Uitspraak 27 februari 2009

Uitspraak 27 februari 2009

Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van klaagster, tegen de registerarbeidsdeskundige, hierna aangeduid als beklaagde.

Procesverloop

Bij brief van 2 juni 2008 is door klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een verweerschrift d.d. 29 augustus 2008. Klaagster heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 7 oktober 2008. Op de uitnodiging tot het bijwonen van een hoorzitting heeft beklaagde laten weten daarop geen prijs te stellen. In reactie daarop heeft klaagster de Raad laten weten in dat geval ook te willen af zien van een mondelinge behandeling onder het gelijktijdige verzoek de zaak verder schriftelijk af te handelen.

De feiten

Bij klaagster is een werknemer in dienst die op 7 mei 2005 is uitgevallen met psychische klachten. Naar het oordeel van de bedrijfsarts van klaagster zijn de klachten structureel. In het kader van haar verplichtingen tot reïntegratie is de arbeidsdeskundige van klaagster op advies van de bedrijfarts en de verzuimcoördinator op 1 april 2008 gestart met een arbeidsdeskundig onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van de betrokken werknemer bij de eigen werkgever en daarbuiten (het tweede spoor). Het arbeidsdeskundig onderzoek werd uitgevoerd op basis van een functionele mogelijkhedenlijst die de bedrijfsarts in samenspraak met de betrokken werknemer had opgesteld.
In het voorlaatste gesprek dat de werknemer had met de arbeidsdeskundige gaf de werknemer te kennen het niet eens te zijn met de door de bedrijfsarts opgestelde functionele mogelijkhedenlijst. De werknemer heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.

De arbeidsdeskundige van klaagster heeft daarop aan de werknemer medegedeeld dat de arbeidsdeskundige beoordeling zou worden opgeschort tot de uitslag van het deskundigenoordeel was ontvangen.
Beklaagde had tot taak om als medewerker UWV een onderzoek in te stellen vanwege en vervolgens te rapporteren over het deskundigenoordeel. Zij heeft daartoe telefonisch contact gehad met de werknemer op 23 april 2008 en op 6 mei 2008. Met werkgever is er telefonisch contact geweest op 22 april 2008 en ook op 6 mei 2008. Op dezelfde datum heeft beklaagde telefonisch contact gehad met de arbeidsdeskundige van klaagster en op 28 april 2008 heeft zij telefonisch contact gehad met de verzekeringsarts van het UWV. Op 8 mei 2008 heeft zij haar rapportage opgesteld. Beklaagde beantwoordt in haar rapportage de vraag of de opgeëiste arbeid (een administratieve of receptiefunctie) passend te achten is voor werknemer. Uit de FML van de verzekeringsarts van 29 april 2008 leidt beklaagde af dat werkneemster geschikt te achten is voor werk dat een bekende werkwijze heeft en waarin het duidelijk is wat er van haar wordt verwacht. Binnen het bedrijf van klaagster acht zij voldoende mogelijkheden aanwezig voor administratieve werkzaamheden. Op de site van klaagster worden verschillende administratieve functies aangeboden. Beklaagde komt in haar rapportage tot de conclusie dat de door werknemer opgeëiste arbeid passend is te achten.

De klachten

Kort en zakelijk samengevat zijn de klachten:

1. Oncollegiaal handelen ten opzichte van een collega register arbeidsdeskundige;
2. Onzorgvuldig verrichten van arbeidsdeskundig onderzoek;
3. Niet beargumenteren hoe beklaagde tot haar oordeel is gekomen dat er sprake zou zijn van passend werk bij eigen werkgever;

Toelichting op de klachten

Ad 1. De arbeidsdeskundige van klaagster had zijn arbeidsdeskundig onderzoek nog niet afgerond nu werknemer te kennen had gegeven het niet eens te zijn met de door de bedrijfsarts opgestelde FML. De arbeidsdeskundige van klaagster heeft eigener beweging contact opgenomen met beklaagde en aan beklaagde een aantal functiebelastingprofielen, opgesteld door arbeidsanalisten van het UWV, aangeboden. Beklaagde heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Beklaagde heeft haar oordeel over de aanwezigheid van passende functies gebaseerd op tekst bij vacatures op de website van klaagster. Beklaagde heeft willens en wetens het nog niet afgeronde onderzoek van de bedrijfsarbeidsdeskundige doorkruist en verwijst ten onrechte naar diens conceptrapport dat geen enkele status heeft. Beklaagde heeft de bedrijfsarbeidsdeskundige niet uit eigen beweging over haar beoordeling passend werk bij de eigen werkgever ingelicht, hoewel zij wist hoe hij bereikbaar was. Beklaagde heeft de Gedragsregels met betrekking tot collegialiteit ten opzichte van een collega-arbeidsdeskundige overtreden.

