Uitspraak 12 juni2008
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van de heer X, hierna aangeduid als klager, tegen de registerarbeidsdeskundige, de heer Y, hierna aangeduid als beklaagde.
Procesverloop
Bij per e-mail verstuurde brief van 12 december 2007 is door klager een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft via zijn gemachtigde mr. A, advocaat, schriftelijk verweer gevoerd middels een verweerschrift d.d. 4 februari 2008. Klager heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 24 maart 2008. Op 8 april 2008 heeft de gemachtigde van beklaagde een "dupliek" ingediend.
De Raad van Toezicht heeft vervolgens plaats, datum en tijdstip vastgesteld van een mondelinge behandeling (13 mei 2008 te 16.00 uur ten kantore van de Voorzitter) waar partijen hun standpunten nader zouden kunnen toelichten. Op het vastgestelde tijdstip is beklaagde met diens raadsman verschenen. Klager heeft enkele minuten voor het tijdstip waarop de mondelinge behandeling zou aanvangen telefonisch aan de receptioniste van het kantoor van de voorzitter van de Raad van Toezicht laten weten "enkele minuten" later te zullen komen. Om 16.20 uur -klager was nog steeds niet aanwezig- is de mondelinge behandeling aangevangen, waar beklaagde en diens gemachtigde een toelichting heeft gegeven op zijn verweer. Ook zijn door beklaagde en diens raadsman enkele door de Raad van Toezicht gestelde vragen beantwoord. De mondelinge behandeling is door de Voorzitter van de Raad van Toezicht gesloten om 16.35 uur. Eerst na het sluiten van de mondelinge behandeling is klager met diens raadsvrouwe, mevrouw mr. B, advocate, verschenen. De raadsvrouwe van klager heeft aan de Raad van Toezicht een pleitnota overhandigd van 6½ pagina's waarop zij nog een mondelinge toelichting heeft gegeven.
De feiten
Op 20 november 2006 heeft de verzekeringsmij. aan beklaagde verzocht om de mate van arbeidsongeschiktheid van klager vast te stellen per maart 2006 op grond van medische beperkingen zoals beschreven in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 16 oktober 2006, opgesteld door de verzekeringsarts. Op 28 november 2006 heeft beklaagde met klager schriftelijk een afspraak gemaakt om hem op 5 december 2006 te bezoeken. Na afloop van het bezoek heeft beklaagde aan klager toegezegd een gespreksverslag aan klager te zullen toezenden. Op 8 december 2006 heeft beklaagde per e-mail het door hem opgestelde gespreksverslag aan klager toegestuurd. In zijn e-mailbericht van 8 december 2006 schrijft beklaagde: "indien u op-/aanmerkingen heeft dan verneem ik dat graag van u". Klager heeft op 15 december 2006 telefonisch contact gehad met beklaagde waarin hij heeft aangegeven dat het voor hem niet goed mogelijk was om het gespreksverslag op juistheid te beoordelen. Op 16 december 2006 heeft klager zijn schriftelijke reactie gegeven op het gespreksverslag. Klager geeft aan in het verslag de uitleg te missen die klager heeft gegeven over de hectiek in een doorsnee vrijgevestigde fysiotherapiepraktijk. Verder verzoekt klager, op advies van de VVAA, aan beklaagde om de rapportage op te stellen op basis van de gegevens van het gespreksverslag. Klager wenst een nadere reactie op de feiten in de rapportage nog even uit te stellen. Klager spreekt de hoop uit dat beklaagde begrip heeft voor de onmogelijkheid van klager om nu reeds te reageren en hoopt verder dat beklaagde het complete verslag (lees: rapportage) aan hem wil zenden ter controle op de juistheid van de weergegeven feiten.
