Uitspraak 26 oktober 2009

Uitspraak 26 oktober 2009

Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van klager, tegen de registerarbeidsdeskundige, hierna aangeduid als beklaagde.

Procesverloop

Bij brief van 13 februari 2009 is door klager een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een door haar gemachtigde mr. drs. X, als advocaat werkzaam, ingediend verweerschrift d.d. 15 april 2009. Klager heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 12 mei 2009. Op 16 juli 2009 heeft de mondelinge behandeling van de klacht ten overstaan van de Raad van Toezicht plaats gevonden, waarbij klager en beklaagde beiden in persoon zijn verschenen en beklaagde zich heeft laten bijstaan door haar voornoemde gemachtigde.

De feiten

Klager, werkzaam als teammanager is op 7 januari 2008 uitgevallen met psychische klachten. In augustus 2008 heeft de werkgever van klager aan beklaagde, als arbeidsdeskundige werkzaam bij een Re-integratiebureau, gevraagd om ondersteuning bij het zoeken van re-integratiemogelijkheden van klager. Na een gesprek met de (nieuwe) manager van klager op 12 augustus 2008 wordt door beklaagde de volgende vraagstelling geformuleerd: is de medewerker (lees: klager) geschikt voor zijn eigen functie als teammanager of ander passend werk bij werkgever? Op 29 september 2008 richt beklaagde een verzoek aan de bedrijfsarts voor het vaststellen van de belastbaarheid/beperkingen van klager middels een expertise. Op 22 oktober 2008 en op 10 december 2008 heeft beklaagde een gesprek met klager.
Op 9 december 2008 heeft beklaagde een eerste conceptrapportage gemaakt die niet aan klager, noch aan diens leidinggevende ter kennis is gebracht. Op 12 december 2008 heeft klager aan beklaagde een assessment en een cognitieve test doen toekomen die hij gemaakt heeft ten behoeve van een tweetal functies waarvoor klager belangstelling had getoond.

In zijn mail van 12 december geeft klager verder aan dat hij de arbeidskundige rapportage, voordat die door beklaagde naar zijn werkgever zou worden doorgestuurd, met beklaagde wilde bespreken. Op 16 december 2008 laat de bedrijfsarts weten dat hij op basis van een door hem op 2 december 2008 bij klager verricht onderzoek tot de conclusie komt dat er bij klager geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek.
Bij mailbericht van 17 december 2008 stuurt beklaagde haar conceptrapportage van 9 december 2008, waarin zij melding maakt van het oordeel van de bedrijfsarts, toe aan klager en aan diens leidinggevende. Zij vermeldt dat zij, ondanks dat er sprake is van volledig herstel, gemeend heeft toch een advies te geven.
Op 18 december 2008 stuurt klager een mailbericht naar beklaagde waarin hij zich beklaagt over het feit dat zij de concept rapportage zonder die eerst met hem te bespreken, heeft doorgestuurd naar zijn leidinggevende. Hij geeft voorts aan dat de conceptrapportage onvolledig is en onjuiste informatie bevat. Bovendien geeft hij aan dat een verdere beoordeling van beklaagde achterwege had moeten blijven nu er sedert 2 december 2008 geen sprake meer was van ziekte of gebrek. Klager stelt dat door het bovenstaande te negeren beklaagde naar een uitkomst toe redeneert.
Op 5 januari 2009 stuurt beklaagde aan klager een e-mailbericht waarin ze aangeeft dat ze de opmerkingen van klager zorgvuldig heeft doorgenomen. Ze heeft in twee vorige gesprekken aan klager duidelijk aangegeven dat het rapport naar de leidinggevende van klager gaat en dat de leidinggevende het rapport met klager zal bespreken. Om klager tegemoet te komen heeft beklaagde er een concept status aan gegeven zodat klager de mogelijkheid had om er op te reageren. Beklaagde stelt in haar e-mail van 5 januari 2009 geen toestemming van klager nodig te hebben om aan diens leidinggevende te rapporteren.
Beklaagde geeft aan dat zij door de leidinggevende is ingeschakeld als re-integratiedeskundige omdat er sprake was van arbeidsongeschiktheid. Er is een sterkte/zwakte analyse ingezet om richting te geven aan het traject. De conclusie van beklaagde naar aanleiding van de test en de bevindingen van de bedrijfsarts luidt dat klager niet ongeschikt is voor zijn functie op grond van ziekte en gebrek. Het is verder aan de leidinggevende om te beoordelen of klager op andere gronden dan ziekte of gebrek functieongeschikt is. Het is aan de ontvangende partij om te beoordelen of de uit de test naar voren komende leidinggevende kwaliteiten – overigens blijkt uit de test van een gemiddeld HBO-niveau – volstaan voor het uitoefenen van de eigen functie. Tot slot voegt beklaagde het definitieve adviesrapport bij.

