Uitspraak 22 januari 2010

Uitspraak 22 januari 2010

Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van klaagster, tegen de registerarbeidsdeskundige, hierna aangeduid als beklaagde.

Procesverloop

Bij brief van 21 april 2009 is door klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een door hem op 9 juni 2009 ingediend verweerschrift. Klaagster heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 13 juli 2009. Op 3 november 2009 heeft de mondelinge behandeling van de klacht ten overstaan van de Raad van Toezicht plaats gevonden, waarbij beklaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn directeur en waarbij klaagster, die door rugklachten verhinderd was om de zitting in persoon bij te wonen, telefonisch is gehoord.

De feiten

Klaagster, werkzaam als Manager, is op 17 maart 2008 uitgevallen met rugklachten. Op 16 december 2008 heeft de werkgever van klaagster aan beklaagde gevraagd om de re-integratiemogelijkheden van klaagster te onderzoeken. De navolgende vraagstelling is geformuleerd:
1. is werkneemster te re-integreren in (aangepast) eigen werk?
2. wat zijn de concrete arbeidsmogelijkheden voor werkneemster, rekening houdende met de door de bedrijfsarts bepaalde belastbaarheid?
3. welke subsidieregelingen zijn mogelijk van toepassing en hoe worden de financiële consequenties ingeschat?

Op 14 januari 2009 heeft beklaagde een gesprek met klaagster en op 27 januari 2009 heeft beklaagde een gesprek met de leidinggevende van klaagster.
Op 27 januari 2009 heeft beklaagde met klaagster een lang telefoongesprek waarvan de inhoud door klaagster bij memo van 27 januari 2009 aan beklaagde werd weergegeven.
In dat memo geeft klaagster aan o.a. dat zij de indruk krijgt dat beklaagde "uit een ander vaatje tapt" dan hij deed in zijn eerste met klaagster gevoerde gesprek.

In het eerste gesprek heeft beklaagde volgens klaagster met haar gesproken over kansen en mogelijkheden, terwijl hij in het met haar op 27 januari 2009 gevoerde telefoongesprek spreekt over belemmeringen, waarbij de argumentatie van werkgever wordt gebezigd.

Op 28 januari 2009 heeft beklaagde een eerste concept arbeidskundige rapportage opgesteld dat door klaagster op 29 januari 2009 werd ontvangen. Bij mailbericht van 29 januari 2009 heeft klaagster op deze eerste conceptrapportage gereageerd, waarbij zij o.a. heeft aangegeven op de onjuiste vermelding door beklaagde in diens rapportage dat er door werkgever een Plan van Aanpak was opgesteld. Klaagster geeft aan dat er na haar ziekmelding op 17 maart 2008 geen Plan van Aanpak is opgesteld en dat beklaagde dus ten onrechte in de arbeidsdeskundige rapportage vermeldt dat hiervan sprake was. Van een periodiek overleg over en bijstelling van het Plan van Aanpak, zoals wordt vermeld in de concept rapportage, is evenmin sprake, aldus klaagster.

In reactie op het commentaar van klaagster laat beklaagde bij mailbericht van 31 januari 2009 o.a. aan klaagster weten dat er door de werkgever van klaagster ter zake de beoordeling of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest, een volledig dossier moet worden ingeleverd. Nu er nog geen Plan van Aanpak is opgesteld, zal dat alsnog met terugwerkende kracht gemaakt moeten worden om een loonsanctie te voorkomen. Het is duidelijk dat er sprake is van tekortkomingen. Beklaagde gaat dat alles echter niet in zijn rapportage zetten omdat deze mogelijk uiteindelijk ook bij het UWV terecht komt en "door alle vuile was buiten te hangen", is dat smeken om een sanctie. Misschien terecht, maar dat brengt het doel niet dichterbij.

