat klager op grond van de Wet Poortwachter het gelijk aan haar kant zou hebben. De bereidheid van de werkgever om mee te werken aan interne reïntegratie ontbrak echter.
Beklaagde heeft klager bij de aanvang van haar onderzoek gezegd, dat zij 4 vragen moest beantwoorden: Kon zij haar eigen werk nog uitvoeren? Zo nee, kon zij ander werk bij eigen werkgever uitvoeren? Zo nee, zijn er mogelijkheden om haar naar ander werk te begeleiden en was een vervolgtraject gewenst? Was klager arbeidsgehandicapt? Aan de hand van die vragen heeft beklaagde haar onderzoek uitgevoerd.
Ad 5.
Beklaagde heeft geen verwachtingen gewekt.
Ad 6
Beklaagde betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.
Ad 7
Beklaagde erkent dat zij om een vertrouwensband op te bouwen gebruik maakt van haar praktijk- en levenservaring, zodat voor de cliënt ook de mens achter de arbeidsdeskundige zichtbaar wordt. Zij ontkent echter op enigerlei wijze misbruik te hebben gemaakt van – daardoor verkregen – vertrouwelijke informatie.
Oordeel van de Raad van Toezicht
Met betrekking tot de eerste klacht is de Raad van oordeel dat beklaagde geen verwijt gemaakt kan worden van de wijze waarop besloten is tot het aan haar opgedragen onderzoek. De Raad verklaart die klacht ongegrond.
De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat beklaagde is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is met name duidelijk geworden, dat beklaagde geen toegang heeft gehad tot medische gegevens van klager. Beklaagde heeft onweersproken gesteld, dat zij van de fungerend Arbo-arts te horen heeft gekregen dat klager medisch gezien geen beperkingen had. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven, dat zij ná het indienen van de klacht alsnog haar medisch dossier van G heeft kunnen inzien en tot haar verbazing heeft moeten constateren dat daarin relevante medische gegevens of rapportages ontbraken. Ook de tweede klacht is dus ongegrond, voor zover die behelsde dat beklaagde van onjuiste informatie is uitgegaan.
De Raad heeft evenmin kunnen vaststellen, dat beklaagde bij de aanvang verwachtingen heeft gewekt t.a.v. de uitkomst van haar onderzoek. Weliswaar is komen vast te staan, dat beklaagde bij klager de indruk heeft gewekt, dat zij - klager – volledig gelijk had m.b.t. haar aanspraken op interne reïntegratie bij haar eigen werkgever, doch niet is komen vast te staan dat zij heeft toegezegd daartoe te zullen adviseren. De Raad acht de in die zin onder 5 geformuleerde klacht ongegrond.
Evenmin heeft beklaagde misbruik gemaakt van vertrouwelijk door klager ter hand gestelde gegevens. De Raad acht de in die zin onder 7 geformuleerde klacht ongegrond.
De onder 3,4 en 6 geformuleerde klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De Raad overweegt dienaangaande als volgt:
Het is de taak van een register-arbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen kan verrichten. In het kader van een reïntegratieonderzoek betekent dat – mede gezien in het licht van de wet Poortwachter – dat allereerst wordt onderzocht of de betrokkene zijn eigen arbeid – eventueel met aanpassingen – kan verrichten en (zo nee) welke andere passende arbeid bij de werkgever mogelijk is. Daartoe is onderzoek naar die andere passende functies nodig, en is het voorts gewenst de mutaties in die functies in het verleden en de te verwachten veranderingen in de toekomst in kaart te brengen.
I.c. stond vast dat klager geen beperkingen had van medische aard om haar eigen arbeid te verrichten. Het arbeidsconflict was in feite gemedicaliseerd. Tevens stond zonder nader onderzoek eigenlijk al vast dat bij de betrokken werkgever voldoende andere passende functies voorhanden waren, doch dat de werkgever weigerde aan werkhervatting mee te werken met een beroep op de weigering van aan haar ondergeschikte managers om klager onder hun verantwoordelijkheid werk te bieden. Die collectieve weigering was gebaseerd op het arbeidsconflict van klager elders in de organisatie en haar eerdere ziekteverzuim. De werkgever streefde daarom naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst met klager. Dit alles was beklaagde bekend, voordat zij op 21 januari 2005 het eerste en enige gesprek met klager had, omdat zij anders dan gebruikelijk eerst met de werkgever had gesproken.
Toen beklaagde ná het gesprek met klager wist, dat ook klager van mening was, dat zij zich tot haar eigen arbeid en andere passende arbeid bij haar eigen werkgever in staat achtte en zelfs heel concreet had kenbaar gemaakt welke andere werkplekken binnen de organisatie van haar werkgever voor haar geschikt waren, had het op de weg van beklaagde gelegen om te rapporteren, dat klager geschikt was voor eigen arbeid én andere passende arbeid binnen de organisatie van de werkgever én het daarbij te laten. Zo nodig had zij nog nader onderzoek naar de mogelijkheden van passende arbeid kunnen doen en de bevindingen daarvan in haar rapportage kunnen opnemen.
