Uitspraak 12, 1 december 2004

Uitspraak 12, 1 december 2004

Uitspraak inzake de klacht van  H., hierna te noemen werkgever, in zijn hoedanigheid van directeur van A, te T,  tegen register-arbeidsdeskundige K, hierna te noemen beklaagde.

Procesgang
Bij brief d.d. 9 januari 2004 heeft werkgever zich tot de SRA gewend met 18 klachten naar aanleiding van de rapportage d.d. 25 november van beklaagde. Diens arbeidsdeskundig oordeel lag ten grondslag aan het "deskundigenoordeel" d.d. 25 november 2003 van het UWV, inhoudende dat werkgever onvoldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen had verricht t.b.v. van zijn werknemer B., hierna de noemen de werknemer.

Bij schrijven d.d. 4 mei 2004 heeft beklaagde verweer gevoerd, inhoudende dat hem tuchtrechtelijk geen verwijt treft. De werkgever heeft daarop nog schriftelijk gereageerd bij brief d.d. 30 juli 2004.

De mondelinge behandeling door de Raad van Toezicht vond plaats op 4 oktober 2004. Werkgever en beklaagde hebben bij die gelegenheid hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord. Daarnaast heeft de heer C. als gemachtigde van beklaagde het woord gevoerd. Op verzoek van de Raad van Toezicht heeft de werkgever kopieën van correspondentie en rapportages nagezonden.

Na de zitting is het lid van de Raad van Toezicht W. wegens ziekte uitgevallen. Zijn taak is overgenomen door Z.

Aard van de klachten
Beklaagde is in zijn rapportage vrij uitvoerig geweest in zijn weergave van de standpunten van werkgever (i.c. de klager) en de werknemer, de vaststelling van de z.i. relevante feiten en de onderbouwing van zijn oordeel.  De klachten richten zich op de wijze waarop hij het onderzoek heeft verricht, zijn vaststelling van de standpunten van partijen, de voor zijn oordeel relevante feiten alsmede op zijn eindconclusie. De Raad van Toezicht acht het niet raadzaam op elk van de 18 klachten afzonderlijk in te gaan. Het gaat in hoofdzaak om zorgvuldigheidsklachten.

Het feitencomplex waarover beklaagde een oordeel moest geven
Werknemer meldt zich op 31 maart 2003 ziek. De werkgever is daarover zeer verbaasd en laat zijn  Arbodienst een spoedcontrole uitvoeren. De  Arbodienst bericht werkgever op 7 april 2003 schriftelijk, dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is, deels als gevolg van privé- deels als gevolg van arbeidsomstandigheden en adviseert de werkgever tot bemiddeling naar een andere werkgever, omdat bij terugkeer in de huidige omstandigheden herhaalde uitval te verwachten is.

De daaropvolgende dag heeft werkgever met werknemer een gesprek over de ingetreden situatie, welk gesprek en de daarbij gemaakte afspraken door de werkgever schriftelijk wordt bevestigd. Kort samengevat wil de werknemer ander werk met minder denk- en hoofdwerk elders en zal daartoe solliciteren.

Naar aanleiding van een vervolgrapportage van de  Arbodienst d.d. 5 mei 2003, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat het met de werknemer minder goed gaat en dat de arbeidsongeschiktheid nog enkele maanden zal voortduren en waarin het advies wordt herhaald om voor de werknemer naar ander werk bij een andere werkgever te zoeken, vindt op 8 mei 2003 tussen werkgever en werknemer wederom een gesprek plaats waarvan de inhoud eveneens door de werkgever schriftelijk wordt vastgelegd in de brief d.d. 9 mei 2003. Volgens die brief is in dat gesprek o.a. aan de orde geweest het feit dat werknemer niet meer wil werken bij werkgever, ook niet in een andere functie, de door werknemer genoemde externe recente sollicitatieactiviteiten, en het voorstel van de werkgever om de arbeidsovereenkomst door de Kantonrechter te laten ontbinden op neutrale gronden per 1 juni 2003.

