Uitspraak 2 februari 2009
Uitspraak
van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen de beklaagde.
Procesverloop
Bij brief d.d. 16 juni 2008 heeft klager bij de SRA een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft bij brief d.d. 24 september 2008 verweer gevoerd. Bij brief d.d. 9 december 2008 heeft klager daarop gereageerd via zijn gemachtigde Mr. P, jurist.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 februari 2009. Partijen zijn in persoon verschenen en hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad beantwoord. Mr. P. eveneens aanwezig en heeft het standpunt van klager toegelicht.
Feiten
Klager is in 2005 arbeidsongeschikt geworden i.v.m. herniaklachten. Het UWV verklaart hem na einde wachttijd in het kader van zijn claim op een WIA-uitkering per 7 april 2007 geschikt voor eigen werk als foreman operator. Zijn werkgever maakt daartegen als belanghebbende bezwaar. In deze bezwaarprocedure bij het UWV vindt op 3 oktober 2007 de mondelinge behandeling plaats. Beklaagde maakt deel uit van de bezwarencommissie UWV als bezwaararbeidsdeskundige.
In overleg met de bezwaarverzekeringsgeneeskundige stelt beklaagde vervolgens een nader onderzoek in. Hij bezoekt in dat verband de werkplek en laat zich daar over de inhoud van de werkzaamheden voorlichten door o.a. een collega van klager. Ook heeft hij overleg met de door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige, die van oordeel was dat klager niet in staat was zijn eigen werkzaamheden te verrichten.
Beklaagde komt tot het oordeel dat klager niet in staat is zijn eigen functie uit te oefenen op grond van 1440 dagelijks te lopen traptreden en acht hem in het kader van de WIA voor 35 – 80 % arbeidsongeschikt. Hij legt dit vast in zijn rapportage d.d. 10 oktober 2007.
Bij brief d.d. 26 oktober 2007 verstuurt de bezwarencommissie het rapport van beklaagde aan klager én diens werkgever onder mededeling dat de bezwarencommissie de hierboven beschreven conclusie van beklaagde voornemens is te volgen. Klager wordt uitgenodigd binnen drie weken op dit voornemen en de onderliggende stukken te reageren.
Namens klager verzoekt Mr. P. bij brief d.d. 16 november 2007 hem een nadere termijn te gunnen voor het indienen van stukken. In deze brief voert hij ook bezwaren van algemene en medische aard aan, maar hij gaat niet concreet in op het rapport d.d. 10 oktober 2007 van beklaagde. De bezwarencommissie geeft Mr. P. niet alleen 14 dagen uitstel. Hij wordt ook verzocht zich uit te laten of hij een tweede vervolgzitting wenselijk acht. Nadat de bezwarencommissie daarop niets meer van Mr. P. vernomen had, maakt zij de voorgenomen beslissing definitief. Tegen deze beslissing stelt klager geen beroep in.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het de Raad duidelijk geworden, dat de brief d.d. 28 november 2008 van Mr. P. met o.a. aanvullende verklaringen van medewerknemers omtrent de aard en belastbaarheid van het werk, alsmede een verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling i.v.m. verkeerde adressering beklaagde nooit heeft bereikt.
De klachten
Klager heeft in zijn grieven niet duidelijk verwoord welke Gedragsregels SRA zijn geschonden. De Raad meent uit zijn relaas de volgende klachten te kunnen destilleren:
1. Beklaagde had de werkplek niet mogen bezoeken in aanwezigheid van de door zijn werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige.
2. Beklaagde heeft niet het volledige dossier (500 blz.) bestudeerd.
3. Beklaagde heeft wél de werkgever en diens adviseurs geraadpleegd, maar klager niet. Hij is uitsluitend afgegaan op de door de werkgever gepresenteerde gegevens zonder de juistheid daarvan bij klager te verifiëren.
4. In zijn rapportage ontbreekt een functie- en werkomschrijving.
5. Beklaagde heeft meerdere functies tot één functie samengevoegd, als gevolg waarvan hij tot een buitensporige werkbelasting is gekomen. Tijdens zijn onderzoek heeft beklaagde ernstige fouten gemaakt en foute conclusies getrokken.
6. Beklaagde is geheel voorbij gegaan aan de later door zijn advocaat in het geding gebrachte verklaringen van collega's over de functie en in het bijzonder over het aantal dagelijks te lopen traptreden.
Het verweer
1. De door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige vertegenwoordigde de werkgever. Beklaagde verkeert niet in de positie om een door de werkgever – die in deze het bezwaar had ingediend – aangestelde vertegenwoordiger te weigeren.