De conclusie van beklaagde daarentegen was dat er geen reïntegratiemogelijkheden waren. Weliswaar valt uit de rapportage van beklaagde op te maken, dat er in theorie eigen dan wel passende arbeid voorhanden was bij de eigen werkgever, doch centraal in haar rapportage staat dat reïntegratie door de houding van de werkgever geen reële optie was. Met die conclusie overschreed zij de grenzen van haar taak als arbeidsdeskundige. En deed zij in feite een uitspraak in een juridisch conflict. Tegen de door een (grote) werkgever met zulke door een arbeidsdeskundige nauwelijks te toetsen argumentatie uitgeoefende druk dient een register-arbeidsdeskundige bestand te zijn.
Beklaagde is nog een stap verder gegaan door zonder nader overleg met klager in haar eindrapportage een financieel afvloeiingsvoorstel op te nemen ná met de werkgever onderhandeld te hebben. In die eindrapportage wordt klager de mogelijkheid geboden over dat voorstel met beklaagde contact op te nemen. Zoals tijdens de mondelinge behandeling bleek had beklaagde daarmee een bemiddelende rol voor ogen.
De Raad stelt allereerst vast, dat beklaagde daarmee heeft gehandeld buiten haar onderzoeksopdracht. Voorts dient geconstateerd te worden dat beklaagde daarmee grote verwarring heeft gewekt over haar onpartijdigheid. Voor klager kon nu niet duidelijk zijn of beklaagde de vertrouwelijk verzamelde gegevens richtte op haar reïntegratiemogelijkheden of op de door haar werkgever nagestreefde beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Door zich sterk te maken voor klager en in het overleg met werkgever er nog een extra vergoeding voor extern outplacement uit te slepen, heeft zij de indruk gewekt voor klager tegen de werkgever op te treden.
De Raad erkent dat in de reïntegratiepraktijk de arbeidsdeskundige niet zelden een begeleidende rol heeft en dat hij daarbij enige vrijheid moet hebben om één of beide partijen in beweging te brengen. Ook krijgt hij soms de rol van bemiddelaar of mediator toebedeeld. De overgang tussen daaraan voorafgaand arbeidsdeskundig onderzoek, begeleiding en bemiddeling is niet altijd scherp afgebakend. De arbeidsdeskundige dient zich te realiseren dat hij voor dergelijke rollen niet op voorhand gekwalificeerd is. De Gedragsregels schrijven hem voor dat hij die taak niet vervult, indien hij niet de vereiste deskundigheid heeft. Een bemiddelingsproces voor de betrokken partijen is niet zonder risico en moet daarom met bijzondere waarborgen omkleed zijn. Beide partijen moeten een dergelijke bemiddeling uitdrukkelijk wensen en tussentijds overleg met beide partijen over de voortgang zal noodzakelijk zijn. Een schriftelijke overeenstemming is gebruikelijk én wenselijk.
De Raad heeft dienaangaande het volgende moeten vaststellen. Beklaagde heeft in haar eerste en enige gesprek met klager de beëindiging van de arbeidsovereenkomst noch als doel noch als mogelijke uitkomst van haar onderzoek genoemd. Dat zou ook op gespannen voet staan met de door haar vier genoemde te beantwoorden vragen. Weliswaar staat voor de Raad vast dat zij aan het einde van een indringend en vertrouwelijk gesprek de mogelijkheid tot een beëindiging van de arbeidsrelatie met een financiële vergoeding heeft aangestipt, waarbij klager tot het laatste toe heeft aangedrongen op werkhervatting bij haar eigen werkgever. Doch uit niets blijkt, dat klager daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd of beklaagde heeft gemachtigd daarover met haar werkgever te onderhandelen. Ook nadien heeft beklaagde geen enkel overleg met klager gevoerd over haar insteek voor die onderhandelingen met de werkgever noch over de resultaten ervan. Klager moest haar eindvoorstel uit het definitieve rapport van beklaagde lezen.
Conclusie
Op grond van bovenstaande komt de Raad daarom tot de conclusie dat onderzoek en begeleiding van beklaagde naar de reïntegratiemogelijkheden van klager onvolledig en onzorgvuldig is geweest, dat beklaagde zich zonder uitdrukkelijke machtiging door klager had moeten onthouden van een oordeel over c.q. begeleiding bij het oplossen van het arbeidsconflict tussen de betrokken partijen en dat zij door aldus te handelen afbreuk heeft gedaan aan haar onpartijdigheid en professionaliteit.
Sanctie
Hoewel de Raad overtuigd is geraakt dat beklaagde het beste met klager voor had en oprecht meende dat met haar voorstel het belang van klager het beste gediend was, is de Raad van oordeel dat zij de gedragsregels ernstig geschonden heeft. Juist op grond van de langdurige ervaring had van haar een andere insteek verwacht mogen worden.
In het voordeel van beklaagde laat de Raad meewegen, dat zij zelf heeft aangegeven dat dit een eenmalige gebeurtenis was, die niet voor herhaling vatbaar was.
De Raad besluit daarom tot het opleggen van een schriftelijke berisping en geanonimiseerde publicatie van deze uitspraak.