Uitspraak 12-05 RvT 8 oktober 2012
Uitspraak van de Raad van Toezicht SRA op de klacht van klaagster tegen de register-arbeidsdeskundige, verder te noemen beklaagde.
Procesverloop
Bij brief van 21 mei 2012 heeft klaagster zich, bijgestaan door haar echtgenoot, tot de SRA gewend met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft daarop bij brief van 2 juli 2012 schriftelijk verweer gevoerd. De mondelinge behandeling van de Raad van Toezicht vond plaats op 10 september 2012. Zowel klaagster als beklaagde hebben bij die gelegenheid hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad beantwoord.
Feiten
Klaagster is sinds 1985 in dienst van werkgever. Met ingang van 18 juli 2009 viel zij uit in haar functie van medewerker verkoper 3 voor 23 uur per week, als gevolg van klachten aan haar knie. De bedrijfsarts heeft op 11 maart 2010 een FML opgesteld. Beklaagde verrichtte in opdracht van werkgever naar aanleiding van deze uitval arbeidsdeskundig onderzoek om te beoordelen of zij geschikt was voor haar eigen werk bij de eigen werkgever, dan wel of zij geschikt was voor ander werk bij de eigen werkgever. Indien ook dat niet het geval was, dan diende beklaagde de mogelijkheden van begeleiding van klaagster naar ander werk te beoordelen. Beklaagde heeft van de bevindingen van zijn onderzoek verslag gedaan in zijn rapport van 27 april 2010. Op 15 juli 2010 heeft de bedrijfsarts een nieuwe FML opgesteld.
Op 14 juli 2011 ontving beklaagde een e-mail van werkgever, waarin zij meldt dat zij van plan is om klaagster over te plaatsen naar de zogenaamde “Afprijshoek”, een onderdeel van de afdeling Dry Food. Werkgever gaf daarbij aan dat functie tijdelijk was ten behoeve van de re-integratie van klaagster. De functie omvatte de navolgende werkzaamheden:
- sorteren en eventueel schoonmaken van artikelen die na een reguliere verkoopdag worden aangetroffen in winkelwagens die zijn achtergelaten door klanten;.
- sorteren van artikelen die terugkomen van de Afdeling Klantenservice;.
- artikelen waarvan de verpakking niet meer kan worden gerepareerd voorzien van prijsstickers en terugplaatsen in de daarvoor bestemde stellingen in de winkel;.
- uitzoeken en afschrijven van breuk/THT artikelen;.
- voorraadoverschotten op THT controleren, afprijzen middels het voorzien van prijsstickers en terugplaatsen in de daarvoor bestemde stellingen in de winkel;.
- opruimen en schoonhouden in de afprijshoek.
Ter toelichting wees werkgever er op dat klaagster in deze functie volledig zelf de afwisseling van lopend, staan en zittend werk zou kunnen zoeken en niet afhankelijk zou zijn van collega’s, bijvoorbeeld door overname van werkzaamheden. Het verzoek van werkgever aan beklaagde was om haar te voorzien van een advies of deze arbeid passend voor klaagster zou zijn.
Diezelfde dag ontving beklaagde een e-mail van werkgever met de FML van 15 juli 2010 met de mededeling dat de bedrijfsarts aan klaagster gevraagd had of die FML nog van toepassing was. Naar zeggen van de werkgever had de bedrijfsarts nog geen antwoord ontvangen, maar kon beklaagde er “in zijn antwoord vanuit gaan dat de FML vrijwel onveranderd is”. Beklaagde heeft de werkgever op 15 juli 2011 per e-mail bericht dat de arbeid hem passend lijkt met als toelichting: “wel dienen artikelen niet te zwaar te zijn (niet meer dan 10 kg.) en vooral dienen knielen en hurken niet voor te komen”.
Op 18 juli 2011 ontving klaagster een brief van werkgever, waarin zij aangaf dat klaagster met ingang van 20 juli 2011 in deze functie zou worden overgeplaatst. Daarbij wees zij erop dat zij de arbeid uit oogpunt van zorgvuldigheid nog ter toetsing had voorgelegd aan een arbeidsdeskundige die “het werk passend acht mits u niet knielt of hurkt tijdens het verrichten van de werkzaamheden. U bent hier zelf voor verantwoordelijkheid om hier acht op te slaan”, aldus werkgever in de bewuste brief.
Op 27 juli 2011 nam de echtgenote van klaagster contact op met beklaagde met het verzoek om hem het e-mailbericht van werkgeefster te willen doen toekomen dan wel, indien dat niet mogelijk was, hem kort te willen uitleggen hoe de beoordeling in zijn werk was gegaan en welk advies beklaagde gegeven had. Op 28 juli 2011 legde beklaagde dit verzoek bij de werkgever neer, wat leidde tot een rapport van 29 juli 2011, waarin beklaagde verslag deed van de gang van zaken rondom de beoordeling van de hierboven beschreven functie.