In reactie op het mailbericht van beklaagde stuurt klaagster op 3 februari 2009 een inhoudelijke reactie, waarin ze de door haar eerder naar voren gebrachte bezwaren tegen de concept rapportage handhaaft. De mededelingen in de concept rapportage ten aanzien van het Plan van Aanpak en de bijstelling daarvan kwalificeert zij als onjuiste informatie. Naar het oordeel van klaagster moet in de rapportage worden vermeld dat de casemanager nu echt samen met haar een Plan van Aanpak moet opstellen aangezien dit eigenlijk al op 28 april 2008 had moeten gebeuren.

Bij mailbericht van 3 februari 2009 laat beklaagde aan klaagster weten dat hij achter Plan van Aanpak een aantal vraagtekens heeft geplaatst. Verder merkt hij, onder verwijzing naar zijn eerdere op 31 januari jl. verstuurde mail, dat het geen zin heeft om de vuile was buiten te hangen. In het rapport wordt opgenomen dat er periodiek overleg zal plaats vinden en dat daar schriftelijke verslaglegging van zal worden gemaakt.

Op 3 februari 2009 stuurt beklaagde zijn concept rapportage naar klaagster en de case manager van klaagster met het verzoek om daarop te reageren.

Bij mailbericht van 5 februari 2009 bericht klaagster aan beklaagde dat zij niet akkoord kan gaan met de concept rapportage. Ze verwijst hiervoor naar de eerder met beklaagde gevoerde correspondentie.

Op 6 februari 2009 heeft beklaagde met klaagster telefonisch contact gehad waarin aan klaagster gevraagd is om in te stemmen met de rapportage.

Op 13 februari 2009 heeft beklaagde de definitieve rapportage per mail aan klaagster, de bedrijfsarts en de casemanager van klaagster toegestuurd. De gehele oorspronkelijke alinea over het Plan van Aanpak is door beklaagde weggelaten, doch in de rapportage wordt wel vermeld dat "de gemaakte afspraken in een bijstelling van het Plan van Aanpak worden vastgelegd"

De gang van zaken is voor klaagster aanleiding om aan de werkgever van beklaagde een brief te sturen waarin zij zich beklaagt over de onjuistheden die in de arbeidsdeskundige rapportage voorkomen. Zij verzoekt om haar brief met bijgevoegde bijlagen aan het rapport te hechten zodat die onderdeel uitmaakt van het rapport. Na briefwisseling over en weer wordt het verzoek van klaagster ingewilligd. Op 3 april 2009 verspreidt beklaagde zijn aangepaste rapport waarin de mening van klaagster is opgenomen en waaraan haar brief met bijlagen is gehecht.

De klachten

Kort en zakelijk samengevat zijn de primaire en naar aanleiding van het door beklaagde gevoerde verweer nader door klaagster geformuleerde klachten:

1. De kern van de klacht is dat beklaagde partijdig, niet objectief en niet onafhankelijk is. In de rapportage van beklaagde zijn enerzijds feitelijke onjuistheden resp. onwaarheden opgenomen en is anderzijds, door weglating van essentiële zaken, een beeld ten gunste van de werkgever geschapen dat geen recht doet aan de werkelijkheid. Beklaagde stelt zich door zijn hele gedrag en handelwijze partijdig op, zowel in de aanloop naar zijn rapportage als ook in zijn feitelijke rapportage en in zijn gedrag nadien;
2. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met Gedragsregel A (introductie). Noch voor aanvang van het gesprek, noch tijdens het gesprek heeft beklaagde klaagster geïnformeerd over de aard/doel/inhoud van het onderzoek, de te hanteren onderzoeksmethode en onderzoeksinstrumenten, recht om het onderzoek te weigeren en over het klachtrecht;
3. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met Gedragsregel 3B (vertrouwelijkheid). De door klaagster aan beklaagde verstrekte informatie over haar gezondheid is door beklaagde niet vertrouwelijk behandeld door deze informatie op te nemen in de rapportage die ook de werkgever ontvangt. Bovendien was het opnemen van die informatie niet noodzakelijk in het kader van de aan beklaagde verstrekte opdracht.

