Uitspraak 12-07 RvT 24 september 2012
Uitspraak van de Raad van Toezicht SRA van “klager”, tegen, register- arbeidsdeskundige, verder te noemen “beklaagde”.
Procesverloop
Bij brief van 18 december 2011 heeft klager zich tot de Raad van Toezicht SRA gewend met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register- arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft zich daar bij brief van 10 februari 2011 schriftelijk tegen verweerd. Klager heeft bij brief van 21 mei 2012 gerepliceerd, waarna beklaagde heeft gedupliceerd. De mondelinge behandeling van de Raad van Toezicht vond plaats op 5 september 2012. Klager is zonder bericht niet ter zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beklaagde werd bijgestaan door de directeur van de organisatie waar hij werkzaam is. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad beantwoord.
Feiten
Tussen partijen staat vast dat beklaagde in opdracht van de werkgever, verder te noemen “de school”, op 29 september 2010 een werkplekonderzoek heeft uitgevoerd. Daarbij is beklaagde tevens op verzoek van de school in gesprek gegaan met klager om verzuim te voorkomen. De werkplek van klager betreft een kabinet voor natuur- en scheikunde. Klager werkt in de functie van technisch onderwijsassistent (TOA). Klager was van oordeel dat deze werkplek ten onrechte werd gebruikt als doorloopruimte, wat bij klager leidde tot ongemak en irritaties. Beklaagde heeft in verband met de opdracht op 12 oktober 2010 een gesprek gehad met klager. Aansluitend heeft een gesprek plaatsgehad waarbij aanwezig waren de arbo- en verzuimcoördinator, klager, beklaagde en de leidinggevende. Tijdens die gezamenlijke bespreking is besloten om een psychodiagnostisch onderzoek te laten plaatsvinden, waartoe enkele vragen zijn geformuleerd. Beklaagde heeft vervolgens het psychodiagnostisch onderzoek aangevraagd door middel van een daartoe strekkend aanvraagformulier. Daarop staat als “aanvragende organisatie” de werkgever van beklaagde vermeld. Tevens blijkt daaruit dat de offerte en de factuur dienden te worden verzonden aan de school.
Na afronding van het psychodiagnostisch onderzoek heeft beklaagde het rapport van de onderzoeker van 13 december 2010 ontvangen. Dit heeft beklaagde verspreid onder de personen die aanwezig waren tijdens het gesprek dat aan het voornemen tot het onderzoek ten grondslag lag. Tevens heeft beklaagde het psychodiagnostisch onderzoek opgenomen in het digitale verzuimprogramma van zijn werkgever. Daardoor kwam het beschikbaar voor alle personen die beschikten over een identificatiecode.
Op 13 januari 2011 zijn de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek op de school besproken in het bijzijn van de aanwezigen die ook bij het eerste gesprek aanwezig waren. Tevens was bij dat gesprek de onderzoeker aanwezig, zoals ook was afgesproken. Bij aanvang van het gesprek bleek dat alle aanwezigen beschikten over een kopie van het rapport. Naar bleek had klager daartegen ernstig bezwaar, waarop een chaotische bijeenkomst volgde.
Klager heeft naar aanleiding van deze gang van zaken een klacht ingediend tegen de onderzoeker. Het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) heeft de onderzoeker ter zake de maatregel van waarschuwing opgelegd bij beslissing van 2 november 2011.
De klachten
Klager verwijt beklaagde (i) dat hij zonder zijn toestemming het psychodiagnostisch rapport van 13 december 2010 heeft verspreid en daardoor zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden; (ii) zijn deskundigheid te buiten is gegaan door na te laten om een bedrijfsarts te consulteren en (iii) onwaarheden in zijn verslag heeft vermeld en correcties en aanvullingen die klager heeft aangevoerd nauwelijks heeft uitgevoerd.
Het verweer
Beklaagde voert verweer dat in het hierna volgende zal worden besproken.
