Uitspraak 14 maart 2019 (klacht 18/47 AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht “klager”, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: "beklaagde", voor wie als gemachtigde optreedt mr. S.M. Steen, advocaat te Utrecht.
Procesverloop
Op 9 juli 2018 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 7 producties gevoegd.
Bij zijn brief d.d. 10 juli 2018 met één bijlage heeft klager zijn klacht aangevuld en uitgebreid.
Op 17 september 2018 is door de gemachtigde van beklaagde naar aanleiding van de klacht een verweerschrift met 5 bijlagen ingediend.
Met de brief van 24 oktober 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Bij e-mail d.d. 6 november 2018 heeft klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd. Daarbij is verwezen naar de oorspronkelijke klacht van 9 juli 2018.
Op 14 december 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde schriftelijk verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar het eerdere verweerschrift van 17 september 2018.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 31 januari 2019. Ter zitting is verschenen klager, bijgestaan door zijn echtgenote. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. O.L. Nunes, kantoorgenoot van mr. S.M. Steen. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat – voor zover hier relevant – uit van de navolgende feiten.
Beklaagde was ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd zelfstandig register-arbeidsdeskundige.
Bij e-mail van 5 juni 2018 ontving beklaagde van Arbeidsdeskundig adviesbureau X het verzoek om arbeidsdeskundig onderzoek bij klager uit te voeren. Klager was sinds 22 mei 2017 arbeidsongeschikt uitgevallen bij zijn werkgever. De vraagstelling aan beklaagde luidde:
“Geef arbeidsdeskundig advies ten aanzien van de re-integratiemoeilijkheden van werknemer bij de eigen werkgever dan wel elders op de arbeidsmarkt.”
In het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek hebben klager en beklaagde elkaar voor het eerst ontmoet tijdens het gesprek van 18 juni 2018. Bij die gelegenheid heeft beklaagde eerst gesproken met klagers werkgever, vervolgens met klager en tot slot met klager en werkgever gezamenlijk.
Op 20 juni 2018 heeft beklaagde telefonisch contact opgenomen met klager en hem laten weten dat na overleg met de bedrijfsarts Spoor 2 niet aan de orde was. Beklaagde heeft klager haar excuses aangeboden die door klager zijn aanvaard.
Dezelfde dag ontving klager per e-mail nog het rapport van beklaagde.
In zijn e-mail d.d. 21 juni 2018, 23:36 uur, heeft klager beklaagde na lezing van het rapport op diverse feitelijke onjuistheden gewezen en heeft hij te kennen gegeven dat hij de informatieverwerking selectief vond en het rapport onvoldoende neutraal. Klager heeft daarbij aangegeven dat hij binnen de twee weken inhoudelijk zijn bevindingen zou toelichten en de aanname uitgesproken dat het rapport nog niet naar de werkgever was gestuurd.
Beklaagde heeft bij e-mail d.d. 22 juni 2018, 9:37 uur, aan klager bevestigd dat het rapport reeds aan de werkgever was gezonden.
Klager heeft beklaagde met twee e-mails aangegeven waar volgens hem het rapport inhoudelijk en feitelijk niet klopte. Klager heeft aan beklaagde een termijn aangegeven van twee weken om de feitelijke onjuistheden te herstellen, aangevuld in zijn brief d.d. 26 juni 2018.
Op 2 juli 2018 heeft klager nog aangevuld dat de eerste dienst die hij als niet “boven de bezetting” had gedraaid op 16 januari 2018 was. Volgens klager was er sindsdien in oplopende mate sprake van werk in de eigen functie, waarbij hij inmiddels alle uren in de eigen functie en in de bezetting zou draaien.
Bij e-mail van 9 juli 2018, 22:27 uur, heeft beklaagde aan klager een e-mail gestuurd met een uiteenzetting op de reactie van klager op het arbeidsdeskundig rapport.
Verweerster heeft klager om toelichting gevraagd, met name de precieze invulling van de opbouw na 16 januari 2018. Klager heeft daarop overzicht verstrekt van de diensten die hij naar eigen zeggen niet als boven de bezetting (maar in de bezetting) had gedraaid.
Per aangetekende brief d.d. 9 juli 2018 heeft klager een klacht ingediend over het arbeidsdeskundig rapport van 20 juni 2018.
Met haar e-mail d.d. 9 juli 2018, 22:27 uur, heeft beklaagde inhoudelijk gereageerd op de kritiekpunten van klager.
Klager heeft bij brief d.d. 10 juli 2018 zijn klacht nader aangevuld.
