Uitspraak 13, 1 december 2004
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de door de heer R. te L., hierna te noemen klager, ingediende klacht tegen de registerarbeidsdeskundige A, hierna te noemen beklaagde.
Procesverloop
Bij brief d.d. 12 maart 2004 heeft klager zich tot de Raad van Toezicht van de SRA gewend met een serie klachten tegen beklaagde. De laatste heeft daartegen bij schrijven d.d. 28 juni 2004 verweer gevoerd. Klager heeft daarop op 3 augustus 2004 zijn schriftelijke reactie gegeven. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 22 september 2004. Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord. Beklaagde heeft zich daarbij laten bijstaan door zijn direct leidinggevende H. Na de zitting hebben partijen nog de door de Raad van Toezicht gevraagde informatie toegezonden.
Casuspositie
Klager is van beroep zelfstandig schade-expert. Hij heeft zich per 1 januari 2000 bij de verzekeringsmaatschappij C. tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd. Vanaf juni 2000 is hij arbeidsongeschikt en ontvangt hij van C. een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100 %. C. heeft de advisering over arbeidsongeschiktheid (in deze zaak) uitbesteed aan D. Beklaagde is als arbeidsdeskundige in loondienst van die vennootschap werkzaam. Beklaagde bezoekt klager op 15 februari 2002. Het is ieder op dat moment duidelijk dat klager, gelet op zijn medisch/psychische beperkingen, beter omgeschoold kan worden naar ander werk. Beklaagde bevestigt dat schriftelijk aan klager. Daarna wordt advies uitgebracht door een loopbaanadviseur (september 2002), gevolgd door een psychiatrische rapportage (maart 2003). Daarop wordt nog een aanvullend medisch onderzoek gelast (TBH). De betreffende arts acht klager volledig arbeidsongeschikt en niet tot enige arbeid te motiveren (rapport juni 2003). Ondertussen vraagt klager C. bij brief d.d. 3 juni 2003 om uitsluitsel over de vergoeding door C. van de door hem beoogde omscholing tot advocaat. De medisch adviseur van D. is van oordeel, dat de medische beperkingen van klager zijn afgenomen en dat de prognose zo gunstig is, dat de klachten in enkele maanden verdwenen zullen zijn.
Beklaagde adviseert in zijn hoedanigheid van "Expert Arbeidszaken" namens D. in zijn rapport d.d. 20 juni 2003 tot een afbouwregeling waarbij de uitkering per 1 oktober 2003 geheel zal worden stopgezet. C. bericht daarop klager, dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering m.i.v. 1 september 2003 zal worden stopgezet.
Uit een nadien uitgebrachte psychiatrische rapportage blijkt, dat de arbeidsongeschiktheid van klager groter was, dan in bovengenoemde psychiatrische rapportage van maart 2003 was aangenomen.
Inhoud van de klachten
1. Beklaagde maakt in zijn advies aan C. wel melding van het TBH-advies dat hij niet tot enige arbeid te motiveren is, maar niet dat hij door dezelfde arts volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.
2. Beklaagde heeft hem niet regelmatig thuis bezocht
3. Beklaagde heeft hem geen hulp bij reïntegratie gegeven
4. Beklaagde heeft het psychiatrische rapport niet met hem besproken
5. Beklaagde heeft met hem niet gecommuniceerd over het TBH-traject
6. Beklaagde heeft de medisch adviseur in het TBH-project niet volledig geïnformeerd over zijn persoon
7. Beklaagde heeft hem niet geïnformeerd over onderzoeksmethoden en -instrumenten en over zijn rechten
8. Beklaagde heeft zijn wereld doen instorten
Inhoud van het verweer
Beklaagde geeft allereerst een uitvoerig relaas van de feiten.
