Uitspraak 19 april 2007
Uitspraak
van de Raad van Toezicht van Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van een klaagster tegen een register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen beklaagde.
Procesverloop
In 2004 heeft beklaagde een inventariserend onderzoek geschreven over klaagster. Daarover heeft klaagster bij brief d.d. 4 november 2006 aan SRA een aantal klachten ingediend. In het kader van de schriftelijke voorbereiding van die klachten heeft klaagster bij brief d.d. 12 januari 2007 nieuwe klachten tegen beklaagde ingediend. Omdat deze klachten een nieuw feit betroffen – een tweede door beklaagde op 11 december 2006 over haar uitgebracht rapport – heeft de Raad deze klacht naar de onderhavige, afzonderlijke klachtenprocedure verwezen. Beklaagde heeft op de klachten d.d. 12 januari 2007 bij verweerschrift d.d. 19 maart 2007 van zijn advocaat
gereageerd. Klaagster heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, haar klacht bij schrijven d.d. 26 maart 2007 nader toegelicht.
De mondelinge behandeling vond plaats op 28 maart 2007. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen. Namens beklaagde heeft zijn advocaat het woord gevoerd. Beiden hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord.
Situatieschets
Beklaagde heeft op verzoek van de verzekeringsmaatschappij, hierna te noemen de opdrachtgever, in 2004 een voorbereidend arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Klaagster heeft zich niet met de rapportage van beklaagde kunnen verenigen, waarna in onderleg overleg tussen (de advocaat van) klaagster en de verzekeringsmaatschappij een andere arbeidsdeskundige X. werd ingeschakeld om de mate van haar arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Deze heeft uiteindelijk op 23 oktober 2006 zijn rapport, hierna te noemen het rapport X, uitgebracht met voor klaagster gunstige uitkomsten voor haar claim op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (71 % arbeidsongeschikt).
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige Y van de opdrachtgever een samenvattend kritisch rapport opgesteld, hierna te noemen rapport Y. De opdrachtgever heeft het rapport Y. bij brief d.d. 3 november 2006 toegezonden aan X, aan klaagster én aan beklaagde met het verzoek om opheldering te verschaffen omtrent de in het rapport Y. genoemde onduidelijkheden en verschillen. Aan beklaagde werd het rapport X. en het medische beperkingen patroon, op basis waarvan X. zijn onderzoek heeft verricht, niet meegezonden.
Beklaagde reageert bij brief d.d. 11 december 2006. Beklaagde concludeert dat er geen valide redenen zijn om terug te komen op de eerder in 2004 door hem gerapporteerde gegevens en dat naar zijn inschatting de mate van arbeidsongeschiktheid niet 40 % of meer bedraagt.
Vervolgens verwerpt de opdrachtgever de conclusies van de arbeidsdeskundige X.
Korte samenvatting van de inhoud van het commentaar d.d. 11 december 2006 van beklaagde
Beklaagde herhaalt nog eens zijn eerdere bevindingen over de functie van klaagster bij de onderneming, de reden van opheffing van de unit waaraan zij leiding gaf en zijn eerdere suggestie dat klaagster de onderneming heeft moeten verlaten omdat de unit verliesgevend was. Beklaagde gaat uitgebreid in op de discrepantie tussen de zakelijk gereden kilometers in zijn eerdere rapport (60.000 km) en de zakelijk gereden kilometers waarvan de arbeidsdeskundige X is uitgegaan (20.000 km) en de gevolgen daarvan voor de tijdbesteding. Beklaagde stelt bij herhaling dat de door hem vastgestelde feiten juist zijn, omdat deze door klaagster ter correctie zijn voorgelegd en geverifieerd. Hij gaat uitgebreid in op de door de arbeidsdeskundige X. aan diens bevindingen mede ten grondslag liggende vibratiebelasting tijdens het autorijden, dat hij als een gezocht item omschrijft. Hij handhaaft de eerder door hem vastgestelde taakbelasting. Hij geeft aan dat klaagster reïntegratie naar passende arbeid geweigerd heeft, en komt tenslotte tot zijn oordeel dat klaagster minder dan 40% arbeidsongeschikt is. (Op grond van de vigerende arbeidsongeschiktheidsverzekering zou klaagster bij een arbeidsongeschiktheid van 40% of minder geen aanspraak hebben op de vaste verzekerde som).