De klacht
Klager verwijt beklaagde:
-
dat zij vooral de werkgever tevreden heeft willen stellen en zich partijdig, vooringenomen en intimiderend jegens klager heeft opgesteld;
-
dat zij daarbij als persoonlijke visie heeft aangenomen dat Spoor 2 moest worden ingezet;
-
dat het arbeidsdeskundig rapport van beklaagde op feitelijke onjuistheden is gebaseerd en dat sprake is van bewuste selectiviteit bij het weglaten van wat in het nadeel van de werkgever spreekt;
-
dat beklaagde heeft geweigerd alsnog de door klager gesignaleerde feitelijke onjuistheden in het rapport te herstellen, met het argument dat deze feiten ten tijde van het onderzoek niet bekend waren en dat achteraf ingebrachte informatie in het kader van de zorgvuldigheid niet in het rapport kan worden verwerkt.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een "blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid".
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de uitkering van klager heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 2 en 3 van de Gedragscode SRA van belang.
Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toeziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken. Artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.
Ter zitting heeft het Tuchtcollege allereerst een beslissing genomen over de brief d.d. 13 oktober 2018 van klager aan beklaagde en waarover namens beklaagde is opgemerkt dat deze brief buiten de klachtprocedure valt. Klager heeft ter zitting aangegeven zijn brief te handhaven.
Na een schorsing heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde meegedeeld dat door het Tuchtcollege is besloten dat de genoemde brief deel uitmaakt van het procesdossier. Beklaagde is in de gelegenheid gesteld om op de laatste schriftelijke reactie van klager te reageren en heeft zulks ook gedaan bij haar aanvullende schriftelijke reactie van 14 december 2018. Daarbij komt dat beklaagde zelf de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft verzocht om een kopie van de onderhavige brief aan het Tuchtcollege te sturen.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Ter zake van de klachten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Het Tuchtcollege stelt voorop dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de
onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig
onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren. Het zal ook de
maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een
negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen.
Beklaagde heeft het gesteld partijdig optreden ten gunste van de werkgever gemotiveerd betwist. De omstandigheid dat de werkgever zich in de inhoud van het gegeven advies kon vinden en dat de inhoud van het advies mogelijk strookte met de opvatting van de werkgever kunnen op zichzelf niet zonder meer tot de conclusie leiden dat beklaagde bij de uitvoering van de opdracht partijdig is geweest.
Of sprake is geweest van een vooraf ingenomen standpunt al of niet in samenspraak met de werkgever heeft het Tuchtcollege op grond van de feiten niet kunnen vaststellen. Evenmin komt uit de feiten naar voren dat beklaagde klager op een onheuse dan wel intimiderende wijze heeft bejegend. Klager heeft met betrekking tot dit verwijt geen relevante feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen dienen als grondslag voor de aanwezigheid van vooringenomenheid en onredelijkheid aan de zijde van beklaagde. Dit onderdeel van de klachten is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
Beklaagde heeft met betrekking tot haar aanvankelijke keuze voor een Spoor 2-advies gesteld dat het gebruikelijk is om gezien de omstandigheden die in deze zaak van belang waren een traject Spoor 2 in te zetten. Omdat volgens beklaagde op het moment van het arbeidsdeskundig onderzoek geen sprake was van een tijdcontingent opbouwschema in uren en taken meende beklaagde dat er op dat moment aanleiding was Spoor 2 te overwegen, naast de inzet van het eigen werk. Volgens beklaagde heeft zij niet gesproken over het uitsluitend inzetten van Spoor 2.
In de door de bedrijfsarts in de FML aangegeven beperking op medische gronden heeft zij een indicatie gezien voor Spoor 2. Na telefonisch overleg met de bedrijfsarts op 20 juni 2018 zou deze in tegenstelling tot de FML van 31 mei 2018 hebben aangegeven dat er geen medische beperkingen waren op basis waarvan klager het eigen werk niet meer volledig zou kunnen doen. Op grond van deze nieuwe bevinding zou beklaagde haar advies hebben bijgesteld.
Het Tuchtcollege stelt vast dat van het overleg met de bedrijfsarts door beklaagde geen verslag is gemaakt. Als gevolg hiervan kan het Tuchtcollege niet nagaan of en op welke wijze het overleg tussen beklaagde en de bedrijfsarts haar van een advies over Spoor 2 heeft afgebracht. Als zodanig is de lezing van beklaagde niet verifieerbaar. Datzelfde geldt voor het telefoongesprek dat beklaagde vervolgens heeft gehad met klager, waarvan ook elke verslaglegging lijkt te ontbreken.
Of zij tijdens dat telefoongesprek met klager, zoals beklaagde stelt, haar verontschuldigingen heeft aangeboden voor de onduidelijkheid rond het inzetten op een traject Spoor 2 of voor het overwegen van die inzet is het Tuchtcollege evenmin duidelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de vraag of zij uitsluitend klager of ook diens werkgever op de hoogte heeft gebracht van het terugkomen op het aanvankelijk ingenomen standpunt.
