Uitspraak 2, 28 maart 2007
Uitspraak
van de Raad van Toezicht van Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van de heer P., hierna te noemen klager, tegen de register-arbeidsdeskundige de heer K., hierna te noemen beklaagde, als arbeidsdeskundige werkzaam bij een Arbeidsdeskundig Adviesbureau.
Procesverloop
Bij brief d.d. 20 juni 2006 heeft mr. Van H., advocaat van klager, een aantal klachten ingediend tegen beklaagde. De behandeling van de klacht is aangehouden op verzoek van klager om in der minne tot een regeling met de verzekeringsmaatschappij te komen. Na deze onderbreking heeft beklaagde zich bij brief van 18 december 2006 verweerd. Bij brief d.d. 20 februari 2007 heeft klager op dat verweer gereageerd.
De mondelinge behandeling vond plaats op 28 maart 2007. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen. Klager werd bijgestaan door mr. Van H. Beide partijen hebben hun schriftelijke pleitnotities in het geding gebracht, hun standpunt verder mondeling toegelicht en vragen van de Raad van Toezicht beantwoord. Halverwege de mondelinge behandeling heeft klager nieuwe klachten ingediend terzake van hetzelfde feitencomplex, waarop beklaagde mondeling heeft gereageerd.
Situatieschets
Klager heeft in 1998 als gevolg van een auto-ongeluk letsel opgelopen. Gak Nederland BV heeft hem destijds volledig arbeidsongeschikt geacht op grond van lichamelijke én psychische beperkingen als gevolg van het ongeval. Daarin is geen verandering ontstaan. Daarnaast heeft klager schade geclaimd bij de verzekeringsmaatschappij, die de ongevalveroorzaker had verzekerd.
Bij brief d.d.31 januari 2005 geeft mr. E., advocaat van deze verzekeringsmaatschappij, mede namens mr. Van H., de advocaat van klager, aan beklaagde de opdracht tot arbeidsdeskundig onderzoek met o.a. de vraag of de functiebeperkingen zoals omschreven in de "medische rapportages, waaronder in het bijzonder het expertiserapport van prof. dr S., neuroloog, d.d. 14 maart 2001," betekenen dat klager beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid, geheel of gedeeltelijk ongeschikt is.
Omdat beklaagde uitsluitend het rapport S. (neuroloog) ontving, verzocht hij bij brief d.d. 4 februari 2005 aan mr. E. om de overige medisch relevante stukken op te sturen. Afschrift van die brief zond hij per gelijke post aan mr. Van H. Bij brief d.d. 25 februari 2005 antwoordde mr. E. hem dat hij niet beschikte over andere relevante medische informatie. Van mr. Van H. ontving Beklaagde geen reactie, omdat – aldus mr. Van H. tijdens de mondelinge behandeling – zij deze brief én het antwoord van mr. E. niet had ontvangen.
Beklaagde bezoekt klager op 10 maart 2005. Bij brief d.d. 14 maart 2005 verzoekt hij aan
mr. Van H. om nadere informatie over de ontslagprocedure en eventuele andere stukken die informatie verschaffen over de beroepswerkzaamheden van klager.
Bij schrijven d.d. 22 augustus 2005 stuurt beklaagde zijn conceptrapport aan beide partijen.
Beklaagde heeft zijn onderzoek verricht uitsluitend gebaseerd op de in het rapport S. (neuroloog) aangegeven beperkingen.
Mr. Van H. maakt bij brief d.d. 20 september 2005 bezwaar tegen het conceptrapport en verlangt dat beklaagde alsnog een verzekeringsgeneeskundige inschakelt om een medisch beperkingenpatroon op te stellen.
Mr. E. reageert bij brief d.d. 22 september 2005, dat een dergelijk verzoek niet past binnen het kader van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ingeval beklaagde wél een dergelijk onderzoek wil laten verrichten, verzoekt mr. E. hem dat hij het overleg tussen partijen daarover afwacht. Beklaagde bevestigt partijen dat hij afwacht. Vervolgens ontstaat een schriftelijke discussie tussen de advocaten alsmede tussen beklaagde en mr. Van H. over diens klachten op het onderzoek van beklaagde.
N.a.v. de brief d.d. 13 oktober 2005 van mr. E. aan beklaagde, waarin hij stelt dat een nieuw medisch onderzoek niet aan de orde is en waarin hij beklaagde verzoekt het onderzoek af te ronden, concludeert beklaagde dat zijn opdrachtgevers geen overeenstemming hebben bereikt over een aanvullende opdracht. Bij brief d.d. 18 oktober 2005 verzendt hij zijn definitieve rapport onder de mededeling dat dit rapport niet afwijkt van het conceptrapport.
