Uitspraak 19 november 2007

Uitspraak 19 november 2007

Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van klaagster tegen een register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen beklaagde.

Procesverloop

Bij brief d.d. 12 augustus 2007 heeft mr. X, gemachtigde en echtgenoot van klaagster, een aantal klachten ingediend tegen beklaagde. Deze heeft zich bij brief van 16 september 2007 verweerd. Bij brief d.d. 6 oktober 2007 heeft mr. X daarop gereageerd. Daarna heeft hij bij brief d.d. 31 oktober een aantal nieuwe klachten ingediend, waarop beklaagde geen schriftelijke reactie gegeven heeft, maar heeft aangekondigd daarop tijdens de mondelinge behandeling terug te komen.

De mondelinge behandeling vond plaats op 19 november 2007. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen, klaagster bijgestaan door haar echtgenoot. Beide partijen hebben hun standpunt mondeling toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord.

Situatieschets

Klaagster is in 1999 in dienst getreden bij een gemeente als medewerkster debiteurenbeheer. In die functie is zij in 2001 arbeidsongeschikt geworden i.v.m. RSI-klachten. Zij is een jaar uit roulatie geweest. Bij reïntegratie ontstonden problemen, omdat zij i.v.m. de omvang van het computerwerk niet werd toegelaten tot haar eigen werk. Zij moest overplaatsing accepteren naar een andere afdeling, waar zij voor 24 uur per week de functie van medewerkster debiteurenbeheer toebedeeld kreeg. Ook in deze functie viel zij na verloop van tijd uit wegens terugkerende RSI- én fybromyalgieklachten. Zij werd 65% tot 80 % arbeidsongeschikt geacht. In maart 2007 kaartte zij bij de bedrijfsarts gedeeltelijke werkhervatting aan. De werkgever wilde deze voorgenomen reintegratie zorgvuldig laten verlopen en schakelde daarom de bedrijfsarts én beklaagde als arbeidsdeskundige in om te onderzoeken welke werkbelasting in de bestaande functie verantwoord was.

Werkgever stelde klaagster in kennis van het voorgenomen arbeidsdeskundig onderzoek door beklaagde. De laatste maakte daarna telefonisch een afspraak met klaagster voor een gesprek bij haar thuis. Klaagster verzocht daarop schriftelijk aan de bedrijfsarts wat hiervan de bedoeling was, doch kreeg geen antwoord.

Het gesprek tussen klaagster en beklaagde vond plaats op 3 april 2007, doch moest voortijdig worden beëindigd wegens gebrek aan medewerking van klaagster (waarover later). Op 18 april 2007 had klaagster daarover een gesprek met haar werkgever. Bij die gelegenheid stelde zij voor, om voor 50 % haar eigen werkzaamheden te hervatten. Ondertussen zette beklaagde buiten klaagster zijn onderzoek voort (waaronder begrepen een werkplekonderzoek, gesprekken met werkgever en bedrijfsarts) en maakte vervolgens in een door de werkgever tussen beklaagde en klaagster georganiseerd overleg op 23 mei 2007 op het kantoor van de werkgever klaagster deelgenoot van zijn bevindingen en plan tot volledige reintegratie, gebaseerd op een inmiddels door het UWV opgestelde en door de bedrijfsarts geaccordeerde Functionele Mogelijkheden Lijst, waarvan klaagster tot dan toe evenmin op de hoogte was. Klaagster voelde zich door deze gang van zaken overvallen. Diezelfde dag rondde beklaagde zijn concept-rapportage af en stuurde daarvan afschrift aan klaagster. Zij reageerde per email en stelde o.a. een aanpassing voor op het voorgestelde schema van tewerkstelling. Beklaagde paste naar aanleiding daarvan zijn voorstel aan en bracht op 29 mei 2007 zijn definitieve rapportage uit, inhoudende stapsgewijze terugkeer naar eigen werk voor 24 uur per week met uitsluiting van tilwerk en het afleggen van huisbezoeken, welke werkzaamheden door collega's zouden moeten worden verricht.

In de daarop volgende correspondentie heeft klaagster beklaagde tal van verwijten gemaakt, die hem onaangenaam getroffen hebben.

Reintegratie volgens het plan van beklaagde heeft niet plaats gevonden. Klaagster verzocht het UWV om een second opinion. In dat kader was beklaagde op verzoek van de werkgever aanwezig bij een gesprek op 22 oktober 2007 tussen de arbeidsdeskundige van het UWV, belast met het opstellen van genoemde second opinion, en de werkgever. Klaagster was daarover niet ingelicht. Dat feit heeft tot aanvullende klachten geleid, die hieronder zullen worden weergegeven.