De klachten

Kort en zakelijk samengevat zijn de klachten:

1. De rapportage van beklaagde is ondoelmatig; nu er sedert 2 december 2008 geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte of gebrek houdt de noodzaak tot een arbeidsdeskundig onderzoek naar re-integratie eigen werk op;
2. Schending van de privacy; beklaagde citeert in haar rapport vrijelijk uit eerdere Arborapportages, terwijl klager aan beklaagde nimmer toestemming heeft gegeven tot het inzien van zijn medische gegevens;
3. De rapportage wordt onzorgvuldig geacht en is van onvoldoende deskundig niveau; het arbeidsverleden is incorrect opgesteld terwijl een door klager ingebracht cognitief onderzoek door beklaagde als irrelevant is geduid; beklaagde heeft een oordeel over het toekomstig functioneren van klager zonder dat zij de beschikking heeft over een FML;

Het verweer

Beklaagde voert in grote lijnen het volgende verweer.

Algemeen: het doel van de functie van beklaagde is het bevorderen en borgen van de kwaliteit van de uitvoering op het gebied van re-integratie en het ondersteunen van het management en medewerkers bij complexe re-integratievraagstukken met betrekking tot werkhervatting in eigen of andere passende arbeid binnen of buiten de organisatie. In haar functie kan beklaagde gevraagd of ongevraagd advies en ondersteuning geven bij de re-integratie van arbeidsongeschikte medewerkers van de organisatie.

Ten aanzien van punt 1: klager miskent dat niet hij, doch zijn leidinggevende de opdracht tot het onderzoek heeft gegeven. Van de re-integratiedeskundige wordt verwacht dat het adviestraject zorgvuldig wordt afgerond, tenzij de opdracht voortijdig wordt ingetrokken. Het feit dat de bedrijfsarts vast stelt dat er geen sprake is van ziekte of gebrek, betekent niet dat er geen rol meer is weggelegd voor de re-integratiedeskundige.

Ten aanzien van punt 2: beklaagde mag bij het opstellen van haar rapportage uitgaan van de aan haar door haar opdrachtgever verstrekte (medische) informatie, tenzij haar aanstonds duidelijk zou zijn dat die informatie op onrechtmatige wijze is verkregen. Klager was volledig op de hoogte van de procedure en heeft hiermee ook ingestemd.

Ten aanzien van punt 3: beklaagde heeft haar rapportage opgesteld in overeenstemming met de gedragsregels van het SRA. Ze heeft in overleg met klager de procedure bepaald, met welke procedure klager heeft ingestemd. De rapportage is opgesteld op basis van de sterkte/zwakte analyse die is uitgevoerd en voorts op basis van de door de bedrijfsarts verstrekte informatie. De methode van onderzoek strookt met de algemene normen van fatsoen. Voor zover de rapportage onzorgvuldig zou zijn dan wel incorrect en/of van een onvoldoende niveau stelt beklaagde zich primair op het standpunt dat die klachten buiten het beoordelingskader van de Raad van Toezicht vallen, aangezien de Raad van Toezicht slechts het ad-handelen toetst aan de hand van de gedragsregels. De Raad van Toezicht onthoudt zich in beginsel dan ook van commentaar op de inhoud van een arbeidskundige rapportage.
Subsidiair geeft beklaagde aan dat er in de rapportage sprake is van een schrijffout, dat het onderzoek waarop klager zich beroept is geschreven voor een ander doel dan thans aan de orde is, terwijl het ontbreken van een FML te wijten is aan de bedrijfsarts die het opstellen daarvan niet aan de orde vond omdat er geen beperkingen waren ten opzichte van normaal functioneren.