De klachten luiden, kort samengevat, als volgt:
1. Beklaagde had niet mogen afgaan op uitsluitend het rapport S., omdat hierin de psychische beperkingen van klager als gevolg van het ongeval niet als beperkingen in de belastbaarheid zijn opgenomen, terwijl deze wel uit eerdere medische rapportages zouden blijken. Hij had deze stukken zelf bij de betreffende medische instanties moeten opvragen.
2. Beklaagde had niet zelf het rapport S. mogen beoordelen en vertalen naar medische beperkingen, omdat dat voorbehouden is aan een medische deskundige. Hij heeft nagelaten een verzekeringsgeneeskundige in te schakelen en heeft daarmee in strijd met de Gedragsregels onderzoek verricht waarvoor hij de deskundigheid mist.
3. Beklaagde had zijn onderzoek niet mogen afronden, zolang beide opdrachtgevers geen overeenstemming hadden bereikt over de inhoud van de opdracht. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de Gedragsregel dat een opdracht terug gegeven moet worden, indien zakelijke of persoonlijke omstandigheden hem verhinderen een objectief onderzoek in te stellen of deze na aanvang te voltooien.
4. Beklaagde heeft niet aan zijn introductieverplichting voldaan en in het bijzonder niet aan klager meegedeeld, dat hij zijn onderzoek uitsluitend zou baseren op het rapport S.
Korte inhoud van het verweer
1. Hoewel daarom bij herhaling verzocht, heeft beklaagde slechts één medisch rapport ontvangen, namelijk het rapport S. Hij kón dus slechts uitsluitend het rapport S. als basis voor zijn onderzoek gebruiken. Bovendien was het UWV onderzoek meer dan zeven maanden oud, toen S. zijn onderzoek deed. Bovendien had S. dit medisch voorwerk al verricht.
2. Het rapport S. bevat een zo duidelijk hoofdstuk medische beperkingen, dat hij voor de uitleg daarvan geen medicus meer nodig had.
3. Er waren geen zakelijke of persoonlijk beperkingen om het onderzoek af te ronden. Partijen hadden in het verleden overeenstemming bereikt over de opdracht en konden geen overeenstemming bereiken over een aanvulling op die opdracht. Hij was daarom vrij de eerdere opdracht af te ronden.
4. Hij heeft wél aan de introductieverplichting voldaan. Hij heeft bovendien een daarop betrekking hebbende folder bij brief d.d. 31 januari 2005 aan mr. Van H. gestuurd. Hij heeft met haar vóór het bezoek aan klager daarover overleg gepleegd. Pas op het laatste moment was mr. Van H. verhinderd dat gesprek bij te wonen. Hij kon tenslotte in de bespreking met klager nog niet zeggen, dat hij uitsluitend zou afgaan op het rapport S., omdat hij pas na het gesprek en na ontvangst van alle stukken daartoe besloten heeft.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van klacht 4: schending van de introductievoorschriften:
Deze klacht heeft klager ingediend halverwege pleidooi tijdens de mondelinge behandeling. Normaliter neemt de Raad een klacht zonder schriftelijke voorbereiding niet in behandeling. Nu beklaagde, daartoe overvallen, ter plekke onvoorbereid en naar de mening van de Raad adequaat heeft gereageerd, zal de Raad bij wijze van uitzondering over deze klacht uitspraak doen.
Overwegingen van de Raad m.b.t. klacht 4:
De klacht heeft betrekking op schending van art. 1.1. van de Gedragsregels dat luidt als volgt:
1. Introductie
De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om er voor te zorgen, respectievelijk erop toe te zien
dat voor de aanvang van het voorgenomen onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over:
• aard, doel en inhoud van het onderzoek;
• de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten;
• het recht om het onderzoek te weigeren, waarbij de cliënt wordt gewezen op de
mogelijke consequenties van een dergelijke weigering;
• het recht om zich met een klacht te wenden tot het Register-instituut;
• het recht op inzage in de rapportage van het onderzoek via de opdrachtgever.
Toelichting:
Cliënten dienen op de hoogte te zijn van de regels waaraan de arbeidsdeskundige zich heeft te houden.
Het past niet meer in de huidige tijd om cliënten informatie te onthouden, vlg. o.a. de ontwikkelingen
binnen de medische wereld. Denkbaar is het evenwel dat het vooraf geven van alle informatie de
begeleiding van een cliënt kan bemoeilijken, zo niet onmogelijk kan maken. In een dergelijk geval
kunnen er dus gegronde redenen zijn om af te wijken van het grondbeginsel dat vooraf alle
informatie wordt verstrekt. Vandaar de formulering in punt 3.1 dat informatieverstrekking
vooraf in beginsel verplicht is.