Omdat de werkgever nog altijd twijfelt of werknemer op medische gronden arbeidsongeschikt is, vraagt deze op 21 mei 2003 het UWV om een second opinion daaromtrent. Het betreffende deskundigenoordeel d.d. 14 juli 2003 van het UWV luidt, dat werknemer op 8 mei 2003 ongeschikt is voor het verrichten van eigen werk.

Op 12 augustus 2003 ondertekenen zowel werkgever als werknemer een in overleg met de  Arbodienst opgesteld Plan van Aanpak, inhoudende dat werknemer nog steeds geen mogelijkheden ziet tot reïntegratie bij eigen werkgever; begeleiding door de  Arbodienst niet aan de orde is, en dat passend werk elders door de werkgever wordt geregeld. Zij zullen gezamenlijk het reïntegratietraject 1 maal per 2 weken evalueren.  In de brief d.d. 12 augustus 2003 van werkgever aan werknemer wordt vastgelegd welk bedrijf dit is, en welke voorbesprekingen er met dit bedrijf en de  Arbodienst zijn gevoerd over de reïntegratiemogelijkheden. Voorts wordt in die brief vastgelegd dat werknemer die dag een vervolggesprek met dit nieuwe bedrijf zal hebben over hoeveel uur met ingang van wanneer hij aldaar het werk op vooralsnog therapeutische wijze zal aanvangen.

Vaststaat dat de werknemer daar niet is gaan werken, naar zijn zeggen – later – omdat zijn sollicitatie is afgewezen, en volgens zijn werkgever omdat hij zich nooit heeft gemeld. Vaststaat voorts dat de werknemer feitelijk het contact met werkgever heeft verbroken.  Bij brief d.d. 22 oktober 2003 van werkgever aan werknemer kondigt de werkgever aan, dat hij tot stopzetting van salarisbetaling zal overgaan, indien de werknemer niet onmiddellijk, actief en constructief mee zal werken aan zijn reïntegratie. In die brief spreekt werkgever zich positief uit over mediation en stelt de werknemer voor daarvoor zelf een keuze te doen.

Bij brief d.d. 23 oktober 2003 weigert werkgever in te gaan op het verzoek van de werknemer om op korte termijn een gesprek met hem te voeren buiten kantoor.

Werkgever staakt de salarisbetaling en werknemer dient het verzoek in bij het UWV om een deskundigenoordeel te geven over de vraag of werkgever voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Het door beklaagde verrichte onderzoek
Op 14 november 2003 heeft beklaagde telefonisch een afspraak met de werknemer gemaakt voor een gesprek 19 november 2003. Op die dag heeft beklaagde hem op zijn kantoor uitgebreid gesproken. De werknemer heeft hem bij die gelegenheid enige correspondentie gegeven. Daaraan voorafgaande had beklaagde de werkgever en de arbo-arts telefonisch enige vragen gesteld. Het telefonische aanbod van werkgever om nadere informatie te verstrekken, waaronder correspondentie en schriftelijke adviezen van de  Arbodienst, heeft beklaagde afgewezen. Op basis van de aldus verkregen informatie heeft hij zijn gewraakte rapport d.d. 21 november 2003 uitgebracht

Korte samenvatting van het advies van beklaagde
Allereerst stelt beklaagde vast, dat volgens het UWV én de   Arbodienst werknemer ziek is en niet in staat duurzaam te presteren voor eigen en voor ander werk. Er kan z.i. dan ook geen sprake zijn van reïntegratie in eigen bedrijf of anderszins totdat de medische problematiek is opgelost.

Hij geeft vervolgens het standpunt weer van de Arboarts, werkgever en werknemer, en concludeert dat omdat de ziekte nog niet is omgezet in een beginnend herstel, het staken van de loondoorbetaling op losse schroeven staat. De activiteiten van werkgever zijn z.i. te persoonlijk bij de werknemer overgekomen en als gevolg daarvan is een vertrouwensbreuk ontstaan. Bovendien heeft z.i. de werkgever van meet af aan gezocht naar externe reïntegratie in plaats van reïntegratie bij werkgever zelf. "Client moet door de Arbodienst worden begeleid. Client werkt zelf aan herstel (..). Cliënt heeft gesolliciteerd op door de werkgever aangedragen vacature en zelfstandig naar andere functies buiten het bedrijf"
Daarmee is voor beklaagde het arbeidsdeskundig onderzoek afgerond.