Reactie van klager op verweer van beklaagde

Bij brief van 12 mei 2009 heeft klager gereageerd op het verweer van beklaagde.
– klager kan zich niet herinneren dat beklaagde hem heeft gewezen op de interne klachtprocedure. Klager verwijst nogmaals naar zijn mail van 12 december 2008 waarin hij vraagt om afstemming. Beklaagde heeft evenwel de rapportage aan de leidinggevende doorgestuurd zonder aan dat verzoek gehoor te geven.
– ten onrechte is er gesteld dat klager een conflict zou hebben met zijn leidinggevende en dat dit de oorzaak van zijn uitval vormde. Van een arbeidsconflict was geen sprake.
– uit het onderzoek bleek dat er geen sprake was van ziekte, gebrek of psychopathologie. Daarmee was het onderzoek afgerond.
– de sterkte/zwakte analyse is een momentopname tijdens de ziekte.

Dat onderzoek is dus niet representatief voor het functioneren van iemand onder normale omstandigheden en alleen bedoeld om vast te stellen of er sprake is van ziekte of gebrek. Doordat beklaagde het arbeidsverleden van klager niet zorgvuldig heeft beoordeeld, heeft zij onjuiste conclusies getrokken.
– beklaagde heeft het commentaar van klager op haar concept rapportage niet volledig verwerkt en niet gemotiveerd aangegeven waarom ze dat niet heeft gedaan.
– zonder FML kan beklaagde geen arbeidsdeskundige conclusies trekken, zeker nu de arts geen ziekte of gebrek vast stelt. Als aan de functie van teammanager boven normale eisen worden gesteld zal de arbeidsdeskundige zonder medisch substraat daar geen conclusies aan kunnen en mogen verbinden.
– er is alleen toestemming aan de bedrijfsarts gegeven tot het inzien van de rapportage van het ingestelde onderzoek, niet aan beklaagde.
– in de rapportage staan een aantal onzorgvuldigheden die niet kunnen worden afgedaan als een verschrijving. Beklaagde doet tevergeefs een poging om onzorgvuldige rapportering te bagatelliseren.
– de door klager ingebrachte cognitieve test betrof een nog steeds valide neutraal onderzoek. Het had op de weg van beklaagde gelegen om met de bedrijfsarts te overleggen over de oorzaak van de discrepantie tussen de bevindingen uit de cognitieve test en die uit de later opgemaakte sterkte/zwakte analyse.

Klager handhaaft zijn klacht dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld en gerapporteerd. Zij heeft arbeidsdeskundige conclusies getrokken zonder medische onderbouwing.

De werkwijze van de Raad

Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige haar onderzoek binnen de in de Gedragsregels gestelde kaders heeft uitgevoerd.

De overwegingen van de Raad

Algemeen

Naar het oordeel staat, o.a. naar hetgeen door partijen naar voren is gebracht tijdens de mondelinge behandeling, het navolgende vast.
Er zijn tussen klager, diens leidinggevende, beklaagde en de bedrijfsarts in wisselende samenstelling diverse gesprekken gevoerd. Duidelijk is geworden dat de bedrijfsarts in FML termen geen beperkingen zag ten aanzien van normaal functioneren van klager, waardoor geen FML is opgesteld. Omdat aan het functioneren als leidinggevende bovennormale eisen worden gesteld, bijv. ten aanzien van conflicthantering en het werken onder druk bleef evenwel de vraag bestaan of klager weer functiegeschikt zou zijn. De bedrijfsarts adviseert o.a. een expertise te laten verrichten om vast te stellen of er sprake is van ziekte/gebrek of specifieke persoonskenmerken.
Op 22 oktober 2008 heeft beklaagde een gesprek met klager en diens leidinggevende waarbij de inzet van een expertise met betrekking tot de mogelijkheden in arbeid ter sprake komt. Er wordt met instemming en medewerking van klager gekozen voor het laten uitvoeren van een onderzoek door de "Y"-Groep en de inzet van een sterkte/zwakte analyse.
Op 2 december 2008 heeft klager het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts rapporteert dat uit het gesprek met betrokkene en de gegevens van de sterkte/zwakte analyse van de "Y"-Groep naar voren komt dat er geen sprake (meer) is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek. Volledige hersteld melding is dan ook aan de orde per 2 december 2008. Blijkens de rapportage van de bedrijfsarts is klager over het advies geïnformeerd.
Beklaagde heeft de rapportage van de 'Y"-Groep op 9 december 2008 ontvangen. Op 10 december 2008 heeft beklaagde een gesprek gehad met klager en diens leidinggevende. In dit gesprek zijn de bevindingen van de 'Y"-Groep besproken. Door beklaagde is toen aangegeven dat uit de analyse bleek dat klager over een krap werk- en denkniveau beschikt.
Op 11 december 2008 heeft klager de beschikking gekregen over de rapportage van de "Y"-Groep.
Op 12 december 2008 schrijft klager een e-mail aan beklaagde met een tweetal bijlagen, t.w. een assessment en een cognitieve test. Klager wijst er op dat hij in de bijgevoegde tests heel anders scoor dan in de "Y"-test, t.w. op HBO-niveau. Hij geeft aan sinds 1990 op HBO-niveau te werken.

