Uitspraak 16 november 2007
Uitspraak van de Raad van Toezicht van Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van een klaagster tegen een register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen beklaagde.
Procesverloop
Op 27 februari 2007 heeft beklaagde een arbeidskundige rapportage geschreven over klaagster. Daarover heeft klaagster bij brief d.d. 8 juni 2007 aan SRA een aantal klachten ingediend. Beklaagde heeft op de klachten gereageerd bij verweerschrift dat in oktober 2007 op het secretariaat van SRA werd ontvangen. Klaagster heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, op 11 oktober 2007 een repliek ingediend op het door beklaagde ingediende verweerschrift.
De mondelinge behandeling vond plaats op 7 november 2007. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen. Klaagster werd bijgestaan door haar echtgenoot, terwijl beklaagde zelf het woord heeft gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht en hebben vragen van de Raad van Toezicht beantwoord.
Situatieschets
Beklaagde heeft op verzoek van de verzekeringsmaatschappij, hierna te noemen de opdrachtgever, op 27 februari 2007 een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Aan beklaagde werd door de opdrachtgever medegedeeld dat de maatschappij in een juridische kwestie verwikkeld was met een consultant. Omdat er meerdere AD-rapportages waren uitgebracht die van elkaar zouden afwijken heeft de door de opdrachtgever ingeschakelde advocaat verzocht om bij beklaagde advies in te winnen c.q. een beoordeling van het dossier te laten uitvoeren. Derhalve werd door de opdrachtgever aan beklaagde gevraagd of hij op basis van een dossierstudie op korte termijn een aantal vragen zou kunnen beantwoorden. De opdrachtgever gaf aan dat een bezoek aan klaagster niet mogelijk was. Nadat beklaagde had aangegeven het verzoek te willen honoreren, heeft de door de opdrachtgever ingeschakelde advocaat bij brief van 31 januari 2007 aan beklaagde het op klaagster betrekking hebben dossier -ongeanomiseerd- aan beklaagde toegestuurd met het verzoek om op basis daarvan "uw deskundig oordeel te geven over de mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant op basis van het belastbaarheidpatroon van 28 maart 2006".
Beklaagde heeft vervolgens een arbeidskundig rapport uitgebracht met o.a. de navolgende conclusie: "Met inachtneming van de hierboven op diverse plaatsen gemaakte voorbehouden kan ik niet tot een definitieve rapportage en schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid komen. Hiervoor is nader onderzoek en een gesprek met betrokkene nodig. Het is echter wel gerechtvaardigd om te concluderen dat op basis van de dossiergegevens een mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant van circa 17%, althans in ieder geval minder dan 40% waarschijnlijk is". (Op grond van de vigerende arbeidsongeschiktheidsverzekering zou klaagster bij een arbeidsongeschiktheid van 40% of minder geen aanspraak hebben op de vaste verzekerde som).
Inhoud van de klacht
De klacht luidt kort samengevat als volgt:
Beklaagde heeft in strijd gehandeld met de gedragsregels SRA omdat hij een uitspraak heeft gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster, terwijl hij in zijn arbeidskundig rapport zelf aangeeft dat voor een dergelijke uitspraak aanvullend onderzoek noodzakelijk was. Daarnaast geeft beklaagde in zijn rapportage een beroepsomschrijving die onprofessioneel is en bovendien elke realiteitswaarde ontbeert. Beklaagde hindert met zijn handelwijze het recht van klaagster op een objectieve claimbeoordeling. Klaagster voert aan dat het onacceptabel is dat beklaagde naar aanleiding van een dossierstudie een eigen uitspraak doet omtrent de mate van haar arbeidsongeschiktheid.
Inhoud van het verweer
Het verweer van beklaagde luidt, kort samengevat, als volgt:
1. Klaagster verzuimt om aan te geven met welke regels beklaagde in strijd heeft gehandeld.
2. Mijn onderzoek betreft een dossierstudie. Mijn rapportage is nimmer te zien als onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid aangezien er geen enkele relatie bestaat met klaagster en er louter een relatie bestaat met de opdrachtgever. Door mij is gesteld dat voor een definitieve rapportage en schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid nader onderzoek en een gesprek met betrokkene nodig is. Mijn onderzoek en aanbevelingen zijn nimmer bedoeld geweest om onderdeel uit te maken van de claimbeoordeling, waar ik overigens geen enkel stuur op heb. Beklaagde wijst er nogmaals op dat niet is gevraagd om een dossiercommentaar (dus op eerder gemaakte rapporten) maar om een dossierstudie of dossieronderzoek. Het rapport van beklaagde heeft louter een informatief karakter, is eenzijdig vastgesteld en kent vele passages met voorbehouden. Beklaagde betwist dat hij tot een advies inzake de arbeidsongeschiktheid van klaagster is gekomen omdat hij stelt dat daarvoor nader onderzoek en een gesprek met klaagster noodzakelijk is. Slechts voor het beroep van consultant op basis van de in het rapport opgenomen functieanalyse en uitgaande van de verder in het rapport opgenomen gegevens en uitgangspunten geeft beklaagde aan dat er waarschijnlijk sprake is van circa 17%, althans minder dan 40% arbeidsongeschiktheid.