Op 18 december 2006 deelt beklaagde per e-mail aan klager mede dat hij de door klager gemaakte op-/aanmerking heeft verwerkt in zijn rapportage. Hij deelt mede het verslag af te maken en dat naar de verzekeringsmij. te versturen met het verzoek aan deze maatschappij om een kopie naar klager te sturen. Beklaagde deelt verder mede dat hij aan de opdrachtgever rapporteert en voorts dat het niet gebruikelijk is dat een complete rapportage op voorhand naar betrokkene wordt verstuurd voor controle op juistheid van de weergegeven feiten. Dit betekent dat klager een kopie van de definitieve rapportage zal ontvangen. Beklaagde heeft vervolgens zijn rapportage opgestuurd naar de verzekeringsmij.
Op dinsdag 19 december 2006 laat klager per e-mail weten dat hij ernstig bezwaar maakt tegen het inzenden van de rapportage naar de verzekeringsmij. zonder dat hij bekend is met de feiten in de volledige door beklaagde opgestelde rapportage.
Het verzoek om vooraf inzage te hebben in de rapportage is naar het oordeel van klager een redelijk verzoek en zeker niet ongebruikelijk. Klager hoopt dat beklaagde zijn standpunt zal herzien in verband met de (mentale) situatie waarin klager verkeert (RvT lees: die het hem onmogelijk maken om direct en adequaat te reageren).
Bij brief van 22 december 2006 laat beklaagde aan klager weten dat diens e-mailbericht van 19 december 2006 (verzonden om 18.22 uur) en het versturen van de rapportage elkaar hebben gekruist. De verzekeringsmij. zal aan klager een kopie van de rapportage doen toekomen.
Op woensdag 12 december 2007 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde.
De klacht
Kort en zakelijk samengevat komt de op 12 december 2007 ingediende klacht er op neer dat in het aan klager toegezonden gespreksverslag feiten vermeld werden die niet overeen kwamen met de werkelijkheid en dat het verslag voor meerdere uitleg vatbaar was. Naar het oordeel van klager heeft beklaagde dit gespreksverslag ten onrechte verwerkt in een rapportage die hij heeft verzonden aan de verzekeringsmij, ondanks het feit dat klager een bericht heeft gestuurd dat hij hiermee niet akkoord ging. Het rapport staat vol onjuistheden en beklaagde heeft een rekenfout gemaakt.
Nadat beklaagde verweer heeft gevoerd heeft klager een reactie opgesteld en geeft hij aan dat zijn klachten zijn:
1. Beklaagde heeft een aantal zaken op papier gesteld waarin klager zich, als deelnemer aan en informatieverstrekker in het gesprek met beklaagde zich niet herkent;
2. Beklaagde heeft gemeend slechts gedeeltelijk te moeten reageren op de door klager gegeven reactie op het aan klager toegezonden gespreksverslag;
3. Het verzoek tot nadere inzage van de rapportage is kennelijk als niet ter zake doend beschouwd. De vraag rijst in hoeverre hiermee is gehandeld in strijd met Gedragsregel 3;
4. Er is sprake van een aantal onzorgvuldigheden of feitelijke onjuistheden in het rapport. Beklaagde heeft niets (of nauwelijks iets) gedaan met de reactie van klager daarop;
5. Beklaagde heeft klager, voorafgaand aan het gesprek, onvoldoende geïnformeerd over:
– aard, doel en inhoud van het onderzoek;
– de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten
– het recht om het onderzoek te weigeren
– het recht om zich met een klacht te wenden tot het Registerinstituut
Het verweer
Beklaagde stelt zich, blijkens het door hem tegen de aanvankelijk ingediende klacht gevoerde verweer, op het standpunt dat de Gedragsregels niet bepalen dat klager het recht heeft om van beklaagde inzage in de volledige rapportage te verlangen. Weliswaar dienen de relevante gegevens die nodig zijn voor de oordeelsvorming geverifieerd te worden ten overstaan van de cliënt, maar dat impliceert niet dat de cliënt aanstonds de beschikking krijgt over de rapportage (als regel voorbehouden aan de opdrachtgever).