Klager eindigt zijn mail met de mededeling dat hij de rapportage van beklaagde eerst met haar wenst te bespreken voordat die wordt doorgestuurd.
Eerst op 16 december 2008 schrijft de bedrijfsarts aan de leidinggevende van klager een brief over diens hersteld melding per 2 december 2008.
Op 17 december doet beklaagde per e-mail haar concept re-integratieadvies toekomen aan klager en diens leidinggevende. Klager en diens leidinggevende krijgen de gelegenheid om eventuele onjuistheden en aanvullingen aan beklaagde te richten, waarna zij de rapportage definitief zal maken. Beklaagde vermeldt in haar e-mailbericht van 17 december 2008 dat zij gemeend heeft toch een advies te geven ondanks dat er sprake is van volledig herstel van klager.

De klachten

1. De rapportage van beklaagde is ondoelmatig; nu er sedert 2 december 2008 geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte of gebrek houdt de noodzaak tot een arbeidsdeskundig onderzoek naar re-integratie eigen werk op;

De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Hoewel er sedert 2 december 2008 niet langer sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische gronden, kan de mogelijkheid zich voordoen dat er wellicht sprake is van ongeschiktheid op andere gronden waardoor er op termijn wellicht opnieuw sprake zal zijn van uitval op medische gronden. Omdat aan het functioneren van klager bovennormale eisen worden gesteld, bleef de vraag, ondanks de geschiktheid op medische gronden voor normaal functioneren van klager, bestaan. Het daarnaar ingestelde onderzoek is volledig met instemming en medewerking van klager verricht.
De Raad oordeelt de klacht temeer als ongegrond nu klager op 2 december 2008 door de bedrijfsarts op de hoogte was gesteld van diens oordeel dat er sprake was van een volledige hersteld melding en klager ook na die datum, terwijl hij daartoe alle gelegenheid en mogelijkheden had, geen enkel bezwaar heeft geuit tegen het opstellen en uitbrengen van een arbeidskundige rapportage door beklaagde.

Noch in het met hem gevoerde gesprek op 10 december 2008 (in welk gesprek beklaagde de bevindingen uit de Sterke/Zwakte analyse met klager heeft besproken), noch in zijn e-mailbericht aan beklaagde van 12 december 2008 (verstuurd op een datum waarop klager reeds zelf in het bezit was van de analyse van de "Y"-Groep en waaruit tevens blijkt dat beklaagde de bevindingen daaruit op 10 december 2008 met klager heeft besproken) stelt klager zich op het standpunt dat het uitbrengen van een arbeidskundig rapport ondoelmatig is en beklaagde deswege haar werkzaamheden dient te staken. Integendeel, klager gaat zelf ook uit van een voortzetting door beklaagde van haar werkzaamheden, o.a. bestaande uit het opstellen door beklaagde van een arbeidskundig rapportage, waarvan hij slechts mededeelt dat hij de rapportage, voordat die wordt uitgebracht aan zijn leidinggevende, eerst met beklaagde wenst te bespreken.