Over het algemeen zal voor wat betreft het klachtrecht aan de informatieverplichting zijn voldaan
indien wordt verwezen naar een brochure waarin de rechten van de cliënt zijn beschreven.
Blijkens de brief van beklaagde d.d. 4 februari 2005 aan mr. Van H., heeft hij haar een brochure in de zin van de laatste volzin van de toelichting op art. 1.1 gestuurd. Daarmee heeft hij in beginsel aan zijn introductieplicht voldaan. Het feit dat mr. Van H. deze brief niet ontvangen heeft, doet daaraan niet af; de brief was juist geadresseerd.
Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 28 maart 2007 zijn van de zijde van klager tegenover de uitleg van beklaagde over het verloop van zijn bespreking met klager op 10 maart 2005 geen concrete aanwijzingen gegeven dat beklaagde zijn introductieverplichting geschonden heeft.
Bovendien heeft beklaagde onweersproken gesteld voorafgaand overleg met mr.Van H. gehad over dat bezoek. mr.Van H. is letselschade-advocaat en op de hoogte van aard en doel van het arbeidsdeskundig onderzoek. Zij was bovendien medeopdrachtgever.
Kort daarna heeft beklaagde nog met haar gecorrespondeerd over verdere informatie t.b.v. onderzoek.
De Raad gaat er daarom van uit dat klager voldoende wist of moest weten over aard, doel en inrichting van het onderzoek.
Het feit dat beklaagde in een later stadium van zijn onderzoek zich heeft beperkt tot het onderzoek S. valt buiten het bereik van art. 1.1 van de Gedragsregels.
De Raad acht deze klacht daarom ongegrond.
Overwegingen van de Raad m.b.t. de klachten 1 t/m 3
In deze zaak is klager zowel cliënt als opdrachtgever in de zin van de Gedragsregels.
De opdracht is geformuleerd door terzake kundige advocaten en was het resultaat van een tussen hun cliënten gesloten compromis over de afwikkeling van de letselschade.
De opdracht beperkte de bewegingsvrijheid van beklaagde in niet geringe mate. Blijkens de bewoordingen van de opdracht moest beklaagde op basis van reeds bestaande medische rapportages, en in het bijzonder het rapport S., zijn arbeidsdeskundig onderzoek verrichten. Het meest recente medische rapport, dat van S., was ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek vier jaren oud, de overige medische stukken vijf tot zeven jaren oud.
Beklaagde heeft de ontbrekende medische stukken bij partijen opgevraagd doch niet verkregen. Ook ná het uitbrengen van zijn conceptrapport hebben de opdrachtgevers geen aanleiding gezien hem de ontbrekende medische rapportages toe te zenden.
Desgevraagd heeft mr. Van H. de Raad meegedeeld dat zij, ná kennisname van het conceptrapport van beklaagde, de hem kennelijk ontbrekende medische rapporten niet wilde toezenden, omdat zij van mening was dat beklaagde op grond van de Gedragsregels een verzekeringsgeneeskundige moest inschakelen om een (volledig) beperkingenpatroon op te stellen.
Beklaagde was globaal van deze medische rapporten op te hoogte, omdat deze in de rapportage van S. zijn samengevat.
De medische rapportages zijn tijdens de mondelinge behandeling op 28 maart 2007 door klager alsnog aan de Raad ter beschikking gesteld. De Raad constateert dat daarin voor zover voor de beoordeling van het gedrag van beklaagde van belang, geen relevante medische informatie voorkomt, die afwijkt van hetgeen S. heeft gerapporteerd.
Uitsluitend het rapport S. geeft een duidelijk voor een arbeidsdeskundige te hanteren omschrijving van de beperkingen in de belastbaarheid van klager.
In het rapport S. worden behalve fysieke ook de psychische klachten van klager omschreven. Deze zijn niet in het beperkingenpatroon opgenomen. S. geeft in zijn rapport aan, dat niet alle klachten door het door hem verrichte neurologische onderzoek konden worden verklaard.
Tijdens de mondelinge behandeling van de Raad is duidelijk geworden, dat de opdrachtgevende partijen zelf ook de discrepantie hebben gezien tussen de psychische klachten en de door S. geformuleerde beperkingen. Zij konden echter geen overeenstemming bereiken over een aanvullend neuro-psychisch onderzoek, eventueel uitmondend in een aanvulling op de door S. beschreven beperkingen. Het had onder die omstandigheden op de weg van klager gelegen om eenzijdig zonder de medewerking van de verzekeringsmaatschappij een dergelijk onderzoek te laten instellen.