Inhoud van de klacht
De klachten luiden kort samengevat als volgt:
Beklaagde heeft met zijn brief d.d. 11 december 2006 in strijd gehandeld met hetgeen een redelijk handelend arbeidsdeskundige betaamt, omdat
1. hij zonder dat hij over een medische onderbouwing beschikt, (opnieuw) een uitspraak doet over de mate van arbeidsongeschiktheid;
2. hij ongefundeerde suggesties doet en onjuistheden vermeldt;
3. zijn collega X. volledig diskwalificeert zonder dat hij diens rapport heeft ingezien;
4. hij zich ná het indienen van de klacht had moeten onthouden van verder commentaar.
Inhoud van het verweer
Het verweer van beklaagde luidt kort samengevat als volgt:
Beklaagde heeft slechts dossiercommentaar geleverd. Dat werd van hem verwacht. Hij heeft slechts kritiek geleverd op het te becommentariëren onderzoek.
Beklaagde heeft in zijn eerder voorbereidend onderzoek de vraag van zijn opdrachtgever moeten beantwoorden of klaagster op grond van de door haar aangegeven beperkingen haar beroepswerkzaamheden voor meer dan 60 % kon uitvoeren. Daarvoor was geen medisch belastbaarheidpatroon nodig.
Beklaagde heeft geen ongefundeerde suggesties gedaan.
In zijn brief d.d. 11 december 2006 heeft hij met geen woord gerept over het rapport van arbeidsdeskundige X.
Klaagster stelt wel dat er tal van fouten in zijn rapportage zitten, maar levert daartoe geen enkel bewijs.
De klachten moeten daarom ongegrond worden verklaard.
Oordeel van de Raad van Toezicht
1. Algemeen, toetsingskader
1.1 De Raad toetst i.c. de klachten aan de hand van de volgende Gedragsregels:
1.1 Introductie
De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om er voor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over:
aard, doel en inhoud van het onderzoek;
de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten;
het recht om het onderzoek te weigeren, waarbij de cliënt wordt gewezen op de mogelijke consequenties van een dergelijke weigering;
het recht om zich met een klacht te wenden tot het Register-instituut;
het recht op inzage in de rapportage van het onderzoek via de opdrachtgever.
Toelichting:
Cliënten dienen op de hoogte te zijn van de regels waaraan de arbeidsdeskundige zich heeft te houden. Het past niet meer in de huidige tijd om cliënten informatie te onthouden, vlg. o.a. de ontwikkelingen binnen de medische wereld. Denkbaar is het evenwel dat het vooraf geven van alle informatie de begeleiding van een cliënt kan bemoeilijken, zo niet onmogelijk kan maken. In een dergelijk geval kunnen er dus gegronde redenen zijn om af te wijken van het grondbeginsel dat vooraf alle informatie wordt verstrekt. Vandaar de formulering in punt 3.1 dat informatieverstrekking vooraf in beginsel verplicht is.
Over het algemeen zal voor wat betreft het klachtrecht aan de informatieverplichting zijn voldaan indien wordt verwezen naar een brochure waarin de rechten van de cliënt zijn beschreven.
1.3. Onderzoeksmethode
De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
Indien van de Register-Arbeidsdeskundige een dossiercommentaar verlangd wordt dan kan dit in beginsel niet meer bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek.