De klachten
Klaagster verwijt beklaagde (i) dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de functie en hiervan evenmin een rapport heeft opgesteld; (ii) zich niet heeft gebaseerd op een door de bedrijfsarts opgestelde actuele omschrijving van de belastbaarheid van klaagster en (iii) haar niet heeft ingelicht over het onderzoek en nadien – ondanks herhaaldelijke verzoeken – heeft geweigerd om de e-mail over de passendheid van de functie toe te sturen.
Het verweer
Beklaagde voert verweer dat in het hiernavolgende zal worden besproken.
De werkwijze van de Raad
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de Statuten, Reglementen en de Gedragscode SRA.
De overwegingen van de Raad
Het gaat er bij beoordeling van beroepsmatig handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten, maar om het geven van een antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met zijn handelen is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
De Raad ziet gelet op de onderlinge samenhang aanleiding om de eerste twee klachtonderdelen gelijktijdig te behandelen. Het derde klachtonderdeel zal de Raad apart bespreken.
Klacht 1 en 2: onzorgvuldig onderzoek / weging belasting belastbaarheid
Klaagster verwijt beklaagde, kort gezegd, dat hij geen onderzoek heeft verricht naar de functie en hiervan geen rapportage heeft gemaakt. Daarnaast verwijt klaagster beklaagde dat hij gebruik geen heeft gemaakt van actuele gegevens omtrent haar belastbaarheid.
Beklaagde erkent dat hij werkgever naar aanleiding van de e-mail niet heeft bezocht, maar stelt daartegenover dat hij – voorafgaand aan het bewuste verzoek van werkgever – al zo’n veertien arbeidsdeskundige onderzoeken in haar opdracht verricht had. Al die opdrachten verliepen naar zeggen van beklaagde volgens een vast patroon, te weten een verzoek per e-mail, gevolgd door telefonisch contact met werkgever om een afspraak te maken voor een bezoek aan werkgever en werknemer. Vervolgens informeert beklaagde dan steevast of er een actuele FML voor handen is, waarna hij zo nodig contact opneemt met de bedrijfsarts als daar aanleiding toe bestaat. Aansluitend vinden dan de gesprekken plaats en rondt beklaagde zijn onderzoek af.
Het in het geding zijnde verzoek heeft beklaagde niet opgevat als een opdracht voor een arbeidsdeskundig onderzoek, maar louter als adviesaanvraag, aldus nog steeds beklaagde.
De Raad verwerpt de stelling van beklaagde dat hij slechts advies heeft uitgebracht waaraan aldus, zijn stelling volgend, kennelijk niet de eisen zouden behoeven te worden gesteld die gelden voor het verrichten van een arbeidsdeskundig onderzoek. Voor het maken van dergelijk onderscheid ontbreekt aanleiding. Bovendien acht de Raad dat ongewenst, omdat dat (bijvoorbeeld) tot gevolg zou kunnen hebben dat de arbeidsdeskundige zelf kan bepalen of de normen die zijn neergelegd in de Gedragscode SRA al dan niet op zijn werkzaamheden van toepassing zouden zijn.
Tot uitgangspunt geldt dan ook, evenzeer ook voor een opdracht als die welke thans in het geding is, artikel 2 lid 2 van de Gedragscode SRA, waarin is neergelegd dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toeziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken. Voorts dient ingevolge artikel 3 van de Gedragscode SRA uit het rapport (kort gezegd) voldoende kenbaar te zijn welke feiten en argumenten tot de eindconclusie hebben geleid en wel zodanig dat de feiten controleerbaar zijn en de conclusies kunnen dragen (Vgl. RvT SRA 24 november 2003). Tegen deze achtergrond is de Raad van oordeel dat van beklaagde – ter inventarisatie van de belasting van de functie – had mogen worden verwacht dat hij een bezoek bracht aan de beoogde werkplek. Daaraan doet naar het oordeel van de Raad niet af dat beklaagde het bedrijf van werkgever naar eigen zeggen “goed kende”. Uit de e-mail van werkgever van 14 juli 2011, waarin de opdracht lag besloten, blijkt immers dat het om een “nieuwe” (tijdelijke) functie ging die speciaal zou worden ingericht met het oog op de re-integratie van klaagster. Door een dergelijk bezoek in de gegeven feiten en achtergronden achterwege te laten en uitsluitend uit te gaan van een schriftelijke opsomming van de werkzaamheden door werkgever, heeft beklaagde zich naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate zelfstandig een oordeel gevormd over de aard en omvang van de werkzaamheden die aan de functie zouden zijn verbonden. Daarmee is hij tekortgeschoten in de op hem rustende taak tot het in kaart brengen van de belasting van de werkzaamheden die aan de beoogde functie zouden zijn verbonden.
Met betrekking tot het in kaart brengen van de belastbaarheid van klaagster is de Raad eenzelfde oordeel toegedaan. De belastbaarheid van klaagster stond nog niet geheel vast ten tijde van het verstrekken van de opdracht om de arbeid te beoordelen. Weliswaar gaf werkgever beklaagde mee dat hij ervan uit kon gaan dat de FML “vrijwel onveranderd was”, maar het is de Raad niet duidelijk geworden waarop die stelling is gebaseerd. Met name ook nu beklaagde wist dat de bedrijfsarts nog in afwachting was van een reactie van klaagster, is de Raad van oordeel dat het op zijn weg had gelegen om contact op te nemen met de bedrijfsarts, alvorens zijn advies uit te brengen.