De klachten

Klaagster heeft haar klachten doen verwoorden in 33 onderdelen. Het is voor de Raad ondoenlijk deze stuk voor stuk te behandelen.Een deel van de klachten heeft bovendien betrekking op de rol van de bedrijfsarts en de werkgever alsmede de gevoerde regie. Voor zover de klachten tegen beklaagde zijn gericht komen deze er kort samengevat op neer dat beklaagde de introductie- en rapportagevoorschriften niet heeft nageleefd; dat de rapportage tot stand gekomen is zonder de cliënt te horen en zonder de gebruikte gegevens ten overstaan van cliënt te verifiëren. Klaagster beroept zich met regelmaat op het Professioneel Statuut. Voor zover dat als zelfstandige klachten zijn aan te merken, laat de Raad ook deze klachten buiten beschouwing, omdat zij slechts kan toetsen aan de Gedragsregels.

M.b.t. het gesprek van 22 oktober 2007 tussen werkgever, UWV en beklaagde beklaagt klaagster zich er over, dat zij van dat gesprek niet voorafgaand op de hoogte is gesteld, dat zij zelf niet in de gelegenheid is gesteld aan dat gesprek deel te nemen; dat beklaagde zich (na het indienen van de klacht tegen hem) aan dat gesprek had dienen te onttrekken en dat hij door aan dat gesprek deel te nemen de beginselen van voldoende distantie, integriteit, verifieerbaarheid en de schijn van persoonlijke betrokkenheid niet in acht heeft genomen.

Het verweer

Het schriftelijke verweer van beklaagde is summier: Hij heeft tijdens het introducerende gesprek op 3 april 2007 bij klaagster thuis uitgelegd wat doel en strekking van zijn onderzoek was; zijn rol en wijze van onderzoek uiteengezet en klaagster op haar rechten en plichten gewezen. Daarbij heeft hij klaagster uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij haar niet kon verplichten om aan het onderzoek mee te werken. In het gesprek d.d. 23 mei 2007 zou de werkgever ten overstaan van beklaagde en klaagster nogmaals de bedoelingen, taken en verantwoordelijkheden van een ieder duidelijk uiteen hebben gezet. Tenslotte heeft hij zijn concept-rapportage d.d. 23 mei 2007 aan klaagster toegezonden, die daar summier op heeft gereageerd. Haar opmerkingen heeft hij in zijn eindrapportage d.d. 29 mei 2007 verwerkt.

Beklaagde is van oordeel, dat hij, mede gelet op de tegenwerking van klaagster, integer en zorgvuldig gehandeld heeft. Bij het gesprek tussen de arbeidsdeskundige van het UWV en werkgever was hij slechts passief aanwezig. Dezelfde arbeidsdeskundige had kort daarvoor een gesprek met klaagster gehad. Aldus werd volgens beklaagde recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.

Overwegingen van de Raad

m.b.t. feiten:

Uit hetgeen klaagster en haar gemachtigde tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, neemt de Raad als gegeven aan dat klaagster op grond van haar vroegere -negatieve – ervaringen een kritische houding aannam.

Het 1e gesprek tussen beklaagde en klaagster vond plaats op 3 april 2007 bij klaagster thuis aan tafel. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, had beklaagde zich nog niet ingewerkt en had hij de intentie middels een zo open mogelijk gesprek met klaagster zijn arbeidsdeskundig onderzoek aan te vangen. Hij kende het door de UWV opgestelde beperkingenpatroon nog niet. Klaagster was niet coöperatief.

Zij vond dat beklaagde geen vragen van medische aard mocht stellen, waartoe zij ook de vragen m.b.t. haar medische beperkingen rekende, laat staan dat zij die behoefde te beantwoorden, hetgeen beklaagde slechts kon bevestigen.
Zij heeft het gesprek afgebroken, omdat zij vond dat beklaagde zich eerst maar beter moest inlezen.

Op 23 mei 2007 heeft werkgever klaagster en beklaagde de gelegenheid gegeven samen een gesprek te voeren. Dit was – zo is de Raad tijdens de mondelinge behandeling gebleken – een vrij zinloze formaliteit, omdat beklaagde zijn onderzoek al had afgerond. Klaagster heeft daarom te kennen heeft gegeven uitsluitend op zijn (beklaagde) aangekondigde schriftelijk concept te willen reageren.