Ad 2. Beklaagde heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar aangeboden functiebelastingprofielen en zij heeft haar oordeel gebaseerd op een vacaturetekst, die niets over de belasting in het werk zegt. Ze heeft geen zorgvuldig onderzoek naar de belasting in deze functies gedaan. Omdat er veel vacatures op de website staan, heeft beklaagde aangenomen dat er passende functies voor werknemer bij haar eigen werkgever beschikbaar zijn. Dat is een aanname die niet op een zorgvuldig onderzoek naar de belasting in deze functies is gebaseerd.

Ad 3. Beklaagde heeft op geen enkele manier in haar rapportage beargumenteerd waarom zij de genoemde functies passend acht.

Het verweer

Beklaagde voert in grote lijnen het volgende verweer.

Algemeen: klaagster heeft dezelfde klacht reeds eerder ingediend bij het UWV, de werkgever van beklaagde. Het UWV heeft de klacht behandeld en ongegrond verklaard.

Punt a) Beklaagde heeft het conceptrapport gelezen. Zij heeft overleg gevoerd met de werkgever. Het op initiatief van de bedrijfsarbeidsdeskundige gevoerde telefoongesprek was voor het onderzoek voldoende. De grondslag van het onderzoek in het kader van de aanvraag deskundigenoordeel blijft de werknemer die reïntegratiekansen zag bij haar werkgever.

Punt b) Klaagster is kennelijk niet goed op de hoogte hoe een aanvraag deskundigenoordeel aangaande passende arbeid wordt uitgevoerd. In antwoord op de mededeling van de bedrijfsarbeidsdeskundige dat beklaagde zijn werk over deed – hij had immers reeds onderzoek gedaan naar de passendheid van verschillende functies – heeft beklaagde aan klaagster het volgende medegedeeld:
"Bij een aanvraag van een werknemer die passende arbeid op eist bij de eigen werkgever, is het mijn taak als arbeidsdeskundige van het UWV om te beoordelen of de reden die de werkgever op advies van de ingehuurde arbeidsdeskundige opvoert, terecht is en of er deugdelijk gemotiveerd wordt dat er geen passend werk bij de eigen werkgever aanwezig is".
Naar het oordeel van beklaagde was het bovenstaande onvoldoende gedaan door de bedrijfsarbeidsdeskundige in diens concept rapport. Beklaagde baseert zich in haar onderzoek op de gegevens die op het moment van de aanvraag voorhanden zijn, waaronder het concept rapport van de bedrijfsarbeidsdeskundige. Dat nu wordt aangevoerd dat het slechts een concept betrof doet niets af aan het feit dat het rapport door klaagster gebruikt werd als argument dat er voor werknemer geen passend werk zou zijn binnen de eigen organisatie.

Punt c) De bedrijfsarbeidsdeskundige noemt de door werknemer opgeëiste functies wel in zijn rapportage, maar hij meent dat die niet passend zijn omdat die functies teveel deadlines en productiepieken kennen. De bedrijfsarbeidsdeskundige benoemt echter nergens de aard en frequentie van een deadline dan wel productiepiek. Aldus is er sprake van een onvoldoende onderbouwing van de niet passendheid van de twee opgeëiste functies.
Het is niet de taak van beklaagde om het werk van de bedrijfsarbeidsdeskundige over te doen, maar wel dat beklaagde met hulp van een verzekeringsarts, gaat toetsen of het voor werknemer, gelet op haar beperkingen, onmogelijk is om passend werk bij de eigen werkgever te verrichten. Daarbij heeft beklaagde het concept rapport van de bedrijfsarbeidsdeskundige als uitgangspunt genomen en bekeken of er voldoende arbeidsdeskundig onderzoek is gedaan. Het gaat dan met name om de onderbouwing van de niet passendheid van opgeëiste functies op basis van een weging van belastbaarheid en belasting in de functies. Deze weging ontbreekt.

Reactie van klaagster op verweer van beklaagde

Bij brief van 7 oktober 2008 heeft klaagster gereageerd op het verweer van beklaagde. Klaagster vraagt aandacht voor een tweetal punten.
– Nu het deskundigenoordeel kennelijk een vraag naar passendheid van werk betrof, had het op de weg van beklaagde gelegen om eigener beweging contact op te nemen met de betrokken arbeidsdeskundige van het primaire onderzoek;
– Beklaagde heeft de functie van receptioniste/telefoniste passend geacht, terwijl uit een vergelijking van de FML van de verzekeringsarts van het UWV en de belasting in de functie, zoals opgesteld door de arbeidsanalist van het UWV, blijkt dat deze functie niet passend is op de belastingpunten deadlines/productiepieken, conflicthantering….;

De werkwijze van de Raad

Art. 4 van het Reglement van de Raad van toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige haar onderzoek binnen de in de Gedragsregels gestelde kaders heeft uitgevoerd.