3. Beklaagde heeft zich in zijn rapportage bediend van een werkprofiel (functieanalyse) dat tot stand is gekomen op basis van gegevens van de voormalige werkgever van klaagster. Dit werkprofiel is door de advocaat van klaagster ingebracht en de inhoud is aan haar bekend. De toevoegingen die de opsteller van het profiel nadien nog heeft gemaakt, heeft beklaagde ter harte genomen.
De klachten moeten daarom ongegrond worden verklaard.
Oordeel van de Raad van Toezicht
1. Met betrekking tot het eerste verweer van beklaagde overweegt de Raad het volgende.
Zoals de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen toetst de Raad het gedrag van de arbeidsdeskundige op basis van de ingediende klachten, waarbij de Raad voor zoveel nodig aangeeft welke Gedragsregel naar zijn oordeel is geschonden. Bovendien kan de Raad het gedrag van de arbeidsdeskundige zelfstandig toetsen aan de Gedragsregels en hij is daarbij niet strikt gebonden aan de formulering van de klacht zelf. Het verweer van beklaagde dat klaagster verzuimd heeft om aan te geven met welke regels beklaagde in strijd heeft gehandeld, snijdt dan ook geen hout.
2. Op grond van de ingediende klacht en het gevoerde verweer toetst de Raad het gedrag van beklaagde in deze zaak aan de hand van de volgende Gedragsregels:
Onderzoeksmethode
De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
Indien van de Register-Arbeidsdeskundige een dossiercommentaar verlangd wordt dan kan dit in beginsel niet meer bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek.
Toelichting bij het onderdeel dat betrekking heeft op dossiercommentaar.
In de zaak (H./K., 1997) heeft de Raad uitgebreid aandacht besteed aan het dossiercommentaar, dat hieronder nog eens wordt samengevat.
Een dossiercommentaar is een uitzondering op de hoofdregels van art 1.1 en 1.4 van de Gedragsregels, omdat daarbij de introductieplicht vervalt en de bevindingen niet meer ten overstaan van de cliënt geverifieerd hoeven te worden. De strekking van een dossieronderzoek is, dat er geen nieuw feitenonderzoek plaatsvindt, maar dat integendeel uitgegaan wordt van de in het ter commentaar toegezonden dossier vastgestelde feiten.
Omdat het dossiercommentaar een uitzondering is op de hoofdregels van de Gedragsregels behoort het dossiercommentaar beperkt te blijven tot de vraag of de toegezonden rapportage een deugdelijke basis is om de schade te regelen.
Slechts in uitzonderingsgevallen wordt in een dossiercommentaar een eigen uitspraak gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid en de omvang van de schade. Dat wordt slechts anders, indien conclusies van het van commentaar voorziene rapport voor correctie vatbaar op grond van de in dat rapport gevonden feiten en de methode van onderzoek voor kritiek vatbaar is.
Ten aanzien van de op grond van deze Gedragsregel ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer van beklaagde, dat zijn rapportage d.d. 27 februari 2007 slechts een dossierstudie of dossieronderzoek is en dus geen dossiercommentaar, merkt de Raad het volgende op.
De Raad vindt het door beklaagde aangebrachte onderscheid tussen een dossierstudie en/of -onderzoek en een dossiercommentaar gekunsteld en ook overigens niet terecht aangevoerd. Immers, uit de arbeidskundige rapportage en met name de onder punt 8 opgenomen arbeidsdeskundige overwegingen van beklaagde valt af te leiden dat er wel degelijk ook sprake is van een dossiercommentaar.
De brief van de advocaat van de opdrachtgever van 31 januari 2007, had naar het oordeel van de Raad voor beklaagde aanstonds aanleiding moeten zijn om de opdracht te weigeren c.q. de opdracht aan hem te laten herformuleren. Immers in die brief wordt op basis van het aan beklaagde toegezonden dossier- dat in tegenstelling tot hetgeen in de brief werd vermeld ongeanonimiseerd aan beklaagde werd toegestuurd- gevraagd om een oordeel te geven over de mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant op basis van het ten aanzien van klaagster opgestelde belastbaarheidpatroon van 28 maart 2006. Nu door de opdrachtgever was aangegeven dat nader contact met klaagster was uitgesloten, had beklaagde bij de opdracht onmiddellijk moeten aangeven dat dit een beperking van zijn mogelijkheden tot rapporteren inhield en dat hij niet kon voldoen aan de in de brief van 31 januari 2007 geformuleerde opdracht.