2. Het door hem verrichtte arbeidsdeskundig onderzoek had een beperkt doel, namelijk het vaststellen van de kniebelasting in eigen werk.
3. Daarvoor heeft hij zich ter plekke laten voorlichten door een collega van klager.
4. De door hem vastgestelde functiebelasting wijkt niet noemenswaardig af van een eerder vastgestelde functiebelasting uit oktober 2006.
5. Hoewel Mr. P. door de voorzitter van de bezwarencommissie in de gelegenheid is gesteld inhoudelijk op zijn rapportage te reageren, heeft hij daarvan geen gebruik gemaakt.
Overwegingen van de Raad
Het gewraakte onderzoek van beklaagde vond plaats in het kader van de bezwaarprocedure UWV. De bescherming, die deze bezwaarprocedure biedt, ontheft een register-arbeidsdeskundige, die als bezwaar-arbeidsdeskundige optreedt, niet van zijn verplichtingen uit hoofde van de Gedragsregels SRA.
Het deelonderzoek, dat beklaagde verrichtte, is een onderzoek, waarop de Gedragsregels SRA volledig van toepassing zijn.
De Gedragsregels verplichten niet, dat klager bij het onderzoek ter plekke aanwezig is. De eerste klacht is daarom ongegrond.
Beklaagde verrichtte zijn arbeidsdeskundig onderzoek in het kader van een arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever. Werkgever had immers bezwaar bij het UWV ingesteld, omdat uit de aanvankelijke claimbeoordeling klager in staat werd geacht zijn arbeid te verrichten. Daaruit vloeide voor de werkgever de verplichting voort klager tot zijn werk toe te laten, waartoe werkgever niet bereid was.
Onder die omstandigheden brengt de vereiste zorgvuldigheid met zich mee het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen, vóórdat het onderzoek wordt afgerond met een rapportage. Het gevaar van informatie-manipulatie en – kleuring door één van partijen is immers volop aanwezig in een dergelijk conflict.
Uit de rapportage van beklaagde blijkt niet, dat deze rapportage een voorlopig karakter had, waarop de betrokken partijen nog invloed konden uitoefenen, en moet daarom gezien worden als de afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek van beklaagde.
Het staat vast, dat beklaagde klager tijdens zijn onderzoek in het geheel niet betrokken heeft. Daarmee heeft beklaagde in strijd gehandeld met de in acht te nemen zorgvuldigheid.
Het feit dat klager in het kader van de bezwarenprocedure UWV in een latere fase in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn bezwaren tegen het arbeidsdeskundig oordeel van beklaagde kenbaar te maken, is daarbij van geen belang
De uitkomst van het onderzoek (1440 traptreden) was – indien juist – een belangrijk nieuw feit met verstrekkende arbeidsdeskundige gevolgen. Dit aantal traptreden was ruim twintig maal de normaalwaarde en lag ver boven de op grond van Arbo-regels toegestane arbeid. Dan is enige scepsis op zijn plaats. Voor beklaagde had dit een extra reden moeten zijn om dit feit bij klager te verifiëren.
De derde klacht is daarom gegrond.
De 2e klacht – niet het gehele dossier bestuderen – acht de Raad niet gegrond. De klacht is daarvoor te algemeen gesteld.
De Raad acht de 4e klacht – onvolledige functiebeschrijving – gegrond. Nu beklaagde tot een diametraal ander oordeel is gekomen over de mate van ongeschiktheid voor de eigen functie – van volledig arbeidsgeschikt tot volledig arbeidsongeschikt – had de zorgvuldigheid vereist dat er geen enkel misverstand zou kunnen ontstaan over de precieze inhoud van de functie, waarvoor hij klager volledig arbeidsongeschikt achtte. Dat moet uit de rapportage blijken.
De 5e klacht m.b.t. het samenvoegen van functies heeft geen zelfstandige betekenis, nu de Raad al heeft vastgesteld, dat de beklaagde de functie onvoldoende heeft beschreven.
De 6e klacht is ongegrond nu beklaagde door de foute adressering van de door de gemachtigde van klager aan het UWV verzonden brief geen kennis heeft kunnen nemen.
Conclusie
De Raad is daarom van oordeel dat beklaagde in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld door zijn onderzoeksbevindingen m.b.t. het aantal traptreden niet aan klager ter verificatie voor te leggen, vóórdat hij daarover rapporteerde. Ook acht de Raad de klacht gegrond, dat beklaagde de functie onvoldoende heeft omschreven.
Sanctie
Berisping