De overwegingen van de Raad

Algemeen

Het feit dat de werkgever van beklaagde de door klaagster ingediende klacht ongegrond heeft verklaard, betekent niet dat de Raad niet tot een ander oordeel kan komen. Het UWV hanteert immers een procedurele, marginale toetsing – is er strikt genomen voldaan aan de procedurevoorschriften – terwijl toetsing van het arbeidsdeskundig handelen aan de Gedragsregels een volle toetsing oplevert.

De klachten
Oncollegiaal handelen
De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Beklaagde heeft een eigenverantwoordelijkheid met betrekking tot de wijze waarop zij het onderzoek in het
kader van een deskundigenoordeel inricht en uitvoert.

Terecht stelt beklaagde dat zij bij haar onderzoek uitgaat van de op het tijdstip van de aanvraag voorhanden zijnde gegevens, waaronder de concept rapportage van haar collega. Daarbij diende beklaagde zich er uiteraard van bewust te zijn dat deze concept rapportage van de bedrijfsarbeidsdeskundige was gebaseerd op de door de bedrijfsarts opgestelde FML met de inhoud waarvan werknemer het kennelijk oneens was. Het feit dat beklaagde tot de
conclusie is gekomen dat er bij klaagster voor werknemer passende functies aanwezig waren, maakt niet dat haar handelen als oncollegiaal ten opzichte van de bedrijfsarbeidsdeskundige dient te worden bestempeld.

Onzorgvuldig verrichten van arbeidsdeskundig onderzoek en onvoldoende beargumenteren door beklaagde hoe zij tot haar oordeel is gekomen dat er sprake is van passend werk bij eigen werkgever

Het deskundigenoordeel kent o.a. de volgende onderwerpen: kan ik weer aan de slag gaan met mijn eigen werk? kan ik weer aan de slag gaan met mijn eigen aangepaste werk? kan ik ander werk doen in het eigen bedrijf? kan ik ander werk doen in een ander bedrijf? Bij al deze vragen gaat het om de kern van het arbeidsdeskundig handelen, namelijk om de weging van belasting in de in aanmerking komende functies ten opzichte van de belastbaarheid van werknemer. Van cruciaal belang in deze casus was derhalve dat er een beschrijving van de belastende aspecten van het eigen werk werd gegeven en verder van de belastende aspecten van de bij de eigen werkgever voorkomende functies van administratieve kracht resp. receptioniste/telefoniste. De Raad stelt vast dat in de door beklaagde opgestelde arbeidsdeskundige rapportage een adequate beschrijving van voornoemde belastende aspecten van zowel het eigen werk als van de functie receptioniste/telefoniste als ook van de administratieve functie ontbreekt. De Raad stelt vast dat beklaagde om tot haar conclusie te komen dat er bij de eigen werkgever passende mogelijkheden waren niet veel meer heeft gedaan dan de site te raadplegen van de organisatie van klaagster waarop kennelijk vacatures voorkwamen van de voornoemde functies. Dit nu strookt naar opvatting van de Raad niet met de door een arbeidsdeskundige in het kader van een uit te brengen deskundigenoordeel in acht te nemen zorgvuldigheid.

Het in acht nemen daarvan betekent naar het oordeel van de Raad dat het op de weg van beklaagde had gelegen om hoor en wederhoor toe te passen en voorts dat beklaagde een onderzoek had dienen in te stellen naar de aard van de opgeëiste functies en de belastende aspecten daarvan. Ten overvloede merkt de Raad op dat de wijze waarop beklaagde als arbeidsdeskundige inhoudelijk (lees: beargumenteerd) tot haar oordeel had dienen te komen uitvoerig is vastgelegd in o.a. art. 5 van het professioneel statuut arbeidsdeskundigen bij het UWV (lees: je moet weten wat het werk
inhoudt) en dat naar het oordeel van de Raad beklaagde niet heeft voldaan aan de eisen die in het professioneel statuut dienaangaande zijn vastgelegd.

Conclusie

De Raad concludeert op grond van het bovenstaande tot gegrond verklaring van de klacht.
De Raad is van oordeel dat beklaagde niet de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid heeft betracht bij haar vaststelling dat er bij werkgever mogelijkheden zijn om werknemer in een door haar opgeëiste functie te laten werken. Beklaagde heeft ten onrechte nagelaten een beschrijving te geven van de belastende aspecten van de bij werkgever voorkomende functies van receptioniste/telefoniste en de functie van administratief medewerker in relatie tot de belastbaarheid van de werknemer.

Sanctie

De Raad legt beklaagde als sanctie een schriftelijke waarschuwing op, uit te voeren door het Bestuur SRA. Deze uitspraak zal geanonimiseerd maar voor het overige integraal worden opgenomen in het nieuwsblad alsmede op de website van SRA.