De Raad stelt vast dat het verweer van beklaagde dat hij in zijn rapportage geen uitspraak heeft gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster niet opgaat. Duidelijk is dat beklaagde zich in zijn rapportage heeft bediend van het over klaagster opgestelde belastbaarheidpatroon van 28 maart 2006 en dat hij bij de beoordeling van het fictief beschreven beroep van consultant elementen heeft betrokken die van toepassing zijn op klaagster.
Het verweer van beklaagde dat zijn rapportage nimmer te zien is als een onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid aangezien er geen enkele relatie bestaat met klaagster en er louter een relatie bestaat met een opdrachtgever gaat niet op en dit argument van beklaagde wordt door de Raad in het geheel niet begrepen.
Indien beklaagde daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om in zijn rapportage geen uitspraak te doen over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster had het op zijn weg gelegen om dit klip en klaar in zijn rapportage tot uitdrukking te brengen. Nu laat het rapport, bij gebreke aan een eenduidige benadering en transparantie omtrent de kennelijke bedoeling van beklaagde, een andere conclusie toe, hetgeen o.a. blijkt uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2007 waarin het Hof overweegt: "In opdracht van maatschappij X wordt door arbeidsdeskundige X (lees: beklaagde) een dossieronderzoek gedaan. Deze acht het in zijn rapportage van 27 februari 2007 gerechtvaardigd op basis van de dossiergegevens te concluderen dat ten aanzien van klaagster een mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant van circa 17%, althans in ieder geval minder dan 40%, waarschijnlijk is". Ook het Gerechtshof Amsterdam is blijkens zijn arrest van 5 juli 2007 dus van oordeel dat beklaagde wel degelijk een oordeel heeft uitgesproken over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster. Ook de Raad is van mening dat beklaagde, in tegenstelling tot zijn andersluidende bewering en opvatting, in zijn rapportage wel degelijk aangeeft dat klaagster z.i. minder dan 40 % arbeidsongeschikt is. Een dergelijke conclusie hoort niet in een toelichting noch in een dossiercommentaar. Voor zover beklaagde heeft bedoeld aan te geven dat hij de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster niet kon en wilde vaststellen had hij de passage: "het is echter wel gerechtvaardigd om te concluderen dat op basis van de dossiergegevens ten aanzien van klaagster een mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant van circa 17%, althans in ieder geval minder dan 40% waarschijnlijk is", achterwege moeten laten. Door die conclusie wel op te nemen in zijn rapportage heeft beklaagde een ernstige beroepsfout gemaakt.
De Raad acht de klacht dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de in deze uitspraak onder 2 opgenomen Gedragsregel gegrond.
De Raad ziet zich voorts gesteld voor de vraag of beklaagde zich heeft bediend van een toelaatbare onderzoeksmethode door bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster (hetgeen het geval is; zie hierboven) uit te gaan van een fictief functieprofiel (naar het oordeel van klaagster geeft beklaagde een beroepsomschrijving die onprofessioneel is en bovendien elke realiteitswaarde ontbeert).
De Raad is van oordeel dat het bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene niet aangaat om uit te gaan van een genormeerde functie zonder dat er rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden waaronder de werkzaamheden moeten worden verricht. Door van een fictief functieprofiel uit te gaan en dat vervolgens "te linken" aan een mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster heeft beklaagde onzorgvuldig en onprofessioneel gehandeld. Ook deze door klaagster geuite klacht is gegrond.
3. Het rapport
De Register-Arbeidsdeskundige draagt er zorg voor dat het door hem opgestelde rapport in handen komt van de opdrachtgever. Voor zover mogelijk gaat hij na dat het rapport gehanteerd zal worden door de instanties en personen voor wie, respectievelijk voor het doel waarvoor, het werd opgesteld.
Toelichting
De arbeidsdeskundige dient, voor zoveel mogelijk, na te gaan dat van zijn rapport een juist gebruik wordt gemaakt. Wanneer hij ervaart dat van zijn rapport een oneigenlijk gebruik wordt gemaakt, dient hij betrokkene(n) hierop aan te spreken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde ten overstaan van de Raad aangegeven het te betreuren dat de door hem uitgebrachte rapportage door de opdrachtgever voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor beklaagde de rapportage heeft geschreven. Beklaagde verkeerde, naar eigen zeggen, in de veronderstelling dat zijn rapportage bedoeld was om de beeldvorming bij zijn opdrachtgever over de wijze waarop een arbeidskundig rapport dient te worden opgesteld en aan welke eisen een goed gemotiveerd arbeidskundig onderzoek dient te voldoen, te verduidelijken.