Beklaagde is de afspraak nagekomen om klager inzage te geven in het gespreksverslag. Achteraf ware het wellicht beter geweest om de nadere reactie van klager op dit gespreksverslag af te wachten, doch van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Evenmin kan gezegd dat beklaagde niet heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene normen van fatsoen.
In zijn dupliek, waarin beklaagde reageert op de aanvullende c.q. herformuleerde klachten van klager, stelt beklaagde dat hij zich in zijn rapport heeft gebaseerd op informatie die door klager en diens echtgenote aan hem is verstrekt. De aldus verkregen informatie heeft beklaagde al tijdens het gesprek samengevat en herhaald, in de zin van toetsing. In zijn dupliek gaat beklaagde verder concreet in op de vier punten die klager in zijn reactie van 24 maart 2008 heeft aangevoerd ter illustratie van zijn stelling dat er sprake is van een aantal onzorgvuldigheden of feitelijke onjuistheden in het arbeidskundig rapport. Beklaagde ontkent van onjuiste gegevens te zijn uitgegaan, met uitzondering van het aantal uren dat beklaagde bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid als uitgangspunt heeft genomen. Beklaagde erkent dat hij in dat opzicht een onjuist aantal uren heeft gehanteerd.
Beklaagde voert aan dat de inhoudelijke beoordeling van de arbeidskundige rapportage en de uitkomst daarvan zich onttrekt aan de bevoegdheid die de Raad van Toezicht toekomt. Evenmin valt binnen het beoordelingskader van de Raad van Toezicht de inhoudelijke aspecten van de tussen partijen bestaande discussie.
De door klager nadien breder geformuleerde klacht – in hoeverre heeft beklaagde gehandeld in strijd met Gedragsregel 3 door niets te doen met de reactie van klager op het gespreksverslag en door het negeren van het verzoek om inzage in de arbeidskundige rapportage – stuit op bezwaren. De klacht wordt geformuleerd in het klaagschrift en op de aldus ingediende klacht hoort de Raad van Toezicht partijen. Ook overigens is beklaagde van oordeel dat de uitgebreide klacht moet worden afgewezen, nu klager wel degelijk is geïnformeerd over aard, doel en inhoud van het onderzoek en over de te hanteren onderzoeksmethoden en instrumenten. De opdracht is met klager doorgenomen en beklaagde heeft klager op de hoogte gebracht van de hoofdlijnen van het arbeidskundig onderzoek
De werkwijze van de Raad
Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad.
In het vigerende reglement is geen regeling opgenomen voor het geval één der opgeroepen partijen aanmerkelijk te laat verschijnt en wel pas op een tijdstip nadat de mondelinge behandeling door de Voorzitter van de Raad van Toezicht is gesloten.
De Raad van Toezicht is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van partijen is om er voor te zorgen dat zij voor het bijwonen van de mondelinge behandeling tijdig aanwezig zijn en dat, behoudens in gevallen van evident aantoonbare overmacht – waarvan i.c. niet is gebleken – het te laat verschijnen van één der partijen geen reden vormt om het verzoek van de te laat verschenen partij tot heropening van de zaak te honoreren. De Raad van Toezicht is van oordeel dat, nu klager tot tweemaal toe in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt schriftelijk toe te lichten, het niet inwilligen door de Raad van het verzoek van klager om heropening of voortzetting van de mondelinge behandeling geen veronachtzaming oplevert van het beginsel van hoor en wederhoor. De Raad zal de pleitnotities van de raadsvrouwe, haar gegeven toelichting daarop en de nadien nog door klager ingezonden stukken buiten beschouwing laten bij haar beoordeling van deze zaak. De Raad acht dit temeer aanvaardbaar nu aan de Raad op grond van art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht de bevoegdheid toekomt om zelfstandig de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels te beoordelen.