Toelichting:
Onderkennend, dat 'algemene normen van fatsoen' qua marges en qua ontwikkelingen in de samenleving niet steeds nauwkeurig omschreven zullen kunnen worden, wordt (voorshands) volstaan met 'algemene termen'. Hierbij geldt als overweging, dat per incident jurisprudentie zal ontstaan en gehanteerd zal kunnen worden, onder andere voortkomend uit klachtenbehandeling door het Register-instituut.
1.4. Verantwoording en rapportage
Na afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek wordt de opdrachtgever geïnformeerd over de uitkomsten en conclusies van het onderzoek.
De Register-Arbeidsdeskundige rapporteert op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform de relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten.
Toelichting:
Zowel in het belang van de cliënt als van de arbeidsdeskundige, dienen de relevante gegevens, benodigd voor de oordeelsvorming, geverifieerd te worden ten overstaan van de cliënt. Zulks impliceert niet, dat de cliënt aanstonds de beschikking krijgt over de rapportage (als regel voorbehouden aan de opdrachtgever) doch wel, dat de arbeidsdeskundige zich dient te realiseren, dat zijn rapportage op enig moment (veelal in geschillenprocedures) ter beschikking kan komen van de cliënt of zijn gemachtigde.
(..)
Voorzover nodig wordt hier gestipuleerd, dat uit het voorgaande volgt, dat de arbeidsdeskundige uitsluitend rapporteert omtrent door hem onderzochte gevalssituaties. Daarnaast staat voor de arbeidsdeskundige de mogelijkheid open om desgevraagd 'dossiercommentaar' te leveren op hem door derden aangereikte stukken.
Uit de vormgeving dient schriftelijk te blijken, dat de oordeelsvorming als dossiercommentaar tot stand kwam.
2.1. Doelmatigheid
Ter voorkoming van ongerief en kosten zal de Register-Arbeidsdeskundige bij aanvang of voortzetting van een onderzoek steeds nagaan of van de gekozen benaderingswijze redelijkerwijs verwacht mag worden, dat een bijdrage ten opzichte van de vraagstelling geleverd kan worden. Bij te verwachten negatief resultaat en/of in geval van twijfel zal de opdrachtgever daarvan in kennis worden gesteld.
Toelichting:
Onderkend moet worden, dat zich situaties voordoen, waarin geen sprake is van een bindende opdracht, c.q. dat opdrachtgever niet het rendement van de opdracht kan voorzien of overzien. Alsdan dient de Arbeidsdeskundige bij aanvang (bestudering van vraagstelling in relatie tot verstrekt dossier) respectievelijk na verkennend onderzoek ten aanzien van verdere voortzetting zich af te vragen of in het kader van zijn beroepsuitoefening een bijdrage zal kunnen worden geleverd ten opzichte van de vraagstelling. Dient het leveren van een dergelijke bijdrage op zijn minst aan twijfel onderhevig geacht te worden, dan dient overleg met opdrachtgever omtrent (verder) onderzoek plaats te vinden.
2.2 Persoonlijke beperkingen
De Register-Arbeidsdeskundige doet geen onderzoek, waarvoor hij de deskundigheid mist.
De Register-Arbeidsdeskundige geeft, na overleg met zijn opdrachtgever, de opdracht terug, indien persoonlijke of zakelijke omstandigheden hem verhinderen een objectief onderzoek in te stellen of deze, na aanvang te voltooien.
Bij beslissing tot het aanvaarden c.q. voortzetten van een opdracht zal de Register- Arbeidsdeskundige zijn persoonlijke beperkingen zorgvuldig afwegen met inbegrip van de mogelijkheden om andere deskundigen te consulteren.
Toelichting:
In zijn beroepsuitoefening hanteert de arbeidsdeskundige verschillende kennisgebieden en vaardigheden, die ieder op zich vaak als specialisme bij andere disciplines worden aangetroffen. Afhankelijk van de aard van de onderzoeksaspecten, die door hem worden ontmoet dient hij attent te zijn op het moment, dat inschakeling van andere deskundigen noodzakelijk wordt.