Beklaagde stelt daarbij dat voor zover er onduidelijk was ontstaan, dit niet aan haar was te wijten. Het Tuchtcollege is evenwel van opvatting dat het op de weg van beklaagde had gelegen om hieromtrent duidelijker te zijn richting klager en een en ander schriftelijk vast te leggen en te bevestigen.
Zeker bij de door beklaagde gevolgde handelwijze geldt het uitgangspunt dat van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verwacht (vlg. AT SRA 22 oktober 2014) en de arbeidsdeskundige op grond van artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA gehouden is op basis van betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens te motiveren en op navolgbare wijze uiteen te zetten op basis waarvan tot een (voorlopige) inschatting wordt gekomen.
Hoewel het Tuchtcollege van opvatting is dat het feitelijk verloop rondom het aanvankelijk ingenomen standpunt rondom het inzetten van Spoor 2 geen schoonheidsprijs verdient, ziet het Tuchtcollege hierin nog geen zelfstandig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit geldt temeer aangezien dit (aanvankelijke) standpunt van beklaagde niet in het arbeidsdeskundig rapport van 20 juni 2018 is overgenomen.
Het Tuchtcollege weegt het gebeurde echter wel mee bij de beoordeling van het klachtonderdeel met betrekking tot de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen.
Het Tuchtcollege stelt vast dat tussen klager en beklaagde in geschil is op welk moment sprake is geweest van het al dan niet “boven de bezetting” werkzaam zijn van klager. Het advies van beklaagde om nog tot maximaal drie maanden 95% loonwaarde aan te houden is volgens klager dan ook niet juist omdat het op onjuiste gegevens is gebaseerd. Klager heeft aangegeven dat hij al sinds januari 2018 in eigen werk (en dus representatief) aan het opbouwen was, terwijl beklaagde aangeeft op basis van haar onderzoek te hebben geconcludeerd dat klager tot mei 2018 op enkele incidentele uitzonderingen na boven de bezetting aan het opbouwen was (het betrof hier niet eigen werk van klager).
In haar rapport heeft beklaagde haar conclusie grotendeels gebaseerd op het uitgangspunt dat de re-integratie niet tijdcontingent verlopen zou zijn. Het Tuchtcollege heeft niet de overtuiging gekregen dat op deze feitelijkheden door beklaagde is doorgevraagd. Beklaagde heeft in haar verweer aangegeven dat uit het gesprek met de werkgever was gebleken dat klager “boven de bezetting” werkzaam was. Het Tuchtcollege heeft in het verleden bij herhaling kenbaar gemaakt, dat een arbeidsdeskundige, die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer bij de eigen werkgever, extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Een zorgvuldig onderzoek impliceert een verificatieplicht. Dit klemt temeer omdat klager naar aanleiding van het arbeidsdeskundig rapport beklaagde heeft gewezen op een aantal volgens hem feitelijke onjuistheden.
Gelet op de aan beklaagde gegeven opdracht mocht voorts van haar verwacht worden dat zij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare medische gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de (medische) beperkingen van klager. Beklaagde had zich bij het geven van een antwoord op de vraag naar belasting versus belastbaarheid moeten baseren op een door een medicus opgestelde omschrijving van de belastbaarheid c.q. op een beperkingenpatroon. In plaats daarvan komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat beklaagde zelf een interpretatie heeft gegeven van de belastbaarheid van klager op basis van de FML. De stelligheid waarmee beklaagde aanvankelijk (en achteraf ten onrechte) het inzetten van Spoor 2 heeft overwogen, onderstreept die conclusie.
Beklaagde heeft aangegeven dat zij in haar advies ook heeft betrokken de aard van de uitval, de aard van de werkzaamheden van klager en het feit dat klager na vier maanden in dienst uitviel, en heeft zij de door werkgever en klager besproken opbouw gelet op alle omstandigheden van het geval als “risicovol” gekwalificeerd. De twijfel over het door klager volhouden van het werk (het risico op terugval), de grond voor het langer ziekgemeld houden, dit alles had beklaagde moeten benoemen in haar rapport en waar nodig moeten bespreken met de bedrijfsarts.
Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege voorts van oordeel dat van beklaagde – ter inventarisatie van de belasting van de functie – had mogen worden verwacht dat zij een bezoek bracht aan de werkplek van klager. Klager betwist immers dat het werk wellicht te zwaar voor hem zou zijn. Door een dergelijk bezoek in de gegeven feiten en achtergronden achterwege te laten en uitsluitend uit te gaan van de algemene functieomschrijving, heeft beklaagde zich naar het oordeel van het Tuchtcollege in onvoldoende mate zelfstandig een oordeel gevormd over de aard en omvang van de werkzaamheden die in het geval van klager aan de functie zouden zijn verbonden. Ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat zij de werkplek van klager niet heeft bezocht.