Met betrekking tot bovengenoemde klachten stelt hij:
1. Niets
2. Is juist, maar eerst moesten de resultaten van (medisch) onderzoek worden afgewacht
3. Onjuist, omdat hij dienaangaande eerst medische informatie had opgevraagd; na herstel was verdere bemoeienis niet meer aan de orde
4. Klopt, maar bespreking medische rapportage ligt niet op zijn weg
5. Verdere rapportage loopt niet via hem maar via de verzekeringsmaatschappij
6. Niets
7. Is juist, maar dit ligt op de weg van de verzekeraar
8. Niets
De kern van zijn verweer tijdens de mondelinge behandeling was, dat hij niet verantwoordelijk is voor de inhoud van medische rapporten en evenmin voor de door C. genomen beslissing. Het medisch TBH-rapport kende beklaagde ten tijde van de advisering niet. Hij baseerde zich op het oordeel van de medisch adviseur van D. Voorts nam hij de werkzaamheden halverwege de "rit" over van een collega arbeidsdeskundige, die eerder met klager contact had gehad.
Overwegingen van de Raad van Toezicht
De Raad van Toezicht heeft zich te beperken tot de vraag of een registerarbeidsdeskundige de Gedragsregels geschonden heeft. De Raad kan en mag zich geen oordeel vormen over de juistheid van het arbeidsdeskundige oordeel, tenzij dit op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen.
In zijn advisering mag de arbeidsdeskundige niet op de stoel van de verzekeringsgeneeskundige gaan zitten. Wel dient hij er voor te waken dat hij voldoende en actuele medische informatie voorhanden heeft waaruit de medische beperkingen van de cliënt met een redelijke mate van zekerheid blijken.
Uit de aan de Raad ter beschikking gestelde stukken kan geconcludeerd worden dat beklaagde optrad als "case-manager" resp. als "procesbewaker" bij D. Hoewel beklaagde in de loop van de procedure zijn rol steeds meer bagatelliseerde, gaat de Raad er op grond van de aan hem overgelegde correspondentie van uit, dat hij alle stukken kende, althans daar toegang toe had, en in nauw overleg met de verzekeringsgeneeskundige van D. tot zijn advisering is gekomen en dus volledig (mede) verantwoordelijk is voor de advisering over de arbeidsongeschiktheid van klager.
De Raad van Toezicht neemt de verzekeringsovereenkomst tussen klager en C. tot uitgangspunt voor de beoordeling. Blijkens de polis moet de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van objectief medisch vast te stellen stoornissen gerelateerd worden aan het eigen beroep van klager, i.c. dat van zelfstandig schade-expert. In de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid worden eventuele aanpassingen van werkzaamheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf betrokken.
Beslissend voor het door beklaagde aan C. gegeven advies om de uitkering in snel tempo af te bouwen is het rapport van psychiater E. d.d. 10 maart 2003 aan de medisch adviseur van D. en het op basis daarvan aangevraagde TBH-rapport van de huisarts F.
Psychiater E. gaf aan dat er op het moment van onderzoek nog sprake is van beperkingen in de beroepsuitoefening qua tempo en druk, maar dat de prognose wat betreft reïntegratie in werk goed leek. Ondanks deze optimistische visie, is – naar het oordeel van de Raad – uit dit rapport niet te concluderen, dat er objectief geen medische beperkingen meer waren en evenmin dat klager zijn werkzaamheden als schade-expert op korte termijn volledig zou kunnen hervatten.
Huisarts F. achtte Klager in zijn summier en nauwelijks leesbaar rapportje d.d. 3 juni 2003 volledig arbeidsongeschikt en niet te motiveren tot arbeid.
Op basis van deze medische informatie kon niet zonder meer worden geconcludeerd, dat klager vanaf 1 oktober 2003 minder dan 25 % arbeidsongeschikt zou zijn voor eigen werk. Daarvoor was aanvullende medische informatie nodig en/of arbeidsdeskundig onderzoek. Beiden zijn achterwege gebleven. Beklaagde heeft daarom met onvoldoende mate van zorgvuldigheid zijn advies uitgebracht.