Beklaagde verklaart nimmer de idee te hebben gehad dat de opdrachtgever het door hem opgestelde rapport zou inbrengen in een lopende gerechtelijke procedure. In antwoord op vragen van de Raad deelt beklaagde mede dat het voor een arbeidsdeskundige in de praktijk niet mogelijk is om de regie te houden over het gebruik dat een opdrachtgever van een arbeidskundig rapport maakt. Beklaagde erkent ter zitting een verkeerde inschatting te hebben gemaakt van de wijze waarop de opdrachtgever gebruik heeft gemaakt van zijn rapport.
De Raad is van oordeel dat beklaagde, die wist dat er tussen de opdrachtgever en klaagster een gerechtelijke procedure aanhangig was en tevens dat in die procedure reeds meerdere arbeidskundige rapportages waren uitgebracht, er zich van bewust had moeten zijn dat zijn rapport door de opdrachtgever mogelijk zou worden ingebracht in de lopende procedure. Omdat een arbeidskundige rapportage gedurende een reeks van jaren van grote invloed kan zijn op besluitvorming over de mate van arbeidsongeschiktheid en van beslissende invloed kan zijn bij de uitkomst van een gerechtelijke procedure had beklaagde er voor moeten waken dat zijn rapportage door de opdrachtgever werd gebruikt voor een ander doel dan waarvoor beklaagde het heeft geschreven. Naar het oordeel van de Raad had beklaagde, die het rapport naar eigen zeggen slechts schreef voor intern gebruik bij de opdrachtgever, aan de opdrachtgever expliciet moeten laten weten dat zijn rapportage slechts gebruikt mocht worden voor interne doeleinden en niet mocht worden ingebracht in de lopende gerechtelijke procedure. Door dit na te laten en de opdrachtgever de ruimte te geven om het rapport naar eigen goeddunken te gebruiken, heeft beklaagde gehandeld in strijd met de hierboven geformuleerde Gedragsregel.
Conclusies
Beklaagde heeft een dossiercommentaar geleverd, waarbij hij is overgegaan tot het doen van een uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster, zonder klaagster zelf te hebben gesproken. Daarmee heeft beklaagde zijn bevoegdheid overschreden en heeft hij gehandeld in strijd met de Gedragsregel die voorschrijft dat een dossiercommentaar in beginsel niet meer kan bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek.
Door uit te gaan van een fictief functieprofiel heeft beklaagde de vereiste terughoudendheid t.a.v. de feiten en omstandigheden ruimschoots overschreden. Zijn rapportage is niet met de vereiste zorgvuldigheid en professionaliteit tot stand gebracht. Bovendien is beklaagde tekort geschoten in zijn verplichting om er op toe te zien c.q. te bewerkstelligen dat zijn opdrachtgever de door hem uitgebrachte rapportage niet voor een ander doel gebruikt dan met het doel waarvoor beklaagde het rapport heeft geschreven. Dat is onaanvaardbaar, mede in aanmerking genomen de consequenties die aan dit verzuim voor klaagster zijn verbonden, c.q. verbonden hadden kunnen zijn.
De tegen beklaagde ingediende klachten zijn gegrond. Bovendien heeft de Raad geconstateerd dat beklaagde onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te bewerkstelligen dat zijn rapport niet voor een ander doel werd gebruikt dan waarvoor hij het rapport had geschreven. Daarvan is aan beklaagde een ernstig verwijt te maken.
Sanctie
De Raad maakt uit het door beklaagde ingediende verweerschrift en het door hem ter zitting gevoerde verweer op dat beklaagde een onjuiste opvatting heeft over zijn positie als (onafhankelijk) arbeidsdeskundige en om die reden kennelijk "in de fout" is gegaan. De Raad legt beklaagde in verband met de ernst van de geconstateerde schending van de Gedragsregels als sanctie op de ongedaanmaking van de inschrijving van beklaagde uit het openbaar register van SRA voor de duur van drie maanden. Deze uitspraak zal geanonimiseerd, maar voor het overige integraal, worden opgenomen in het nieuwsblad van SRA alsmede op de website van SRA.
Uitspraak 16 november 2007
H. de Pont, voorzitter
H. van Kesteren, lid
P. van Kesteren, lid