Wanneer de aard van de vraagstelling geheel niet op het terrein van zijn beroepsuitoefening ligt (en hij ook overigens daarbuiten geen bijzondere bekwaamheden bezit in relatie tot de vraagstelling) dient geen onderzoek ter hand te worden genomen.
3.1. Bevordering collegialiteit
De Register-Arbeidsdeskundige streeft ernaar zodanig op te treden, dat goede collegiale verhoudingen worden bevorderd. In het bijzonder streeft hij ernaar zoveel mogelijk te vermijden, dat afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van een collega Register-Arbeidsdeskundige. Hij vermijdt een collega te verdringen bij de cliënt en/of opdrachtgever.
1.2. m.b.t. het klachtenrecht en de beoordeling van klachten
Zoals de Raad bij herhaling in het verleden heeft overwogen kan een cliënt zich ook beklagen over schending van Gedragsregels die niet direct betrekking hebben op de relatie cliënt – arbeidsdeskundige. Bovendien kan de Raad het gedrag van de arbeidsdeskundige zelfstandig toetsen aan de Gedragsregels en is daarbij niet strikt gebonden aan de formulering van de klacht zelf.
1.3. m.b.t. het dossiercommentaar
I.v.m. het verweer van beklaagde, dat zijn rapportage d.d. 11 december 2006 slechts een dossiercommentaar is, merkt de Raad het volgende op.
In de zaak (H./K., 1997) heeft de Raad uitgebreid aandacht besteed aan het dossiercommentaar, dat hieronder nog eens wordt samengevat.
Een dossiercommentaar is een uitzondering op de hoofdregels van art 1.1 en 1.4 van de Gedragsregels, omdat daarbij de introductieplicht vervalt en de bevindingen niet meer ten overstaan van de cliënt geverifieerd hoeven te worden. De strekking van een dossieronderzoek is, dat er geen nieuw feitenonderzoek plaatsvindt, maar dat integendeel uitgegaan wordt van de in het ter commentaar toegezonden dossier vastgestelde feiten.
Omdat het dossiercommentaar een uitzondering is op de hoofdregels van de Gedragsregels behoort het dossiercommentaar beperkt te blijven tot de vraag of de toegezonden rapportage een deugdelijke basis is om de schade te regelen. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt in een dossiercommentaar een eigen uitspraak gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid en de omvang van de schade. Dat wordt slechts anders, indien conclusies van het van commentaar voorziene rapport voor correctie vatbaar op grond van de in dat rapport gevonden feiten en de methode van onderzoek voor kritiek vatbaar is.
In dezelfde uitspraak heeft de Raad aangegeven, dat een dergelijk dossiercommentaar, mits zakelijk en helder geformuleerd, zelfs als dat commentaar uiterst kritisch is, niet snel strijdig zal zijn met de in de Gedragsregels opgenomen voorschriften over de collegialiteit.
De Raad ziet geen aanleiding om op die uitspraak terug te komen.
1.4 Eerdere rapportage van beklaagde d.d. 9 december 2004
In de uitspraak d.d. 28 maart 2007 heeft de Raad een aantal klachten van klaagster gegrond verklaard m.b.t. het rapport van beklaagde 2004. Aan dat rapport kleefden naar het oordeel van de Raad zeer ernstige gebreken. Beklaagde valt in zijn thans te beoordelen rapport van
11 december 2006 terug op zijn rapport 2004.
De Raad wil in zijn oordeel zo weinig mogelijk in herhaling treden en beklaagde niet opnieuw een sanctie opleggen voor zover beklaagde in herhaling valt.