Overwegingen van de Raad van Toezicht
Op grond van artikel 30 van de Wet SUWI kan een werkgever of een werknemer het UWV verzoeken een onderzoek laten instellen over
• Lid 1 e: het bestaan van ongeschiktheid tot werken of de nakoming van de werknemer als bedoeld in art. 7 : 660 a BW dan wel inzake een loongeschil op grond van 7 : 629 lid 1 BW
• Lid 1 f: over de aanwezigheid van passende arbeid die de zieke werknemer in staat is te verrichten
• Lid 1 g: over de vraag of de werkgever t.a.v. de zieke werknemer voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen heeft verricht.
In gerechtelijke procedures tussen werkgever en werknemer spelen deze adviezen, ook wel deskundigheidsadviezen of second opinion genoemd, een zeer belangrijke rol. Van de arbeidsdeskundige mag daarom een grote mate van zorgvuldigheid worden verlangd.

Beklaagde kon en moest dus weten in welke context het door de werknemer aan het UWV gevraagde deskundigenoordeel speelde, ook al was het de eerste maal dat hij met het uitbrengen van een dergelijk advies belast werd en het UWV op het moment van zijn onderzoek geen richtlijnen had hoe een dergelijk advies moet worden voorbereid.

Art. 30 lid 1 g SUWI betreft een oordeel dat niet op louter arbeidsdeskundige gronden kan worden gegeven. Met name de vraag of voldoende reïntegratie-inspanningen door de werkgever zijn verricht, kent een belangrijk juridisch wegingsmoment.  De arbeidsdeskundige dient dat te onderkennen en dat zonodig in zijn rapportage expliciet te maken.

Van een arbeidsdeskundige mag verwacht worden dat hij er allereerst op toeziet  dat er voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare medische gegevens voorhanden zijn waaruit de medische beperkingen van de betreffende werknemer in voldoende mate blijken. Bij de beoordeling van de reïntegratiemogelijkheden onderzoekt de arbeidsdeskundige de beperkingen van de bedongen arbeid in relatie tot de medische beperkingen van de werknemer, welke mogelijkheden voor aangepaste arbeid voorhanden zijn, welke andere externe arbeid mogelijk is. Pas dan is een oordeel mogelijk over de vraag of geschikte reïntegratie-inspanningen zijn verricht. Tenslotte komt de vraag aan de orde of die inspanningen voldoende zijn geweest.

De medische informatie, waarop beklaagde zich baseert, voorzover het betreft het oordeel dat de werknemer ook niet in staat is tot enige andere arbeid, blijkt niet uit enig schriftelijk stuk. De Raad van Toezicht begrijpt het verweer van beklaagde aldus, dat hij zulks uit het telefoongesprek met de Arbo-arts d.d. 18 november 2003 begrepen had. Blijkens de nadien gevoerde correspondentie bestaat verschil van mening over hetgeen telefonisch besproken is tussen beklaagde en de betreffende Arbo-arts. Bovendien geeft beklaagde  toe dat zich in dat telefoongesprek taalproblemen voordeden. Deze informatie spoorde ook niet met het standpunt dat de  Arbodienst tot dan toe schriftelijk had ingenomen. Voor het overige was de medische informatie verouderd   (second opinion over de arbeidsongeschiktheid van 8 mei 2003).  Een recent en schriftelijk medisch oordeel was te meer van belang, omdat er een duidelijk arbeidsrechtelijk geschil  tussen werkgever en werknemer speelde. Aldus ging beklaagde door zijn eigen gebrek aan zorgvuldigheid uit van een onvoldoende medisch onderbouwde veronderstelling dat de werknemer nog volledig ongeschikt was voor eigen dan wel passende arbeid bij eigen werkgever of elders.