Voor wat betreft het door beklaagde gevoerde verweer dat de Raad van Toezicht geen acht zou mogen slaan op de uitbreiding van de klacht van klager en zich zou moeten beperken tot hetgeen klager in zijn oorspronkelijke klaagschrift heeft aangevoerd, merkt de Raad op dat zij deze opvatting van beklaagde niet deelt. Het Reglement schrijft de Raad zonder enige beperking voor de klacht te toetsen aan o.a. de Gedragsregels. Mede gelet op de doelstelling van de Stichting, namelijk het waarborgen van de kwaliteit van
de beroepsuitoefening en het daarbij beoogde publieke belang, is de Raad bevoegd een klacht over de beroepsuitoefening van een arbeidsdeskundige te beoordelen aan alle
bepalingen van de Gedragsregels. De Gedragsregels geven overigens geen limitatieve opsomming van de gevallen waarin geklaagd kan worden.
Met betrekking tot de klachten
De Raad leest de klacht van klager aldus dat klager in ieder geval van oordeel is dat beklaagde gehandeld heeft in strijd met de Gedragsregel 3 en met Gedragsregel 4 die, voor zover relevant in het kader van de beoordeling van de klacht, als volgt zijn geformuleerd.
3.1 Introductie
De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om er voor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over:
– Aard, doel en inhoud van het onderzoek;
– De te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten;
– Het recht om het onderzoek te weigeren, waarbij de cliënt wordt gewezen op de mogelijke consequenties van een dergelijk weigering;
– Het recht om zich met een klacht te wenden tot het Register-instituut;
– Het recht op inzage in de rapportage van het onderzoek via de opdrachtgever.
3.2 Vertrouwelijkheid en wekken van verwachtingen
(……)
3.3.Onderzoeksmethode
– De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
(…)
3.4 Verantwoording en rapportage
– De cliënt heeft het recht geïnformeerd te worden omtrent de gegevensverwerking ten behoeve van de rapportage.
Ingevolge het recht op inzage kan de cliënt via de opdrachtgever een afschrift van het arbeidsdeskundig rapport verkrijgen.
Toelichting:
Zowel in het belang van de cliënt als van de arbeidsdeskundige, dienen de relevante gegevens, benodigd voor de oordeelsvorming, geverifieerd te worden ten overstaan van de cliënt. Zulks impliceert niet, dat de cliënt aanstonds de beschikking krijgt over de rapportage (als regel voorbehouden aan de opdrachtgever) doch wel, dat de arbeidsdeskundige zich dient te realiseren, dat zijn rapportage op enig moment (veelal in geschillenprocedures) ter beschikking kan komen van de cliënt of zijn gemachtigde
De overwegingen van de Raad
Beklaagde heeft op 28 november 2006 schriftelijk aan klager laten weten dat hij op 5 december 2006 aan klager een bezoek zou brengen. In de brief van 28 november 2006 wordt vermeld dat het onderzoek erop gericht is om de mate van arbeidsongeschiktheid (volgens de in de polisvoorwaarden opgenomen definitie) van klager vast te stellen op basis van de medische belastbaarheidgegevens die door de verzekeringsarts zijn opgesteld. Voorts wordt in de brief aangegeven dat er wordt uitgegaan van het verzekerd beroep.
De stelling van beklaagde dat hij in het gesprek op 5 december 2006 met klager de opdrachtbrief van de verzekeringsmij. heeft doorgenomen en in dat verband gesproken heeft over de wijze van beoordelen komt de Raad geloofwaardig voor.
Dat geldt evenwel niet voor het verstrekken van informatie door beklaagde over het aan klager toekomende klachtrecht, doch nu klager zich reeds in een vroeg stadium heeft laten adviseren door een adviseur van de VVAA, die geacht kan worden op de hoogte te zijn van het klachtrecht van de SRA alsmede over het aan klager toekomende recht om een onderzoek te weigeren, verbindt de Raad aan het verzaken door beklaagde van zijn plicht tot informatieverstrekking over het klachtrecht en over het recht van klager om te weigeren mee te werken aan een onderzoek, geen consequenties. De klacht dat klager onvoldoende geïnformeerd is over aard, doel en inhoud van het onderzoek en over de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten alsmede over diens recht om een onderzoek te weigeren, is ongegrond.