In het aangevallen advies heeft beklaagde het door F. geconstateerde gebrek aan motivering om te werken betrokken evenals de in zijn ogen weinig realistische studie- en beroepsvoorkeur van klager, om langs die weg te reïntegreren. Beide aspecten hebben met de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en het recht op het voortduren van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niets te maken.
De klacht, dat beklaagde heeft nagelaten om aan C. te rapporteren dat F. klager volledig arbeidsongeschikt acht , berust op een feitelijk juiste grondslag. Nu beklaagde op gezag van de verzekeringsgeneeskundige van D. in zijn advies aan C. aangeeft dat er geen belemmeringen meer waren om het verzekerde beroep weer te kunnen gaan uitoefenen, had hij toch minstens mogen aangeven, dat dit medische oordeel niet eensluidend tot stand gekomen was, alsmede op welke gronden dit deel van de bevindingen van de betreffende arts juist niet zijn overgenomen in zijn advies, terwijl hij aan het andere deel van het oordeel van die arts zoveel waarde hecht. De klacht is wegens dit motiveringsgebrek dus gegrond.
De klacht, dat beklaagde hem niet regelmatig thuis heeft bezocht is, ongegrond. De Gedragsregels kennen een dergelijke verplichting niet.
De klacht, dat beklaagde hem geen hulp heeft geboden bij reïntegratie, is eveneens ongegrond. Voorzover klager met die klacht beoogt te stellen, dat beklaagde aan C. had moeten adviseren om het voorstel van klager te honoreren dat hij 4 jaar op kosten van C. een studie rechtswetenschap kon volgen, is de Raad van oordeel dat het advies van beklaagde dit voorstel af te wijzen niet onzorgvuldig of ondeskundig is gegeven.
De klacht, dat beklaagde het psychiatrische advies niet met klager besproken heeft, is ongegrond, omdat beklaagde een dergelijke verplichting niet zonder meer heeft.
De klacht, dat beklaagde het TBH-traject niet met klager heeft gecommuniceerd is deels ongegrond, omdat klager voorafgaande aan dat onderzoek schriftelijk uitleg heeft ontvangen van de reden van dat onderzoek. Voorzover klager zich beklaagt over het feit dat beklaagde hem de rapportage van F. niet is toegezonden, is deze klacht eveneens ongegrond. Immers de verzekeringsmaatschappij was daartoe i.c. verplicht en heeft tegenover klager aan die verplichting voldaan.
Ook de klacht, dat beklaagde F. niet volledig over zijn persoon heeft geïnformeerd, is ongegrond. Deze arts heeft immers van beklaagde de uitgebreide rapportage van de psychiater toegezonden gekregen, waarin een schat aan persoonlijke informatie over klager is opgenomen. Bovendien heeft een arts niet alle persoonlijke informatie nodig om tot een medisch oordeel te komen.
De klacht, dat beklaagde hem niet volledig over de onderzoeksmethoden heeft geïnformeerd, treft evenmin doel. De Gedragsregels verplichten de registerarbeidsdeskundige daartoe in zijn eerste gesprek met de cliënt bij de aanvang van het arbeidsdeskundig onderzoek. Enerzijds viel beklaagde als case-manager pas na ruim 1 jaar in; anderzijds heeft hij in het geheel geen arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Er valt daarom geen moment aan te wijzen waarop beklaagde aan deze verplichting had moeten voldoen.
De klacht dat beklaagde het leven van klager heeft verwoest acht de Raad eveneens ongegrond nu daartoe onvoldoende feiten zijn aangevoerd.
Conclusie
De Raad acht de eerste klacht gegrond, de overige klachten ongegrond.
Sanctie
De Raad volstaat met een schriftelijke waarschuwing en geanonimiseerde publicatie van deze uitspraak in het orgaan van de SRA.