Het verweer

Beklaagde voert in grote lijnen het volgende verweer.

Beklaagde beschrijft in zijn verweerschrift de gang van zaken die door hem is gevolgd. Op 14 januari 2009 heeft zijn eerste gesprek met klaagster. In dat gesprek heeft hij klaagster verteld wat zijn opdracht was, maar verder heeft hij in dat gesprek klaagster haar verhaal laten doen. Op 27 januari 2009 heeft beklaagde zijn eerste afspraak met de casemanager van klaagster. Na afloop van dit gesprek belt beklaagde met klaagster, waarin hij aangeeft dat de beperkte inzetbaarheid in uren en de beperkte mogelijkheid om te reizen de grootste knelpunten bij haar re-integratie zijn.

Het telefoongesprek is zeer intensief en ondanks de inspanningen van beklaagde om dit te voorkomen bestaat bij klaagster het beeld dat beklaagde in problemen denkt in plaats van in oplossingen. De afspraak wordt gemaakt om de concept rapportage in eerste aanleg eerst naar klaagster te sturen, zodat zij daarop, zonder dat anderen daarvan kennis hebben genomen, kan reageren.
Na kennisname van het concept rapport vraagt klaagster om in de rapportage op te nemen wat er eerder is mis gegaan. Beklaagde wil aan dat verzoek niet voldoen omdat hij zich op de toekomst wil richten.
Er zijn tussen partijen concrete werkafspraken gemaakt. Die dienen in een bijstelling op het Plan van Aanpak te worden vastgelegd. Ook als zijn de afspraken niet op het juiste formulier vastgelegd, de afspraken kunnen naar het oordeel van beklaagde wel geëvalueerd worden.
Ondanks het feit dat klaagster het oneens was met de inhoud van de rapportage heeft beklaagde het concept ervan met een toelichting gestuurd naar klaagster, de casemanager en de bedrijfsarts en wel omdat hij van mening is dat de rapportage geen doel op zich is, doch slechts ondersteunend bij het inhoud geven van de re-integratie.
Ondanks het feit dat klaagster heeft aangegeven het niet eens te zijn met het concept rapport heeft beklaagde besloten om de concept rapportage definitief te maken en die op 13 februari 2009 aan de betrokkenen te sturen. Hij heeft daarbij de inschatting gemaakt dat klaagster het door beklaagde ingenomen standpunt dat hij zich uitsluitend op de toekomst richt en niet probeer te analyseren wat er mis is gegaan om dit vervolgens in het rapport op te nemen, zou begrijpen en accepteren. Beklaagde leidt dit af uit de mail van klaagster van 29 januari 2009 waarin ze schrijft: "ik denk niet dat het mijn taak is om inhoudelijk op jouw concept te reageren, maar ik wil je wel wijzen op een aantal onjuistheden, onvolledigheden en onwaarheden. Het is uiteraard aan jou te bepalen wat je hiermee doet. Tenslotte ben jij de deskundige en niet ik".
Achteraf stelt beklaagde vast dat zijn inschatting onjuist is geweest, hetgeen heeft geleid tot een aanpassing van de rapportage conform het verzoek van klaagster.

Beklaagde stelt in zijn verweerschrift niet verantwoordelijk te zijn voor de toetsing of de werkgever aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Vanuit de eisen die het UWV stelt in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter heeft beklaagde geen uitvoerig onderzoek gedaan naar de door betrokkenen in het verleden gezette stappen, maar heeft hij betrokkenen geïnformeerd over de eisen die het UWV stelt aan de werkgever in het kader van de re-integratie.

Omdat hiermee niet aan de verwachting van klaagster werd voldaan, heeft zij op andere wijze getracht om bepaalde informatie toch opgenomen te krijgen en hier is in het kader van de door haar bij de werkgever van beklaagde ingediende klacht gehoor aan gegeven.