Door van deze medische veronderstellingen uit te gaan, heeft het aan iedere verdere vorm van arbeidsdeskundig onderzoek ontbroken. Op zich is dat niet onlogisch. Consequent geredeneerd zijn de reïntegratie-inspanningen niet aan de orde, indien en zolang de werknemer volledig ongeschikt zou zijn om welke arbeid dan ook te verrichten

Strikt genomen beantwoordt beklaagde de vraagstelling ex art. 30 lid 1 g van de Wet SUWI niet. Het deskundigenoordeel, inhoudende dat de werkgever zich niet voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen heeft getroost, is van het UWV.

Daarmee komt beklaagde echter niet weg, omdat hij  zijn rapportage niet tot bovenstaande heeft beperkt, maar daarin zijn oordeel geeft over de loonclaim van de werknemer, over de sollicitatieactiviteiten van de werknemer, over de houding van de werkgever en diens veel te beperkte reïntegratie-inspanningen. Door deze tweeslachtigheid van zijn rapportage was het voor het UWV moeilijk om tot een ander deskundigenoordeel te komen dan het gegeven heeft.

Dit – vanwege het medisch ingenomen standpunt overbodige  – oordeel had beklaagde nooit mogen geven zonder zorgvuldig onderzoek naar de feiten. Beklaagde had niet mogen volstaan met een enkel telefoontje naar werkgever en Arbodienst alvorens uitgebreid op kantoor met de werknemer te spreken. Hij had daarentegen de aldus van de werknemer verkregen informatie op de juistheid en volledigheid daarná moeten toetsen bij de werkgever. Vaststaat dat dit niet is gebeurd en dat beklaagde zelfs een aanbod van de werkgever voor het overleggen van schriftelijk bewijsmateriaal heeft afgewezen.

I.c. was ook de werkgever onderwerp van onderzoek en dus aan te merken als "cliënt" in de zin van de Gedragsregels. Weliswaar omschrijven deze de "cliënt" als de natuurlijke persoon t.o.v. wie de arbeidsdeskundige zijn onderzoek uitvoert. In het licht van de uitbreiding van taken van arbeidsdeskundigen is deze omschrijving echter verouderd, zoals uit deze casuspositie blijkt. Dat brengt met zich mee, dat de voorschriften omtrent bejegening, informatieplicht, rapportage en wijze van onderzoek van de Gedragsregels eveneens van toepassing zijn als de reïntegratie-inspanningen van de werkgever moeten worden onderzocht.

Beklaagde heeft  jegens de werkgever in strijd gehandeld met die voorschriften ten aanzien van voorafgaande informatieverstrekking over de aard, doel en inhoud van het onderzoek (artikel 1) en het zorgvuldigheidsvereiste bij het uitvoeren van zijn onderzoek (art 3). 

Conclusie
De Raad van Toezicht is van oordeel dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels voor arbeidsdeskundigen door
• De werkgever voorafgaand aan het onderzoek onvoldoende te informeren over aard en doel van het onderzoek
• De door hem verzamelde gegevens niet in een gesprek met de werkgever op de juistheid te controleren en deze in de gelegenheid te stellen aanvullende en/of andersluidende informatie te verstrekken
• Tot zijn oordeel te komen zonder dat een actueel, verifieerbaar en toereikend medisch dossier voorhanden was
• Zonder arbeidsdeskundig onderzoek te suggereren dat de werkgever onvoldoende en niet-passende reïntegratie-inspanningen heeft verricht
• Zonder enige terughouding een juridisch oordeel te geven over de loonclaim van de werknemer en dat als het resultaat van arbeidsdeskundig onderzoek te presenteren.

De Raad laat daarbij uitdrukkelijk in het midden of een correct uitgevoerd onderzoek tot een ander resultaat zou hebben geleid.

Sanctie
De Raad volstaat met een schriftelijke waarschuwing en geanonimiseerde publicatie in het orgaan van de SRA.