Wel laat de Raad meewegen de wijze waarop beklaagde in zijn rapport d.d. 11 december 2006 rekening houdt met de hem bekende schriftelijke kritiek van klaagster en de onderneming ná het uitbrengen van zijn rapport 2004 alsmede met de inhoud van de door klaagster ingediende klachten over dat rapport, die beklaagde bereikte ná de opdracht d.d. tot commentaar, maar ruimschoots vóór zijn gewraakte rapport d.d. 11 december 2006.
2. m.b.t. de 1e klacht (oordeel zonder medisch beperkingenpatroon)
Zonder enige terughoudendheid, en stelliger dan in zijn rapportage uit 2004, geeft beklaagde aan dat klaagster z.i. minder dan 40 % arbeidsongeschikt is. Een dergelijke conclusie hoort niet in een toelichting noch in een dossiercommentaar (zie hierboven onder 1.3).
Beklaagdes opvatting is niet gebaseerd op een medische omschrijving van de belastbaarheid c.q. medisch beperkingenpatroon. Dat is een ernstige beroepsfout. Voor het door de advocaat tijdens de mondelinge behandeling gemaakte onderscheid tussen een schatting én het nauwkeurig vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is geen enkele aanleiding. Zonder een door een medicus opgestelde omschrijving van de belastbaarheid c.q. beperkingenpatroon doet een arbeidsdeskundige geen uitspraak over de arbeidsongeschiktheid!
De stelling van beklaagde in het gewraakte commentaar, dat zijn oordeel is gebaseerd op de door
klaagster aangedragen beperkingen, is onjuist, omdat hij een deel van die beperkingen buiten beschouwing heeft gelaten, zoals de Raad in haar uitspraak d.d. 28 maart 2007 over beklaagdes rapport 2004 heeft overwogen.
De Raad acht de klacht gegrond.
3. m.b.t. de 3e klacht (gebrek aan collegialiteit)
Beklaagde heeft zijn collega X. niet gediskwalificeerd. In zijn rapport d.d. 11 december 2006 komen geen krenkende, laatdunkende of onfatsoenlijke opmerkingen voor jegens X.
De klacht acht de Raad ongegrond.
4. m.b.t. de 4e klacht (persoonlijke verhindering opdracht uit te voeren)
De Raad plaatst deze klacht mede in de context van de opdracht aan beklaagde.
Bij brief d.d. 3 november 2006 verzoekt de verzekeringsmaatschappij aan de arbeidsdeskundige Y, aan klaagster én aan beklaagde om opheldering te verschaffen over een aantal onduidelijkheden, die haar arbeidsdeskundige Y heeft geconstateerd in de diverse rapportages in haar verzekeringsdossier. Blijkens dat dossiercommentaar van Y gaat het daarbij primair om met elkaar moeilijk te verenigen feitelijke vaststellingen, zoals die in voorbereidende rapportage van 9 december 2004 van beklaagde, het dossier van de verzekeringsarts én het arbeidsdeskundig rapport X zijn vermeld.
Verder plaatst Y in zijn dossiercommentaar kritische kanttekeningen bij de door X gehanteerde beoordelingsmethodiek.
Uit het rapport Y blijkt niet, dat Y kennisgenomen heeft van het door klaagster, haar advocaat, en de onderneming bij brief d.d. 13 juni 2005 geleverde commentaar op de voorbereidende rapportage d.d. 9 december 2004 van beklaagde en evenmin dat om die redenen de verzekeringsmaatschappij en klaagster onderling waren overeengekomen het arbeidsdeskundig onderzoek door X. in plaats van door beklaagde te laten uitvoeren. Het door de verzekeringsmaatschappij overgenomen voorstel van Y om beide arbeidsdeskundigen om een nadere toelichting te vragen, was daarom weliswaar begrijpelijk doch minder gelukkig, en bracht beklaagde objectief gezien in een lastig parket.
Beklaagde kende de inhoud van de kritiek, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling op 28 maart 2007 desgevraagd heeft verklaard.