De werkwijze van de Raad

Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige haar onderzoek binnen de in de Gedragsregels gestelde kaders heeft uitgevoerd.

De overwegingen van de Raad

De klachten

1. Beklaagde is partijdig, niet objectief en niet onafhankelijk.

Door de ontwikkeling op het gebied van sociale zekerheid, waarbij aan werkgevers een grote rol is toebedeeld bij het voorkomen en beperken van arbeidsongeschiktheid van werknemers is ook de rol en de positie van de arbeidsdeskundige veranderd. Mede in het licht van die ontwikkeling heeft de Raad in eerdere uitspraken overwogen dat het van het allergrootste belang is dat de arbeidsdeskundige zijn opdracht en onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een voor het welslagen van de opdracht noodzakelijke vertrouwensrelatie met de werknemer niet mogelijk. Alsdan vervalt de bereidheid om mee te werken aan een onderzoek resp. re-integratietraject en zal het onderzoek resp. de opdracht niet succesvol kunnen worden uitgevoerd. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen.

In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden. Doet hij dat niet, dan zal zijn handelen eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels.

De Raad is van oordeel dat de klacht gegrond is. Door in zijn (concept)rapportage ten onrechte te vermelden dat er sprake was van een Plan van Aanpak en voorts dat de gemaakte afspraken worden vastgelegd in een bijstelling van het Plan van Aanpak heeft beklaagde naar klaagster toe de schijn gewekt niet onpartijdig te zijn. Door deze onjuistheden in zijn rapportage op te nemen heeft beklaagde tenminste de schijn gewekt de onvolkomenheden in het door werkgever tot dan toe gevolgde re-integratietraject te willen verdoezelen resp. goedmaken. Zijn mededeling aan klaagster dat het vermelden in zijn rapportage van de door hem gesignaleerde onvolkomenheden in het re-integratietraject ("het buiten hangen van de vuile was") smeken is om een door het UWV op te leggen sanctie, is in dit opzicht veelzeggend.

Hoewel De Raad er begrip voor heeft dat beklaagde als arbeidsdeskundige kijkt naar zijn einddoel, t.w. volledige terugkeer in eigen werk en hij om die reden niet teveel wil terugkijken op het verleden, gaat het niet aan om onjuistheden, die de schijn van partijdigheid wekken, in zijn rapportage op te nemen. Dit klemt temeer omdat beklaagde te kennen heeft gegeven zich ervan bewust te zijn dat zijn rapportage mogelijkerwijze ook bij het UWV terecht zou komen, waar zijn rapportage (jarenlang) een eigen leven gaat leiden.
Beklaagde heeft na een klachtprocedure van klaagster bij zijn werkgever de bereidheid heeft getoond om zijn rapportage volledig aan te passen aan de wensen van klaagster. Desalniettemin heeft beklaagde in het voortraject en in de correspondentie en contacten met klaagster door vast te houden aan het opnemen van onjuistheden in zijn rapportage de schijn van partijdigheid gewekt, waardoor het re-integratietraject dat beide partijen na hun eerste gesprek voor ogen stond, niet van de grond is gekomen.

2. Schending van de informatieplicht zoals neergelegd in Gedragsregel 1.

De arbeidsdeskundige is in beginsel verplicht om ervoor te zorgen resp. om er op toe te zien dat voor de aanvang van het onderzoek de cliënt wordt geïnformeerd over:

  • aard, doel en inhoud van het onderzoek;
  • de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten;
  • het recht om het onderzoek te weigeren, waarbij de cliënt wordt gewezen op de mogelijke consequenties van een dergelijke weigering;
  • het recht om zich met een klacht te wenden tot het Registerinstituut;
  • het recht op inzage in de rapportage van het onderzoek via de opdrachtgever;

De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is.