De werkwijze van de Raad
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de Statuten, Reglementen en de Gedragsregels SRA.
De overwegingen van de Raad
Het gaat er bij beoordeling van beroepsmatig handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten, maar om het geven van een antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met zijn handelen is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Klacht 1: geheimhouding
Klager stelt dat beklaagde het rapport van het psychodiagnostisch onderzoek van 13 december 2010 zonder zijn toestemming heeft verspreid, ondanks dat het om een strikt vertrouwelijk document ging. Klager stelt dat beklaagde de opdrachtgever tot het psychodiagnostisch onderzoek was. Dat heeft de onderzoeker ook heel duidelijk aan hem verklaard. De onderzoeker had het rapport uitsluitend toegezonden aan beklaagde, omdat alleen beklaagde dat, als opdrachtgever, mocht inzien, aldus klager. Op de eerste pagina van het rapport heeft de onderzoeker vermeld in dat verband dat het rapport vertrouwelijk is. Aan het slot van het rapport heeft de onderzoeker vermeld dat alleen andere personen dan de opdrachtgever recht hebben op inzage met klagers instemming, aldus nog steeds klager.
Beklaagde stelt dat klager betrokken was bij het nemen van het besluit tot het laten plaatsvinden van het psychodiagnostisch onderzoek, zodat hij daarvan dus op de hoogte was en daarmee accoord is gegaan. Gezamenlijk is overleg gevoerd over de vraagstelling. Beklaagde heeft de aanvraag voor het onderzoek ingediend namens de school. De offerte is door het onderzoeksbureau rechtstreeks verzonden aan de school die “voor accoord” getekend heeft, met als opmerking “opdrachtgever”. Daaruit heeft beklaagde opgemaakt dat niet alleen hij, maar ook de school een exemplaar van het rapport had ontvangen. Tevens heeft klager met verspreiding van het rapport ingestemd, althans daar nooit bezwaar tegen gemaakt, aldus beklaagde.
De Raad overweegt als volgt. Anders dan beklaagde betoogt, is uit de stukken die de Raad ter beschikking staan niet eenduidig op te maken wie opdrachtgever is geweest tot het psychodiagnostisch onderzoek. Steun voor de lezing van klager biedt het aanvraagformulier waar beklaagde als aanvrager is vermeld en werkgever van beklaagde als aanvragende organisatie. Dat uit het aanvraagformulier tevens blijkt dat de offerte en de factuur naar de school dienden te worden verzonden, doet daaraan op zichzelf niet af. Enig bewijs voor de stelling van beklaagde dat klager heeft ingestemd met de verspreiding van het rapport onder al degenen die aanwezig zijn geweest bij het gesprek waarin tot het psychodiagnostisch onderzoek werd besloten, ontbreekt. Uit de door beklaagde ter gelegenheid van de zitting overgelegde beslissing van het NIP van 2 november 2011 blijkt daarentegen juist dat de onderzoeker – met klager – beklaagde als opdrachtgever betitelde en ook als zodanig tewerk is gegaan door het rapport (alleen) aan hem toe te zenden.
De Raad laat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel evenwel in het middel wie nu precies de opdrachtgever tot het psychodiagnostisch onderzoek geweest is. Immers, zelfs uitgaande van de lezing van beklaagde dat hij niet de opdrachtgever was, maar de school en beklaagde het rapport (in zijn optiek) aldus slechts ter informatie ontving, dan nog acht de Raad onjuist dat beklaagde het rapport heeft verspreid en heeft opgenomen in het digitale verzuimprogramma.