Een arbeidsdeskundige moet objectief zijn en blijven. Het feit, dat hij door de advocaat van
klaagster op een vrij grove manier was bejegend, dat klaagster hem persoonlijk telefonisch had medegedeeld niets meer met hem te maken te willen hebben, én het feit dat beklaagde enkele dagen na de opdracht d.d. 3 november 2006 de tegen hem gerichte klachten van
klaagster bij SRA had ontvangen, waren reële risicoverhogende omstandigheden om minder objectief zou zijn.
Naar het oordeel van de Raad zijn dat in ieder geval omstandigheden, waardoor – ongeacht de inhoud en kwaliteit van de beantwoording van de gestelde vraag – altijd twijfel gezaaid kan worden over objectiviteit van de uit te brengen reactie. De vraag is dan gerechtvaardigd of daarmee het doel van de opdrachtgever gediend zou zijn. Op grond van artikel 2.1 Gedragsregels had beklaagde daarom de plicht daarover tenminste overleg te voeren met zijn opdrachtgever. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard, dat hij dat niet heeft gedaan. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de Raad artikel 2.1 van de Gedragsregels geschonden.
Bij de beoordeling van de met de klacht opgeworpen vraag of beklaagde de opdracht d.d. 3 november 2006 op grond van een persoonlijk of zakelijke omstandigheid had moeten weigeren of later had moeten teruggeven, legt de Raad het accent anders.
De arbeidsdeskundige moet in beginsel zelf beslissen of bovengenoemde omstandigheden zodanig zijn, dat zij een belemmering vormen om de opdracht objectief uit te voeren.
Het gebeurt regelmatig dat de cliënt achteraf bezwaren heeft van feitelijke aard na uitbrengen van het definitieve arbeidsdeskundig rapport. In dergelijke situaties wordt van een arbeidsdeskundige verwacht, dat hij daarmee met open vizier omgaat en onderzoekt of zijn rapport aanvulling behoeft.
De Raad acht het risicovol, maar professioneel goed mogelijk, dat beklaagde mede in het licht van de op zijn voorbereidende rapportage uit 2004 uitgeoefende kritiek een korte, zakelijke toelichting gegeven had hoe hij tot zijn bevindingen gekomen was. Hij had dan tot niet veel anders kunnen concluderen, dat een aantal – tegenstrijdige – feiten nader uitgezocht moeten worden. Een opdracht tot nader onderzoek had hij niet en van hem werd geen dossiercommentaar verlangd in de zin van de Gedragsregels. Hij kreeg ook geen inzage in het arbeidsdeskundig rapport X noch van de daaraan ten grondslag liggende medische stukken, en kon en mocht daar om die reden niets over rapporteren.
De Raad acht de door klaagster aangevoerde gronden (eerdere kritiek, indienen van een klacht, geen contact meer willen hebben met) op zich onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat beklaagde de zeer beperkte opdracht had moeten weigeren op grond van een hem persoonlijk/zakelijk betreffende omstandigheid.
Het gaat de Raad – vooralsnog – te ver om op grond van de inhoud van de uiteindelijke rapportage van beklaagde d.d. 11 december 2006 een oordeel te geven of beklaagde heeft voldaan aan de voorwaarde van art. 2.2 van de Gedragsregels. De inhoud van een rapportage wordt immers beoordeeld op basis van artikel 1 van de Gedragsregels.
De Raad verklaart de klacht daarom ongegrond met de aantekening dat beklaagde zich wel heeft schuldig gemaakt aan overtreding van Gedragsregel 2.1
5. m.b.t. de 2e klacht (ongefundeerde suggesties, onjuiste feiten)
Zoals hierboven is overwogen, had beklaagde geen opdracht voor een dossiercommentaar op het rapport X. Beklaagde had daarom slechts zeer terughoudend kunnen reageren. Beklaagde heeft desondanks zonder enige terughoudendheid een uitgebreid "dossiercommentaar"geschreven.