Zo op het eerste oog is er door beklaagde gehandeld in strijd met deze Gedragsregel omdat het duidelijk is dat beklaagde in zijn eerste met klaagster gevoerde gesprek zeker niet aan klaagster alle informatie heeft verstrekt die in deze Gedragsregel is opgesomd. De strekking van deze Gedragsregel is evenwel dat een betrokkene op een juiste wijze wordt ingelicht over de aard en het doel van de aan de arbeidsdeskundige gegeven opdracht. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld. De inhoud van de informatie en de wijze waarop die in een concreet geval wordt verstrekt, is afhankelijk van de omstandigheden en van de betrokkene. Zo zal het opleidingsniveau van een cliënt dan wel wat op dat punt redelijkerwijze van een cliënt mag worden verwacht mede bepalend zijn voor de inhoud van de verstrekte informatie en de wijze waarop die wordt verstrekt.
In de Gedragsregel wordt gesteld dat informatieverstrekking vooraf in beginsel verplicht is. Er kunnen in een concreet geval goede redenen zijn om van dat grondbeginsel af te wijken. Op welk moment de inlichtingen dus moeten worden gegeven zal dan ook afhangen van de omstandigheden van het geval.
Beklaagde heeft in zijn mondelinge verweer aangegeven dat klaagster ervan op de hoogte was dat hij zou worden ingeschakeld voor de begeleiding bij de re-integratie van klaagster naar eigen (aangepast) werk. Voordat het eerste gesprek plaats vond, waren de medische beperkingen van klaagster aan hem bekend. In het eerste gesprek heeft beklaagde vooral klaagster haar verhaal laten doen. Er is gesproken over de (tijdelijke) werkzaamheden die klaagster op dat moment verrichtte, over haar beperkingen, maar vooral over haar mogelijkheden om (aangepaste) werkzaamheden te verrichten.

Gelet op de aan beklaagde verstrekte opdracht, de persoon van klaagster (enthousiast en gedreven om weer aan de slag te gaan) en de omstandigheden van het geval heeft de Raad er begrip voor dat beklaagde niet direct in het eerste gesprek met klaagster alle informatie heeft verstrekt zoals die in de Gedragsregel m.b.t. de introductie en informatieplicht is voorgeschreven.

3. De aan de arbeidsdeskundige verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld. Hij maakt hiervan slechts gebruik voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de aan hem verstrekte opdracht.

De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is.

De deskundigheid van de arbeidsdeskundige en de zorgvuldigheid die hij als arbeidsdeskundige in acht heeft te nemen leiden ertoe dat hij op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen rapporteert. Hij vermeldt de gronden waarop zijn conclusies berusten. In het kader daarvan is het belangrijk dat er een goed en volledig beeld bestaat van alle beperkingen van klaagster in relatie tot de belasting van het eigen (aangepaste) werk. Klaagster heeft beklaagde deelgenoot
gemaakt van een bepaalde aandoening die zeker van invloed kan zijn op de mogelijkheden van klaagster om op een bepaalde manier te moeten werken. Klaagster was ervan op de hoogte dat de arbeidsdeskundige rapportage aan haar werkgever ter kennis zou worden gebracht en heeft geen voorbehoud gemaakt ter zake het vermelden van de door haar genoemde aandoening. Het vermelden door beklaagde in zijn rapportage dat er bij klaagster sprake was van een aandoening die van invloed zou kunnen zijn bij de beroepsuitoefening van klaagster is naar het oordeel van de Raad van Toezicht dan ook niet in strijd met de hierboven vermelde Gedragsregel.

Conclusie

De Raad oordeelt de klacht van klaagster dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt, gegrond. Beklaagde heeft evenwel nadien gezorgd voor een bijstelling van zijn rapportage in de door klaagster voorgestane zin.
De Raad legt daarom een schriftelijke waarschuwing op, te geven door het Bestuur van SRA.

Aldus gewezen op 22 januari 2010