Dat lag immers (ook dan) niet op zijn weg, omdat de school als opdrachtgever daar – in zijn eigen lezing – reeds over beschikte. Daarbij wijst de Raad er op dat beklaagde ter zitting heeft verklaard dat hij er van uitging dat de school (ook) een exemplaar van het rapport had ontvangen. Beklaagde moet als arbeidsdeskundige geheimhouding betrachten van de hem toevertrouwde gegevens, zoals artikel 6 van de Gedragscode SRA bepaalt. Blijkens de toelichting op artikel 6 mag de arbeidsdeskundige alleen die gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn ter beoordeling van de aanspraak. Beklaagde heeft er noch in zijn schriftelijke verweer, noch ter zitting blijk van gegeven dat hij deze afweging gemaakt heeft. Nu bovendien niet is komen vast te staan dat klager aan beklaagde toestemming heeft verleend voor de verspreiding van het rapport, is dit klachtonderdeel derhalve terecht voorgesteld.
Klacht 2: Zorgvuldigheid
Klager is van oordeel dat beklaagde zich zijn deskundigheid te buiten is gegaan, door medische diagnoses te stellen en een psychodiagnostisch onderzoek aan te vragen zonder daarbij een bedrijfsarts te betrekken.
Beklaagde is van oordeel dat het niet nodig was om een bedrijfsarts te consulteren nu er geen sprake was van een medische kwestie of arbeidsongeschiktheid. De opdracht aan beklaagde was juist om verzuim te voorkomen. Er bestond ook overigens naar zijn overtuiging geen aanleiding om bij de bedrijfsarts advies in te winnen, nu geen sprake was van beperkingen die aan de uitoefening van de werkzaamheden door klager in de weg stonden.
De Raad oordeelt als volgt. Beklaagde heeft in zijn arbeidsdeskundig verslag van 3 november 2010 aangegeven dat klager (a) op hem een “gespannen indruk” maakt en klager (b) liet weten dat uit eerdere testonderzoeken was gebleken dat hij beschikte over een bovengemiddelde intelligentie. Beklaagde stelt voorts (c) dat de frustraties van klager daardoor te verklaren waren. Voorts betoogt beklaagde in zijn rapport dat er (d) regelmatig waarnemingsverschillen en communicatieproblemen waren tussen klager en de school.
De Raad neemt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel tot uitgangspunt dat de arbeidsdeskundige in zijn advisering niet de stoel van de bedrijfsarts mag gaan zitten (Vgl. RvT SRA 13 december 2004). De arbeidsdeskundige dient zich voorts te beperken tot het arbeidsdeskundig terrein en dient zijn oordelen niet te baseren op eigen medische of psychologische argumenten. Dat impliceert niet alleen, dat hij zich dient te onthouden van een onderzoek waarvoor hij specifieke deskundigheid mist. De arbeidsdeskundige dient zich voorts te beperken tot het specifieke arbeidsdeskundig terrein. Zo mag hij zijn arbeidsdeskundig oordeel niet baseren op eigen medische, psychologische of juridische argumentatie (Vgl. RvT SRA 28 februari 2011).
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het, gelet op ieder van de hierboven onder a tot en met d beschreven elementen voor zich, maar in ieder geval gezamenlijk, op de weg van beklaagde had gelegen om contact te leggen met de bedrijfsarts. Nog daargelaten dat, zoals beklaagde ter zitting heeft verklaard, uit het psychodiagnostisch onderzoek naar voren kwam dat klager beperkt was voor het verrichten van arbeid in een mensrijke omgeving, respectievelijk slechts in staat was om solitaire functies te kunnen uitoefenen.
Anders dan beklaagde betoogt, is een dergelijke vaststelling niet anders op te vatten dan als vaststelling van beperkingen ter uitoefening van de beroepswerkzaamheden. Die vaststelling is voorbehouden aan een bedrijfs- of verzekeringsarts, althans niet aan een arbeidsdeskundige.