2. Schending van de privacy; beklaagde citeert in haar rapport vrijelijk uit eerdere Arborapportages, terwijl klager aan beklaagde nimmer toestemming heeft gegeven tot het inzien van zijn medische gegevens;

De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is.
Het geven van een oordeel over belastbaarheid resp. re-integratiemogelijkheden moet de arbeidsdeskundige baseren op een door een medicus opgestelde omschrijving van de belastbaarheid c.q. op een beperkingenpatroon. Ontbreekt die dan zal de arbeidsdeskundige zich moeten verlaten op andere voorhanden zijnde medische gegevens. Gelet op de door de werkgever van klager aan beklaagde gegeven opdracht – aan de uitvoering waarvan ook klager zijn volle medewerking heeft verleend – mocht van beklaagde dus verwacht worden dat zij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare medische gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de (medische) beperkingen van klager. Voor het vergaren in inzien van medische gegevens over klager was naar het oordeel van de Raad geen expliciete toestemming van klager nodig. Beklaagde heeft voor het verkrijgen van de benodigde medische gegevens terecht contact opgenomen met de bedrijfsarts die op haar beurt – zonder daarvoor toestemming aan klager te hebben gevraagd – beklaagde van de benodigde medische informatie heeft voorzien. De aan beklaagde ter beschikking gestelde medische gegevens waren dus voor het uitvoeren van de aan haar verstrekte opdracht, strekkende o.a. tot de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden van klager in eigen werk, noodzakelijk.

Daarbij tekent de Raad aan dat beklaagde van de juistheid van de aan haar verstrekte medische gegevens mocht uit gaan, tenzij haar aanstonds op het eerste gezicht zou zijn gebleken dat de medische informatie over klager onrechtmatig werd verkregen.

3. De rapportage wordt onzorgvuldig geacht en is van onvoldoende deskundig niveau; het arbeidsverleden is incorrect opgesteld terwijl een door klager ingebracht cognitief onderzoek door beklaagde als irrelevant is geduid; beklaagde heeft een oordeel over het toekomstig functioneren van klager zonder dat zij de beschikking heeft over een FML;

De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is.
De Raad van Toezicht beoordeelt of het handelen dan wel nalaten van een arbeidsdeskundige in strijd komt met algemene normen van fatsoen, zorgvuldigheid en deskundigheid die jegens een betrokkene in acht genomen dienen te worden en voorts is het klachtreglement van toepassing bij inbreuken door de arbeidsdeskundige op de gedragsregels en ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk arbeidsdeskundige niet betaamt.
De deskundigheid van de arbeidsdeskundige en de zorgvuldigheid die hij als arbeidsdeskundige in acht heeft te nemen leiden ertoe dat hij op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen rapporteert. Hij vermeldt de gronden waarop zijn conclusies berusten.

Voor wat betreft de door klager gesignaleerde onzorgvuldigheid van de rapportage en het onvoldoende deskundige niveau daarvan brengt de Raad nogmaals onder de aandacht dat de Raad het handelen van de arbeidsdeskundige toetst aan de hand van de Gedragsregels. In beginsel onthoudt de Raad zich van commentaar op de inhoud van de arbeidskundige rapportage, tenzij vastgesteld wordt dat de rapportage niet voldoet aan de in de Gedragsregels vastgelegde uitgangspunten en beginselen, zoals die hiervoor zijn genoemd. Gelet op de inhoud van de rapportage alsmede op de door beklaagde aan klager geboden mogelijkheid om de concept rapportage van commentaar te voorzien, is de Raad niet gebleken van de onzorgvuldigheid en van het ondeskundig niveau dat klager de arbeidskundige rapportage toedicht.

Voor zover klager van mening is dat beklaagde zich onzorgvuldig jegens hem heeft gedragen vanwege het negeren door haar van zijn "eis" om de concept rapportage met beklaagde te bespreken voordat die door beklaagde naar zijn leidinggevende zou worden doorgestuurd, miskent klager – nu hij geen opdrachtgever was van beklaagde – dat er geen rechtsgrond was voor zijn "eis" tot voorbespreking van de rapportage.

Hoewel het uit communicatief oogpunt wellicht beter ware geweest indien beklaagde de concept rapportage in een persoonlijk onderhoud met klager had besproken alvorens over te gaan tot het uitbrengen van een definitief rapport, heeft beklaagde de eis tot voorbespreking echter mogen negeren zonder daarmee in strijd te handelen met de Gedragsregels.

Conclusie

De Raad oordeelt de klachten van klager ongegrond.