De verwijzing van beklaagde naar de eerstejaarsevaluatie als onderbouwing van de feitelijke aard van de diensten acht het Tuchtcollege niet goed begrijpelijk aangezien beklaagde uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij ten tijde van het onderzoek niet met dat document bekend was.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege had het, mede gezien de discrepantie tussen de informatie van klager en de aannames van beklaagde, en het belang van de kwalificatie van de werkzaamheden van klager voor het uiteindelijke advies van beklaagde, op haar weg gelegen haar uitgangspunten c.q. aannames met betrekking tot het verloop van de re-integratie zorgvuldig te onderzoeken en te verifiëren en deugdelijk aan de hand van betrouwbare feitelijke gegevens te motiveren.
Of, zoals klager heeft gesteld, deze feitelijkheden onjuist zijn en of er sprake is van bewuste selectiviteit kan in het kader van deze tuchtrechtelijke beoordeling in het midden blijven. Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in de Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.
Van belang is vervolgens voor de tuchtrechtelijke toets op welke wijze beklaagde is omgegaan met het gegeven dat klager naar aanleiding van het aan hem toegezonden rapport beklaagde heeft gewezen op de volgens hem onjuiste feitelijke gegevens die aan dat rapport ten grondslag hebben gelegen. De centrale stelling van klager is dat deze feitelijke gegevens niet bij hem zijn geverifieerd. Zou dat wel zijn gebeurd dan had een onjuist advies voorkomen kunnen worden.
Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige mag verwacht worden dat de rapportage zodanig zal zijn, dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat deze niet duidelijk genoeg is over de wijze waarop de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel gekomen is. Een arbeidsdeskundige dient er op bedacht te zijn, dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang, dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in elke rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen langs welke in de rapportage beschreven wijze, en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse, hij/zij per onderdeel tot welke conclusie komt.
Van beklaagde had in dit geval mogen worden verwacht, dat zij, na zoals gebruikelijk met beide betrokken partijen te hebben gesproken, onderzoek zou hebben gedaan, van de gespreksverslagen een korte samenvatting zou hebben gemaakt en deze zou hebben kortgesloten met partijen. Beklaagde heeft dat nagelaten, hetgeen volgens het Tuchtcollege laakbaar is.
Het is niet ongebruikelijk dat de arbeidsdeskundige zijn rapportage in concept aan de cliënt toestuurt met het verzoek zo nodig correcties en aanvullingen te leveren, teneinde te voorkomen dat op basis van onjuiste gegevens conclusies worden getrokken.
Het had op de weg van beklaagde gelegen op zonder omhaal aan te geven wat zij, nadat klager haar had gewezen op de in zijn ogen onjuistheden, met deze voor hem van belang zijnde correcties zou doen. Door daarmee te talmen en ook overigens geen wijziging te brengen in de eerdergenoemde wijze van verificatie van de feiten, acht het Tuchtcollege het handelen van beklaagde onzorgvuldig.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hiervoor is aangegeven, gegrond is.
Tuchtmaatregel
Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.
Zoals eerder overwogen, wordt van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. In de rapportage van de arbeidsdeskundige dient duidelijkheid te worden verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen, mede omdat de rapportage, zoals ook hier, jarenlang een eigen leven kan gaan leiden. Het is daarom van het grootste belang dat in de rapportage op deugdelijk gemotiveerde en navolgbare wijze wordt aangegeven op basis van welke verifieerbare feiten en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse de arbeidsdeskundige tot zijn conclusies komt. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk en vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.
Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde is in de periode van 7 jaar dat zij (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.
Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in haar positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van haar wordt gevraagd. Beklaagde toonde zich naar het oordeel van het Tuchtcollege weinig tot niet bewust van haar handelwijze en van de consequenties daarvan.
Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval volgens artikel 22.1 onder b van het Tuchtreglement SRA de maatregel van een waarschuwing dient te worden opgelegd.
Voor zover klager met zijn klacht heeft beoogd een vergoeding van de door hem in verband met de klachtbehandeling gemaakte kosten te verkrijgen, merkt het Tuchtcollege ten overvloede nog het volgende op. Vergoeding van kosten kan niet worden verkregen door middel van een tuchtrechtelijke procedure, ook niet als de klacht gegrond wordt verklaard. Daarvoor bevat het tuchtrecht, zoals geregeld in het Tuchtreglement SRA, geen grondslag.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.
Aldus gegeven op 14 maart 2019 door de heer R. Sanders, voorzitter, mevrouw
C. Boulonois en mevrouw B. Gerringa, leden.