De Raad is dan ook van oordeel dat zowel de elementen die aanleiding vormden tot het stellen van vragen aan de onderzoeker, als de uitkomst van psychodiagnostisch onderzoek aanleiding vormden om de bedrijfsarts te consulteren. Beklaagde heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij hier geen aanleiding voor heeft gezien. De Raad acht dat onzorgvuldig, omdat beklaagde daarmee zijn deskundigheid als arbeidsdeskundige te buiten gegaan is. Zulks geldt temeer ook daar gesteld, noch gebleken is dat beklaagde beschikt over relevante kennis om beperkingen vast te stellen. Verder weegt de Raad mee dat beklaagde op geen enkel moment heeft overwogen om een bedrijfsarts in te schakelen of deze mogelijkheid heeft uitgesloten. Ter zitting is gebleken dat beklaagde zich niet heeft gerealiseerd dat hij, zonder enige raadpleging van een bedrijfsarts, zelf tot vaststelling van beperkingen in arbeid is gekomen en deze vervolgens – eveneens zonder dergelijke raadpleging – heeft benut bij de afweging van de belasting van de functie en de belastbaarheid van klager.
De door beklaagde betrokken stelling dat geen sprake was van verzuim, deelt de Raad niet. Beklaagde was immers zelf van oordeel dat de werkplek van klager aanpassing verdiende, gelet op de beperking in het werken in een mensrijke omgeving. Dat aspect had alleen al onder de aandacht van de bedrijfsarts dienen te worden gebracht met het verzoek om over die beperking (die kennelijk naar voren kwam uit psychodiagnostisch onderzoek) advies aan beklaagde uit te willen brengen. Ook dit klachtonderdeel is derhalve terecht voorgesteld.
Klacht 3: Onwaarheden
Klager is van oordeel dat het verslag van beklaagde onwaarheden bevat. Klager stelt dat bepaalde bewoordingen, zoals ‘hoog intelligent’ door beklaagde zijn verzonnen. Daarnaast vindt klager dat zijn correcties en aanvullingen niet of nauwelijks zijn uitgevoerd.
Beklaagde stelt dat de bewoording ‘hoog intelligent’ door klager zelf is ingebracht. Klager is in het bezit van het verslag, maar heeft niet eerder aangegeven dat hij daarop aanpassingen wenste. Zijn aanpassingen aan de onderzoeksvragen zijn doorgevoerd en direct onder de aandacht van de onderzoeker gebracht, aldus beklaagde.
De Raad oordeelt als volgt. Klager heeft in het klaagschrift enige bezwaren geuit tegen het verslag dat beklaagde op 3 november 2010 heeft opgesteld. De Raad kan echter uit de overgelegde stukken, noch uit het verhandelde ter zitting, opmaken welke correcties en aanvullingen klager in het verslag nu precies verwerkt wilde zien. De Raad kan dan ook niet beoordelen of deze wel of niet zijn doorgevoerd. Evenmin is de Raad duidelijk geworden op welke onwaarheden klager doelt, mede ook gelet op het daartegen door beklaagde gevoerde verweer. Wat klager beklaagde in dit verband nu precies verwijt is, ondanks herhaald vragen van de Raad aan de gemachtigde van klager ter zitting, niet duidelijk geworden, zodat dit klachtonderdeel, mede ook gelet op het verweer, wordt verworpen.
Slotsom
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is voor wat betreft de klachtonderdelen 1 en 2. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de Gedragscode SRA. De Raad is van oordeel dat beklaagde onjuist en laakbaar heeft gehandeld door zowel zijn geheimhoudingsplicht te schenden, als buiten zijn deskundigheidsgebied van arbeidsdeskundige te zijn getreden door onder de gegeven feiten en omstandigheden na te laten om de bedrijfsarts in de advisering te betrekken. Mede ook nu gedaagde er geen blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van een en ander inziet, is de Raad van oordeel dat niet kan worden volstaan met de lichtste maatregel, maar legt hij beklaagde ter zake een berisping op.
Beslissing
De Raad van Toezicht SRA:
verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van berisping op;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond en wijst de klacht in zoverre af.
Aldus op 24 september 2012 gegeven door:
Mr. dr. E.J. Wervelman, voorzitter,
B. Gerringa , lid register-arbeidsdeskundige,
C. Boulonois , lid register-arbeidsdeskundige.