De Raad acht het in beginsel onjuist, dat klager als mede-opdrachtgever meewerkt aan een beperkte opdracht aan beklaagde en vervolgens tracht via de Gedragsregels SRA en het klachtenrecht langs een omweg alsnog een aanvullende medische rapportage te verlangen naar in het bijzonder de neuro-psychische beperkingen. Dat komt neer op een verwijt van de opdrachtgever aan de opdrachtnemer, dat deze de opdracht overeenkomstig de opdracht uitvoert.
Dat neemt niet weg dat de Raad heeft te oordelen of beklaagde binnen het raam van deze door de opdrachtgevers aangebrachte beperkingen in strijd met de Gedragsregels heeft gehandeld.
De Gedragsregels waaraan de Raad toetst zijn de volgende:
1.3. Onderzoeksmethode
• De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid
Toelichting:
Onderkennend, dat 'algemene normen van fatsoen' qua marges en qua ontwikkelingen in de samenleving niet steeds nauwkeurig omschreven zullen kunnen worden, wordt (voorshands) volstaan met 'algemene termen'. Hierbij geldt als overweging, dat per incident jurisprudentie zal ontstaan en gehanteerd zal kunnen worden, onder andere voortkomend uit klachtenbehandeling door het Register-instituut.
1.4.2. Verantwoording en rapportage
.
• De Register-Arbeidsdeskundige rapporteert op heldere en zakelijke wijze zijn
beroepshandelingen, conform de relevante bevindingen, alsmede de gronden
waarop zijn conclusies berusten
2.1. Doelmatigheid
Ter voorkoming van ongerief en kosten zal de Register-Arbeidsdeskundige bij aanvang of voortzetting van een onderzoek steeds nagaan of van de gekozen benaderingswijze redelijkerwijs verwacht mag worden, dat een bijdrage ten opzichte van de vraagstelling geleverd kan worden. Bij te verwachten negatief resultaat en/of in geval van twijfel zal de opdrachtgever daarvan in kennis worden gesteld.
Toelichting:
Onderkend moet worden, dat zich situaties voordoen, waarin geen sprake is van een bindende opdracht, c.q. dat opdrachtgever niet het rendement van de opdracht kan voorzien of overzien. Alsdan dient de Arbeidsdeskundige bij aanvang (bestudering van vraagstelling in relatie tot verstrekt dossier) respectievelijk na verkennend onderzoek ten aanzien van verdere voortzetting zich af te vragen of in het kader van zijn beroepsuitoefening een bijdrage zal kunnen worden geleverd ten opzichte van de vraagstelling. Dient het leveren van een dergelijke bijdrage op zijn minst aan twijfel onderhevig geacht te worden, dan dient overleg met opdrachtgever omtrent (verder) onderzoek plaats te vinden.
2.2. Persoonlijke beperkingen
• De Register-Arbeidsdeskundige doet geen onderzoek, waarvoor hij de deskundigheid mist.
• De Register-Arbeidsdeskundige geeft, na overleg met zijn opdrachtgever, de opdracht
terug, indien persoonlijke of zakelijkeomstandigheden hem verhinderen
een objectief onderzoek in te stellen of deze, na aanvang te voltooien.
• Bij beslissing tot het aanvaarden c.q. voortzetten van een opdracht zal
de Register- Arbeidsdeskundige zijn persoonlijkebeperkingen zorgvuldig
afwegen met inbegrip van de mogelijkheden om andere deskundigen te consulteren.
Toelichting:
In zijn beroepsuitoefening hanteert de arbeidsdeskundige verschillende kennisgebieden en
vaardigheden, die ieder op zich vaak als specialisme bij andere disciplines worden aangetroffen.
.Afhankelijk van de aard van de onderzoeksaspecten, die door hem worden ontmoet dient hij attent
te zijn op het moment, dat inschakeling van andere deskundigen noodzakelijk wordt.
Wanneer de aard van de vraagstelling geheel niet op het terrein van zijn beroepsuitoefening ligt
(en hij ook overigens daarbuiten geen bijzondere bekwaamheden bezit in relatie tot de vraagstelling)
dient geen onderzoek ter hand te worden genomen.
Deze stelling van klager, dat beklaagde op grond van de Gedragsregels zelfstandig een verzekeringsgeneeskundige had moeten inschakelen, omdat uitsluitend een verzekeringsgeneeskundige een volledig beperkingenpatroon kan opstellen, vindt geen steun in de Gedragsregels. Los daarvan, acht de Raad deze stelling in zijn algemeenheid onjuist. Het is bepaald niet uitgesloten dat medici met een andere specialisatie daartoe eveneens in staat zijn.