Zijn rapport d.d. 11 december 2006 is primair een verdediging van zijn voorbereidende rapportage d.d. 9 december 2004. Daarvoor dient een "dossiercommentaar" niet.
Beklaagde gaat uitvoerig op eerder door hem gerapporteerde feiten in en houdt in geen enkel opzicht rekening met de hem bekende daarop uitgeoefende kritiek.
De klacht dat beklaagde ongefundeerde en onjuiste uitspraken doet, wordt door klaagster met tal van voorbeelden toegelicht. Het is niet de taak van de Raad van Toezicht om de juistheid van in arbeidsdeskundige rapportages vermelde feiten en omstandigheden te toetsen. Dat neemt niet weg dat de Raad op grond van art. 1.3 en art. 1.4 Gedragsregels een oordeel kan geven over de zorgvuldigheid, fatsoen en de deskundigheid waarmee beklaagde in de gewraakte rapportage feiten vaststelt en de wijze waarop hij deze in de rapportage verwoordt.
Betwiste feiten kunnen gewoonlijk niet via een dossiercommentaar worden vastgesteld. Daar is een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek voor nodig met inachtneming van de in art. 1.1 en art. 2.2 genoemde waarborgen voor de cliënt of, als dat geen oplossing biedt, een gerechtelijke procedure. Een arbeidsdeskundige kan immers geen getuigen en cliënten onder ede horen.
De Raad beperkt zich hieronder tot enkele voorbeelden van gebrek aan zorgvuldigheid en deskundigheid
• Beklaagde beroept zich bij herhaling op het feit dat klaagster zijn bevindingen heeft geverifieerd en verbindt aan die – gedeeltelijke – verificatie meer dan eens de conclusie, dat er daarom geen reden is om terug te komen op zijn eerdere oordeel. Dat is onzin en weinig professioneel. Het correctierecht kán het aantal fouten beperken, maar correcties kunnen onvolledig of zelfs fout zijn. Een arbeidsdeskundige moet daarvoor begrip hebben. Van hem mag soepelheid verwacht worden, indien de cliënt achteraf stelt dat bepaalde feiten niet kloppen.
• In de bij beklaagde bekende kritiek van de onderneming op zijn rapport d.d. 9 december 2004, geeft de onderneming o.a. aan dat klaagster vestigingsdirecteur was. Ook het rapport X vermeldt dit feit. Het dossiercommentaar Y vermeldt dit als een niet opgehelderd punt. Zonder enige verificatie en argumentatie stelt beklaagde onomwonden dat klaagster geen vestigingsdirecteur was. In zijn rapport d.d. 9 december 2004 vermeldt hij daaromtrent niets.
• Beklaagde heeft in zijn rapport 2004 gebruik gemaakt van gegevens uit het Handelsregister en jaarverslagen van de onderneming ter onderbouwing van zijn mening over de positie van
klaagster binnen die organisatie, de winstgevendheid van klaagster voor de onderneming, de opheffing van haar unit, en zelfs de reden voor haar vertrek bij de onderneming. Nog afgezien van het feit dat een dergelijk financieel economisch onderzoek geen arbeidsdeskundige kerncompetentie is, kunnen dergelijke algemene verslagen en inlichtingen over een zeer grote organisatie nauwelijks concludent zijn voor de positie van een individuele medewerker en is de kans op een onjuiste interpretatie van die gegevens voor dergelijke doeleinden groot. Zijn bevindingen zijn slechts nader te onderzoeken mogelijkheden. In zijn rapport van 11 december 2006 valt hij in herhaling. Zonder grondige verificatie kunnen dergelijke mogelijkheden niet als vaststaande feiten worden gepresenteerd. Kritiek achteraf behoort dan, anders dan beklaagde doet, ernstig genomen te worden in plaats van te worden genegeerd.