Voor zover de klacht betrekking heeft op het inzage en correctierecht van klager overweegt de Raad het volgende.
Uit de toelichting op artikel 1.4 Gedragsregels blijkt, dat relevante gegevens getoetst moeten worden ten overstaan van de cliënt, maar daaruit blijkt niet dat de arbeidsdeskundige zijn (volledige) rapportage op voorhand ter correctie en inzage aan de cliënt moet doen toekomen. De handelwijze van beklaagde – het toesturen aan klager van een gespreksverslag met de uitnodiging om de daarin vermelde feiten te toetsen c.q. te corrigeren, is niet in strijd met de Gedragsregels. De Raad merkt op dat het niet ongebruikelijk is dat de arbeidsdeskundige zijn rapportage in concept aan de cliënt toestuurt met het verzoek zonodig correcties en aanvullingen te leveren, teneinde te voorkomen dat op basis van onjuiste gegevens conclusies worden getrokken, maar een verplichting daartoe bestaat er op grond van de huidige Gedragsregels niet. Met beklaagde is de Raad het eens dat hij wellicht beter de nadere reactie van klager op het gespreksverslag had kunnen afwachten – hoewel klager op grond van een aan hem door een adviseur van de VVAA verstrekt advies aangaf dat beklaagde op basis van het gespreksverslag kon overgaan tot het opstellen van het arbeidskundig rapport – maar dat betekent niet dat beklaagde door niet langer te wachten klachtwaardig heeft gehandeld. In zoverre is de klacht ongegrond.
Klager beklaagt zich voorts over het voorkomen van een aantal onjuistheden en onzorgvuldigheden in de door beklaagde opgestelde rapportage.
Op grond van het klaagschrift en het daartegen gevoerde verweer stelt de Raad vast dat het bij dit onderdeel van de klacht gaat om een verschil van mening tussen klager en beklaagde over een aantal in de rapportage vermelde feitelijkheden.
Die vallen echter buiten het beoordelingskader van de Raad. Nogmaals en wellicht ten overvloede: de Raad toetst het handelen van de arbeidsdeskundige aan de hand van de Gedragsregels en onthoudt zich in beginsel van commentaar op de inhoud van de arbeidskundige rapportage, tenzij vastgesteld wordt dat de rapportage niet voldoet aan de in de Gedragsregels vastgelegde uitgangspunten en beginselen. De Raad is van dit laatste niet gebleken, zodat dit onderdeel van de klacht derhalve niet ter beoordeling van de Raad staat.
Klager kan over de naar zijn mening in de rapportage voorkomende onjuistheden, waaronder bijv. het aantal uren dat gehanteerd is bij de berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid, bij de verzekeraar een klacht in dienen, waarna mogelijk een correctie zal volgen van hetgeen naar de opvatting van klager als onjuistheid is opgenomen in de arbeidskundige rapportage. Het gebeurt immers regelmatig dat een cliënt achteraf bezwaren heeft van feitelijke aard na het uitbrengen van het definitieve arbeidsdeskundig rapport. In dergelijke situaties wordt van een arbeidsdeskundige verwacht dat hij daarmee met open vizier omgaat en onderzoekt of zijn rapport aanvulling behoeft. Het is de Raad gebleken dat beklaagde ten aanzien van het door hem gehanteerde aantal uren erkent hierin een fout te hebben gemaakt en de Raad neemt zonder meer aan dat beklaagde bereid is om zijn rapportage op dat punt aan te passen en zo mogelijk qua uitkomst te herzien.
Conclusie
De Raad concludeert op grond van het bovenstaande tot ongegrond verklaring van de klacht.