De stelling van klager dat een arbeidsdeskundige uitsluitend zijn onderzoek kan verrichten op basis van een volledig beperkingenpatroon volgens de UWV standaard (FML) is eveneens onjuist, in het bijzonder bij de claimsbeoordeling buiten de sociale verzekeringssfeer.
De klacht van klager, dat beklaagde als niet-medicus niet op de door S. aangegeven beperkingen had kunnen afgaan, maar dat daarvoor de tussenkomst vereist was van een arts, treft geen doel. S. heeft op verzoek van beide opdrachtgevende partijen medisch onderzoek verricht én – eveneens op hun gezamenlijk verzoek – zijn bevindingen vertaald in een beperkingenpatroon, dat voldoende basis is voor zijn arbeidsdeskundig onderzoek.
De aan beklaagde verstrekte opdracht is een bindende opdracht in de zin van de hierboven geciteerde Toelichting op art. 2.1. van de Gedragsregels. Indien beklaagde twijfels zou hebben gehad over de doelmatigheid van de hem verstrekte opdracht, dan kon hij daar weinig mee.
Blijkens de opdracht kenden partijen zelf aan het rapport S. een bijzondere betekenis toe.
Voorts legt art. 1.3 van de Gedragsregels de arbeidsdeskundige beperkingen op in de zelfstandige beoordeling van medische kwesties, zodat het nog maar de vraag was of beklaagde – als hij van alle medische stukken had kennisgenomen – binnen het kader van de Gedragsregels én de opdracht wel tot een ander oordeel had kunnen komen.
De klacht dat beklaagde een zelfstandig medische oordeel gegeven heeft is onjuist. Hij heeft zich, zoals uit bovenstaande blijkt, zich daarvan juist onthouden.
In het verleden heeft De Raad aangegeven, dat de arbeidsdeskundige t.a.v. de onderliggende medische gegevens een bijzondere verantwoordelijkheid heeft, die noodzaakt tot overigens beperkt zelfstandig medisch oordeel.
Zo heeft de Raad o.a. in de zaak M./S. (uitspraak d.d. 13 oktober 2004) overwogen, dat het tot de eerste taak van een arbeidsdeskundige behoort om er voor te zorgen dat er een actueel en schriftelijk rapport voorhanden is waaruit de aard en de ernst van de medische beperkingen blijkt, en dat bij ernstige twijfel over de juistheid van die medisch vastgestelde beperkingen het op de weg van de arbeidsdeskundige ligt om nadere medische informatie in te winnen en/of van die twijfel daaromtrent expliciet in zijn rapport melding te maken.
Nu uit de rapportage S. duidelijk was, dat de psychische klachten van klager niet in het beperkingenpatroon waren opgenomen en beklaagde ook zelf rapporteert, dat de klachten van klager niet noemenswaardig afweken van de door S. omschreven klachten, is de vraag wat beklaagde met het (mogelijke) manco tussen de psychische klachten en het ontbreken van vertaling daarvan in het beperkingenpatroon had moeten doen.
Hoewel de Raad beantwoordt het wenselijker had gevonden dat beklaagde dit gegeven met het oog op de derdenwerking van zijn rapport expliciet in zijn rapportage had vermeld, is de Raad van oordeel dat beklaagde niet in strijd met de Gedragsregels heeft gehandeld. Op grond van de opdracht moest hij onderzoek doen op basis van niet-recente medische gegevens, waarbij ook klager als cliënt-medeopdrachtgever in de zin van de Gedragsregels bijzondere betekenis toekende aan het rapport S., én de opdrachtgevende partijen zich van dit (mogelijke) manco in het rapport S. bewust waren.
De klacht dat beklaagde zijn onderzoek heeft voltooid voordat partijen onderling overeenstemming hadden bereikt over een aanvullende opdracht, is ongegrond. Onenigheid tussen opdrachtgevers over een aanvullende opdracht is geen zakelijke beperking in de zin van art. 2.2 van de Gedragsregels en vormt geen beletsel om de bestaande opdracht niet af te ronden. Dat geen overeenstemming is bereikt is een onweersproken feit. Beklaagde mocht daarbij afgaan op de mededeling van één van de mede-opdrachtgevers daaromtrent. Wél deelt de Raad de mening van klager dat beklaagde daarin wel zeer voortvarend te werk is gegaan en het standpunt van klager niet heeft afgewacht. Dat is echter onvoldoende grond om de klacht gegrond te verklaren.
Conclusie
De Raad acht alle klachten ongegrond.