De Raad maakt uit het voorgaande op, dat klaagster aldus geen reële invloed heeft gehad op het verloop van het arbeidsdeskundig onderzoek. Haar negatieve opstelling tijdens het gesprek op 3 april 2007, had beklaagde er niet van mogen weerhouden in een tijdig stadium het daarna bekend geworden beperkingenpatroon met klaagster te bespreken en in het bijzonder haar te betrekken in het werkplekonderzoek. In plaats daarvan heeft hij dat met een collega van klaagster besproken.

m.b.t. de klachten over schending van de introductienormen:

Art. 1.1. van de Gedragsregels dat luidt als volgt:

1. Introductie
De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om er voor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien
Dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over:
• aard, doel en inhoud van het onderzoek;
• de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten;
• het recht om het onderzoek te weigeren, waarbij de cliënt wordt gewezen op de
mogelijke consequenties van een dergelijke weigering;
• het recht om zich met een klacht te wenden tot het Register-instituut;
• het recht op inzage in de rapportage van het onderzoek via de opdrachtgever.

Toelichting:

Cliënten dienen op de hoogte te zijn van de regels waaraan de arbeidsdeskundige zich heeft te houden.
Het past niet meer in de huidige tijd om cliënten informatie te onthouden, vlg. o.a. de ontwikkelingen
Binnen de medische wereld. Denkbaar is het evenwel dat het vooraf geven van alle informatie de
Begeleiding van een cliënt kan bemoeilijken, zo niet onmogelijk kan maken. In een dergelijk geval
Kunnen er dus gegronde redenen zijn om af te wijken van het grondbeginsel dat vooraf alle
Informatie wordt verstrekt. Vandaar de formulering in punt 3.1 dat informatieverstrekking
Vooraf in beginsel verplicht is.
Over het algemeen zal voor wat betreft het klachtrecht aan de informatieverplichting zijn voldaan
Indien wordt verwezen naar een brochure waarin de rechten van de cliënt zijn beschreven.

Uit de hierboven vastgestelde feiten m.b.t. het gesprek van 3 april 2007 maakt de Raad op dat klaagster in voldoende mate op de hoogte moet zijn geweest van aard, doel en inhoud van het onderzoek en haar recht om medewerking daaraan te weigeren. Zij heeft daarover immers een discussie met beklaagde gevoerd, resulterend in een weigering om – vooralsnog – verder mee te werken. In het tweede gesprek op 23 mei 2007 weigerde klaagster een reactie en beriep zich op haar recht om een correctie/reactie te geven op basis van het nog uit te brengen schriftelijke rapport van beklaagde. Nu klaagster zich bij verschillende gelegenheden heeft beroepen op haar rechten heeft zij onvoldoende belang bij haar klacht, dat haar deze rechten niet dan wel onvoldoende zijn kenbaar gemaakt.

De klachten over het gebrek aan informatie over doel en aard van het onderzoek treffen hetzelfde lot. Werkgever én beklaagde hebben bij de aanvang van het onderzoek en gedurende het onderzoek in voldoende mate duidelijk gemaakt waarom het ging. Dat de bedrijfsarts heeft nagelaten op het schriftelijk verzoek van klaagster (over de bedoeling van het inschakelen van een arbeidsdeskundige) te reageren kan beklaagde niet worden verweten.

De Raad acht klachten over schending van de introductienormen dan ook ongegrond.

M.b.t. de overige klachten

De Raad gaat slechts in op de klachten voor zover zij deze gegrond acht.

Een tweede reeks klachten heeft betrekking op de wijze van onderzoek en de verantwoording daarvan in de eindrapportage. De Raad toetst deze klachten de volgende Gedragsregels (1.3 en 1.4.2).

1.3. Onderzoeksmethode
• De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid

Toelichting:
Onderkennend, dat 'algemene normen van fatsoen' qua marges en qua ontwikkelingen in de samenleving niet steeds nauwkeurig omschreven zullen kunnen worden, wordt (voorshands) volstaan met 'algemene termen'. Hierbij geldt als overweging, dat per incident jurisprudentie zal ontstaan en gehanteerd zal kunnen worden, onder andere voortkomend uit klachtenbehandeling door het Register-instituut.

