Uitspraak 22 maart 2004
Uitspraak van de Raad van Toezicht SRA op de klacht van de heer A te D, hierna te noemen klager tegen de registerarbeidsdeskundige B te C, hierna te noemen beklaagde
Bij schrijven d.d. 5 mei 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde . Deze klacht heeft betrekking op een door beklaagde in opdracht van E verricht arbeidsdeskundig onderzoek in 2001.
Na schriftelijk verweer van beklaagde heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 25 september 2003. Klager is ondanks een uitnodiging daartoe op de mondelinge behandeling niet verschenen, omdat hij confrontatie met beklaagde niet aankon. Beklaagde is wel verschenen en heeft een toelichting gegeven op de stukken. Na afloop van de zitting bleek er bij de Raad behoefte te bestaan aan kennisname van aanvullende stukken. Beklaagde heeft naar aanleiding van een verzoek van de Raad nog een aantal stukken toegezonden. Die stukken zijn aan het dossier toegevoegd en tevens in afschrift aan klager toegezonden.
Wat betreft de feiten
Klager was werkzaam als medewerker Facility Management Ondersteuning bij F en moest zijn werkzaamheden wegens arbeidsongeschiktheid staken op 28 juni 1999. Bij besluit van 8 januari 2001 zijdens de uitkeringsinstantie kwam klager in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
De arbeidsongeschiktheid werd vanwege de eerstejaars herbeoordeling opnieuw vastgesteld. Bij gelegenheid van deze beoordeling trad beklaagde als arbeidsdeskundige op.
Beklaagde diende op grond van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, die hun vertaling vonden in het belastbaarheidspatroon, de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. In het kader daarvan werden door hem ook gangbare functies geduid die klager zou kunnen uitoefenen. De beklaagde stelde vast dat het loonverlies van klager in theorie 30% bedroeg. De arbeidsdeskundige bevindingen van beklaagde werden vervolgens aan klager toegezonden.
Beklaagde heeft in het kader van de van hem verwachte arbeidskundige beoordelingen klager gezien en gesproken. Terzake een tweetal beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van klager zijn door beklaagde een tweetal rapportages opgesteld, respectievelijk gedateerd op 7 september 2000 en 5 september 2001.
Door beklaagde zijn naar aanleiding van de rapportages ook nog brieven geschreven, respectievelijk d.d. 4 september 2000 en 5 september 2001, waarin zijn onderzoeksbevindingen aan klager worden meegedeeld.
De rapportages van de arbeidsdeskundige hebben geleid tot beslissingen van de uitkeringsinstantie, besluiten waartegen klager in bezwaar en beroep is gekomen. Nadat dit bezwaar en beroep ongegrond is verklaard heeft klager bij brief van 5 mei 2003 bij de Raad een klacht ingediend tegen beklaagde.
In zijn klachtbrief van 5 mei 2003 en reactie van 27 juni 2003 verwijt klager de beklaagde een onjuiste en onprofessionele opstelling, waarbij deze zelfs agressief, beledigend, discriminerend, manipulerend en intimiderend te werk zou zijn gegaan. Daarenboven verwijt hij beklaagde onzorgvuldigheid, bevooroordeeldheid en ongeïnteresseerdheid. Met name verwijt klager de beklaagde, dat hij onvoldoende kon communiceren met beklaagde omdat die zich onvoldoende op de hoogte stelde van zijn gezondheid en handicaps. Beklaagde zou het probleem voor klager bagatelliseren.
In zijn schriftelijke verweer van 11 juni 2003 stelt beklaagde dat hij viermaal met klager heeft gesproken, te weten op 4 september 2000, op 4 en 5 september 2001 en op 20 november 2002 en dat hij naar aanleiding van die gesprekken en de overige onderzoeksactiviteiten een tweetal rapportages heeft opgesteld. Herlezing van deze rapportages brengen hem tot ontkenning van datgene waarover klager klaagt. Daarenboven stelt beklaagde, dat hij zich niet herkent in de door klager geschetste benaderingswijze van personen en cliënten, omdat hij dat in zijn visie altijd open en respectvol doet. Hij informeert en adviseert cliënten inhoudelijk en verschaft inzicht in de stappen die noodzakelijk zijn om tot een objectief en toetsbaar eindoordeel te komen. Beklaagde stelt dat hij de indruk heeft dat hij, die in het totale substraat van feiten en gegevens de laatste is die als beoordelaar van klager in het traject is opgetreden daardoor "beklaagde" is geworden.
In reactie op het verweer van beklaagde heeft klager bij schrijven van 27 juni 2003 zijn klachten nader geadstrueerd, ondersteund door een aantal producties.
Overwegingen van de Raad
De klacht behelst voornamelijk de wijze van bejegening door de arbeidsdeskundige van een aan zijn oordeel toevertrouwde cliënt.
Waar de stellingen van klager door beklaagde worden tegengesproken en
– buiten de in de procedure ingebrachte rapportages en daarop geënte brieven – geen andere bewijzen aangaande de opstelling en het handelen van van beklaagde door klager zijn aangedragen, kan de Raad zijn oordeel over de gegrondheid van de klacht slechts baseren op de ten deze relevante stukken, te weten de rapportage algemeen, de rapportage reïntegratievisie en de door beklaagde aan klager geschreven brieven.
Noch uit de stukken die aan de Raad ter kennis zijn gebracht, noch uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het de Raad gebleken, dat beklaagde zou zijn tekortgeschoten in de wijze, waarop hij klager heeft voorgelicht omtrent het doel van het door hem te verrichten onderzoek en de daarbij te hanteren methodes en instrumenten. Evenmin is gebleken dat beklaagde zich onheus, onfatsoenlijk en/of onzorgvuldig (lees agressief, beledigend, discriminerend, manipulerend, intimiderend, bevooroordeeld en ongeïnteresseerd) ten opzichte van klager zou hebben uitgelaten en/of gedragen.
Beklaagde heeft, zo blijkt uit de rapportages, ten aanzien van de vertrouwelijkheid en het wekken van verwachtingen zich niet buiten de grenzen van wat in redelijkheid van hem verlangd kan worden, begeven.
Ook de door hem gehanteerde onderzoeksmethode, de wijze van verantwoording en rapportage omtrent zijn bevindingen en het vervolgens bij brief op de hoogte stellen van klager van de onderzoeksbevindingen voldoen aan in redelijkheid daarvoor aan te leggen normen.
Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek en de wijze van benadering doelmatig geweest en is beklaagde niet getreden buiten de grenzen van zijn kunnen en de betamelijkheid die hij tijdens het onderzoek en ook nadien – bij het mededelen van zijn onderzoeksbevindingen – in acht dient te nemen. De wijze van rapporteren is zoals in redelijkheid van een registerarbeidsdeskundige mag worden verwacht.
Of een onderzoek door een andere arbeidsdeskundige tot een ander oordeel aangaande de mate van arbeidsongeschiktheid van klager zou hebben geleid kan de Raad in het bestek van de behandeling van de aan hem voorgelegde klacht niet beoordelen. Wel oordeelt de Raad aan de hand van de aan hem ter beschikking staande stukken dat beklaagde binnen het raam van de hem ter beschikking staande middelen en informatie ten opzichte van klager voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
Conclusie
De Raad is daarom van oordeel, dat de klacht van klager als ongegrond moet worden afgewezen.