Pas dan zou beklaagde zich een helder oordeel hebben kunnen vormen over de re-integratiekansen van klaagster bij eigen werkgever. Desnoods had hij zijn oordeel enige tijd moeten opschorten (Vgl. RvT SRA 27 januari 2011).
Het enkele feit dat beklaagde in de e-mail van 15 juli 2011 (kennelijk) heeft aangegeven dat de arbeid hem passend “leek” doet daaraan naar het oordeel van de Raad niet af. Gesteld, noch gebleken is immers dat beklaagde daarmee beoogd heeft om een voorbehoud te maken tot de belastbaarheid van klaagster definitief zou zijn vastgesteld. Indien dat al zijn bedoeling zou zijn geweest, dan had dat daaruit met zoveel woorden moeten blijken. Beklaagde geeft daarnaast aan dat hij geen definitief advies heeft gegeven. Wel wijst de Raad erop dat beklaagde niet is aan te rekenen dat werkgever er – ten onrechte – voor heeft gekozen om in de brief aan klaagster te betogen dat de functie passend “was”, terwijl beklaagde uitdrukkelijk aangeeft dat de functie passend “lijkt”.
Gelet op al het voorgaande acht de Raad de eerste twee klachtonderdelen derhalve gegrond.
Klacht 3: informatieverschaffing
Klager verwijt beklaagde dat hij haar niet heeft ingelicht over het (doel van het) onderzoek en heeft geweigerd om de e-mail die hij had verzonden aan de werkgever ook aan haar te sturen. Beklaagde erkent dat hij klaagster niet heeft gesproken. Voorts geeft beklaagde aan dat hij de e-mail waarin hij zijn advies aan werkgever gaf wel aan klaagster had willen zenden, maar dat de werkgever hem daarvoor geen toestemming gaf, wat hij nog juridisch door zijn eigen werkgever heeft laten toetsen. Naar aanleiding daarvan heeft beklaagde ervoor gekozen om de e-mail in een rapport te verwerken en dat aan klaagster toe te zenden.
De Raad neemt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel tot uitgangspunt artikel 2 lid 1 van de Gedragscode SRA waarin, kort gezegd, is bepaald dat een arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht. Weliswaar schrijft de Gedragscode SRA niet expliciet voor dat de arbeidsdeskundige voor of tijdens zijn onderzoek de cliënt persoonlijk spreekt, maar hij neemt een groot risico door dit niet te doen (Vgl. RvT SRA 29 juli 2005). Zulks geldt temeer, nu beklaagde geen onderzoek heeft verricht naar de werkplek. Door het achterwege laten van het leggen van contact heeft het kunnen gebeuren dat klaagster geen enkele weet had van de opdracht aan beklaagde op 14 juli 2011 en het advies dat hij had verstrekt. Dat acht de Raad niet aanvaardbaar. Dat beklaagde ook in 2010 de geschiktheid van klaagster voor het verrichten van arbeid heeft beoordeeld en haar in dat verband ook heeft gesproken, doet daaraan niet af.
De Raad laat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel overigens in het midden of beklaagde klaagster de e-mailwisseling met werkgever had moeten doen toekomen, nu hij daarvan zakelijk verslag heeft gedaan in het rapport.
Gelet op al het voorgaande is de Raad van oordeel dat het derde klachtonderdeel terecht is voorgesteld.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen gegrond is. De Raad is van oordeel dat de schendingen zo ernstig zijn, dat deze in beginsel een zware maatregel zouden rechtvaardigen. De Raad volstaat evenwel met het opleggen van de maatregel van waarschuwing. Beklaagde heeft immers zowel in zijn schriftelijke verweer, als ter zitting aangegeven zeer te betreuren dat hij aldus te werk is gegaan en heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Beklaagde heeft bovendien aangegeven dat hij heeft ingezien dat hij klaagster had dienen te informeren over het onderzoek en dat hij haar medische situatie beter in beeld had dienen te brengen alvorens advies uit te brengen aan werkgever.
Ten slotte weegt de Raad mee dat beklaagde heeft aangegeven dat hij een situatie als de onderhavige nog niet eerder had meegemaakt, ook nadien niet, en dat hij, gesteld dat een dergelijk verzoek hem wederom zou bereiken aldus zou handelen als hij in zijn verweer uiteengezet heeft. Naar de overtuiging van de Raad geeft beklaagde er met dit alles blijk van dat hij zich bewust is van de op hem rustende verantwoordelijkheden als arbeidsdeskundige. Dat acht de Raad van belang, omdat die mede ten grondslag liggen aan de Gedragscode SRA.
Beslissing
De Raad verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van waarschuwing op.
Aldus gegeven op 8 oktober 2012 door:
E.J. Wervelman, voorzitter
B. Gerringa, lid register-arbeidsdeskundige
C. Boulonois, lid register-arbeidsdeskundige