1.4.2. Verantwoording en rapportage

• De Register-Arbeidsdeskundige rapporteert op heldere en zakelijke wijze zijn
Beroepshandelingen, conform de relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten

• De cliënt heeft het recht geïnformeerd te worden omtrent de gegevensverwerking ten behoeve van de rapportage.
• Ingevolge het recht op inzage kan de cliënt via de opdrachtgever een afschrift van het arbeidsdeskundig rapport verkrijgen.

Toelichting:

Zowel in het belang van de cliënt als van de arbeidsdeskundige, dienen de relevante gegevens, benodigd voor de oordeelsvorming, geverifieerd te worden ten overstaan van de cliënt. Zulks impliceert niet, dat de cliënt aanstonds de beschikking krijgt over de rapportage (als regel voorbehouden aan de opdrachtgever) doch wel, dat de arbeidsdeskundige zich dient te realiseren, dat zijn rapportage op enig moment (veelal in geschillenprocedures) ter beschikking kan komen van de cliënt of zijn gemachtigde.
Het 'wekken van verwachtingen' omtrent adviezen blijkt in de praktijk het karakter te bezitten van een medaille met twee zijden. Beoogd wordt hier de zijde van de arbeidsdeskundige te benadrukken voor wat betreft de zorgvuldigheid in weergave omtrent de rechtsgevolgen van zijn advies.
Hiermede is niet voorkomen dat de cliënt (als keerzijde van de medaille) in sommige situaties toch niet zal trachten het advies als 'recht' te vertalen. Voorzover nodig wordt hier gestipuleerd, dat uit het voorgaande volgt, dat de arbeidsdeskundige uitsluitend rapporteert omtrent door hem onderzochte gevalssituaties. Daarnaast staat voor de arbeidsdeskundige de mogelijkheid open om desgevraagd 'dossiercommentaar' te leveren op hem door derden aangereikte stukken.

t.a.v. de betrachte zorgvuldigheid

Uit de toelichting op art. 4.2 Gedragsregels blijkt dat de arbeidsdeskundige de verplichting heeft zijn bevindingen ten overstaan van de klant te verifiëren. Beklaagde heeft dat gedaan tijdens het gesprek d.d. 23 mei 2007 na afronding van zijn onderzoek. Met die formaliteit kon hij niet volstaan. De zorgvuldigheid van het onderzoek brengt met zich mee, dat de mening van klaagster in een eerder stadium serieus moeten worden meegewogen. In zoverre is de klacht van klaagster gegrond, dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

m.b.t. rapportage

De Raad heeft er in het verleden herhaaldelijk op gewezen dat een arbeidsdeskundige rapportage ingrijpende gevolgen kan hebben en ook voor (langdurig) extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn.

In de aangevallen rapportage van beklaagde ontbreekt een heldere beschrijving van de eerdere ziekteuitval en reïntegratie van klaagster. Voorts ontbreekt een beschrijving van de functie-inhoud en functiebelasting. Dat zijn relevante gegevens die in de rapportage niet mogen ontbreken. Slechts in zoverre is de klacht gegrond.

Het door beklaagde daartegen tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde argument dat hij alleen de in verband met het beperkingenpatroon relevante onderdelen van de inhoud en belasting van de functie heeft aangegeven acht de Raad onvoldoende.

m.b.t. de klachten over het gebrek aan objectiviteit c.a.

De derde reeks van klachten betreffen schending van de beginselen van voldoende distantie, integriteit, verifieerbaarheid en de schijn van persoonlijke betrokkenheid.

Uitgangspunt van de gedragsregels is het waarborgen van de onafhankelijkheid en deskundigheid van de register-arbeidsdeskundige in zijn onderzoek en optreden. Deze normen zijn verwoord in art. 2.2. Gedragsregels, dat als volgt luidt:

2.2. Persoonlijke beperkingen
• De Register-Arbeidsdeskundige doet geen onderzoek, waarvoor hij de deskundigheid mist.
• De Register-Arbeidsdeskundige geeft, na overleg met zijn opdrachtgever, de opdracht
terug, indien persoonlijke of zakelijke omstandigheden hem verhinderen
een objectief onderzoek in te stellen of deze, na aanvang te voltooien.
• Bij beslissing tot het aanvaarden c.q. voortzetten van een opdracht zal
de Register- Arbeidsdeskundige zijn persoonlijke beperkingen zorgvuldig
afwegen met inbegrip van de mogelijkheden om andere deskundigen te consulteren.