• Beklaagde schrijft in zijn commentaar d.d. 11 december 2006: "De reden van uittreden van betrokkene lijkt in nevelen gehuld. Zij geeft haar beeld. Nergens wordt dat beeld bevestigd, ook niet door de onderneming. De onderneming neemt zelfs afstand van de zaak". Gevolgd door een omstandig financieel exposé op basis waarvan beklaagde (wederom) concludeert dat klaagster anders dan wegens arbeidsongeschiktheid de onderneming heeft (moeten) verlaten. Ook hier constateert de Raad een niet zakelijke omschrijving, een ongeverifieerde aanname, een onzorgvuldige en ondeskundige redenering, die bovendien niet thuishoort in een door beklaagde als dossiercommentaar aangemerkt rapport.
• M.b.t. het onderwerp ontbreken van een plan van aanpak, vermeldt beklaagde in de aangevallen rapportage van 11 december 2006 dat klaagster de mogelijkheid voor een nader reintegratie-onderzoek resoluut van de hand gewezen heeft. Dat is misleidend, omdat klaagster geen begeleiding van beklaagde (!) wenste. Uit niets blijkt dat zij zich in algemene zin tegen reintegratie heeft verzet. Beklaagde gaat bovendien voorbij aan de vraag in het rapport Y. of er een plan van aanpak is geweest. Beklaagde had destijds nog geen plan van aanpak.
De Raad acht het onjuist dat beklaagde commentaar geleverd heeft op het onderzoek van arbeidsdeskundige X zonder diens rapport te kennen. Afgezien daarvan geldt voor dat commentaar dezelfde kritiek.
• De uitwijdingen van beklaagde in dat verband over de vibratiebelasting bij autorijden geven blijk van onvoldoende kennis van de vaktechnische ontwikkelingen dienaangaande. De door beklaagde tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting was voor de Raad onbegrijpelijk. Voor zover beklaagde iets anders bedoeld heeft dan in zijn rapport staat, voldoet dat rapport niet aan de voorwaarden van art 1.4 Gedragregels, dat het rapport helder en zakelijk moet zijn.
• Beklaagde heeft in verband met die vibratiebelasting in zijn rapport d.d. 11 december 2006 als nieuw feit vermeld, dat hij bij zijn bezoek aan klaagster in 2004 een Rolls Royce voor de deur heeft zien staan. Deze opmerking is niet relevant en bovendien buitengewoon suggestief. Dat dit gegeven ruim twee jaren na dato voor hem reden is om bij de dealers van Rolls Royce en Jaguar de vibratiebelastingen van deze auto's op te vragen en daarover te rapporteren, terwijl hij niet wist in welke auto klaagster reed, getuigt van een groot gebrek aan zorgvuldigheid en deskundigheid.
De Raad constateert dat beklaagde daarmee in strijd met art. 1.3 en 1.4 van de Gedragsregels heeft gehandeld en acht de klacht daarom gegrond.
6 Conclusies
Beklaagde heeft een commentaar geleverd op een dossiercommentaar, waarbij hij de vereiste terughoudendheid t.a.v. feiten en omstandigheden ruimschoots heeft overschreden. Hij presenteert beweringen als vaststaande feiten, die met de door hem gebruikte methode niet vastgesteld kunnen worden. Op onderdelen is zijn commentaar onzorgvuldig, niet professioneel, ondeskundig en onbehoorlijk. Beklaagde heeft – wederom – uitspraken gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid zonder dat een medische omschrijving van de belastbaarheid c.q. een medisch beperkingenpatroon voorhanden was. Dat is onaanvaardbaar.
De hierboven onder 1 en 2 samengevatte klachten verklaart de Raad gegrond; de klachten 3 en 4 ongegrond.
7 Sanctie
De Raad legt beklaagde als sanctie een schriftelijke berisping op, uit te voeren door het Bestuur SRA. Deze uitspraak zal geanonimiseerd maar voor het overige integraal worden opgenomen in het nieuwsblad alsmede op de website van SRA.