Toelichting:

In zijn beroepsuitoefening hanteert de arbeidsdeskundige verschillende kennisgebieden en
vaardigheden, die ieder op zich vaak als specialisme bij andere disciplines worden aangetroffen.
Afhankelijk van de aard van de onderzoeksaspecten, die door hem worden ontmoet dient hij attent
te zijn op het moment, dat inschakeling van andere deskundigen noodzakelijk wordt.
Wanneer de aard van de vraagstelling geheel niet op het terrein van zijn beroepsuitoefening ligt
(en hij ook overigens daarbuiten geen bijzondere bekwaamheden bezit in relatie tot de vraagstelling)
dient geen onderzoek ter hand te worden genomen.

De Raad heeft moeten vaststellen, dat beklaagde intensief samenwerkt met zijn opdrachtgever. Hij wordt in de correspondentie getutoyeerd, neemt deel aan het overleg van het sociaal medisch team (SMT) van de werkgever en begeleidt de werkgever in het overleg met het UWV. Dit hoeft zijn objectiviteit en onafhankelijkheid in zijn oordeelsvorming niet in de weg te staan, maar kan de schijn van partijdigheid oproepen. Daarmee zou het beoogde doel van de onafhankelijkheid, namelijk de acceptatie en overdracht van zijn bevindingen door beide partijen, in gevaar kunnen komen.

De Raad is van oordeel dat beklaagde door in zijn onderzoek zeer nauw samen te werken met de werkgever en door klaagster – na haar aanvankelijke onwil om aan het onderzoek mee te werken – niet verder in zijn onderzoek te betrekken en haar heeft geconfronteerd met het resultaat van zijn onderzoek op 23 mei 2007 onvoldoende heeft gedaan om de schijn van gebrek aan onafhankelijkheid te voorkomen. Mede in dat licht en na de start van de onderhavige klachtenprocedure had hij geen gehoor mogen geven aan het verzoek van zijn opdrachtgever om het gesprek met de arbeidsdeskundige van het UWV in het kader van de door klaagster verzochte second opinion op 22 oktober 2007 bij te wonen. Zijn verweer dat hij slechts passief aanwezig was en dat zijn aanwezigheid paste in het beginsel van hoor en wederhoor acht de Raad ontoereikend. Zijn arbeidsdeskundige rapportage had voor zich dienen te spreken. Zijn aanwezigheid kan worden uitgelegd als steun aan zijn opdrachtgever en ongewenste beïnvloeding van de tegen zijn oordeel aangevraagde verzoek om een second opinion.

De Raad acht de klacht voor zover deze betrekking heeft op zijn aanwezigheid tijdens die bespreking van 22 oktober 2007 gegrond.

Samenvattend:

Ondanks de goede bedoelingen van alle partijen is de reïntegratie mislukt. Klaagster had ondanks haar weinig coöperatieve opstelling nimmer op de aangegeven wijze voor voldongen feiten mogen worden gesteld.

De Raad acht de klachten van klaagster tegen beklaagde voor het overgrote deel ongegrond.

Een deel van die klachten betreffen handelen en verantwoordelijkheid van werkgever en bedrijfsarts en kunnen reeds daarom beklaagde niet raken.

De Raad acht gegrond de klacht voor zover beklaagde heeft nagelaten haar in een tijdig stadium in zijn onderzoek alsnog te betrekken; beklaagde heeft nagelaten in zijn rapportage een beschrijving van voorgeschiedenis en functie-inhoud en belasting op te nemen; en beklaagde aanwezig is geweest bij meergenoemde bespreking d.d. 22 oktober 2007 tussen werkgever en de arbeidsdeskundige van het UWV.

Sanctie

De Raad heeft oog voor de problemen waarvoor beklaagde door de weinig coöperatieve houding van klaagster werd gesteld. Tevens is de Raad van oordeel dat de door de Raad hierboven geconstateerde schendingen van de Gedragsregels naar alle waarschijnlijkheid geen invloed hebben gehad op het uiteindelijke resultaat van het onderzoek van beklaagde.

De Raad acht de door beklaagde gewekte schijn van partijdigheid zorgwekkend.

Als sanctie legt de Raad daarom een schriftelijke waarschuwing op, te geven door het Bestuur SRA.

Deze uitspraak is gedaan op 19 november 2007 door
mr. H.D. van der Schaar, voorzitter
H. Foeken, lid
A.L. van Summeren, lid