Uitspraak 27 januari 2011

Uitspraak 27 januari 2011

Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van de heer A., wonende te B, hierna te noemen klager tegen de register-arbeidsdeskundige de heer C., te D., hierna te noemen de beklaagde.

Procesverloop

Bij brief d.d. 7 september 2010 heeft klager bij de SRA een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft bij brief d.d. 9 oktober 2010 verweer gevoerd. Bij brief d.d. 20 oktober 2010 heeft klager daarop gereageerd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Partijen zijn in persoon verschenen en hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad beantwoord.

Feiten

Klager heeft in 2008 ruim dertig jaar als leraar gewerkt op een scholengemeenschap, wanneer hij in november 2008 wordt getroffen door een hartinfarct, gevolgd door een burn-out in het voorjaar van 2009.

De re-integratie verloopt moeizaam. Klager wordt niet geschikt geacht voor zijn functie als leraar. De door hem zelf aangereikte alternatieven worden door de school afgewezen. Beklaagde krijgt opdracht van de scholengemeenschap de re-integratiemogelijkheden van klager te onderzoeken. In zijn arbeidsdeskundige rapportage d.d. 24 oktober 2009 komt hij tot de conclusie dat eigen werk niet passend is noch passend te maken is. Ook is hij van oordeel dat bij de werkgever geen ander passend werk beschikbaar is. Hij adviseert verwijzing naar een re-integratiebedrijf voor begeleiding naar ander passend werk extern.

De klachten

Klager verwijt beklaagde in strijd te hebben gehandeld met de Gedragsregel 4: Het advies van beklaagde is in strijd met het beginsel van rechtvaardigheid.

Tevens heeft beklaagde geweigerd het commentaar van klager in zijn rapportage op te nemen, namelijk dat zijn werkgever z.i. onvoldoende re-integratie inspanningen had verricht.

Het verweer

De door de bedrijfsarts van de scholengemeenschap opgestelde FML was niet actueel. Na overleg met klager heeft beklaagde de bedrijfsarts per email verzocht de FML te actualiseren. Dat is gebeurd. Op basis van die geactualiseerde FLM bleken er nog geen passende functies voor klager voorhanden te zijn, gelet op de forse beperkingen van klager.

Om die mogelijkheden te onderzoeken heeft hij twee gesprekken gevoerd met klager én met de werkgever.

In zijn rapportage heeft hij benadrukt dat het om een momentopname gaat. Hij heeft zelfs geconcludeerd dat er in de toekomst weer passende mogelijkheden voor klager binnen de school zouden zijn, op het moment dat zijn belastbaarheid verbetert.

De vermelding van klagers grieven met betrekking tot de re-integratie vielen buiten zijn opdracht.

Overwegingen van de Raad

De klacht is ingediend vóór 1 oktober 2010, de datum waarop de nieuwe Gedragsregels SRA in werking traden. Gelet op de getroffen overgangsregeling zal de Raad de klachten beoordelen aan de hand van de Gedragsregels zoals deze tot 1 oktober 2010 golden.

Klager heeft zijn klacht gemotiveerd met een beroep op de Gedragsregels zoals die ná 1 oktober 2010 zijn gaan gelden. De Raad hoeft zich niet te beperken tot de door klager aangegeven schending van de Gedragsregels en zal daarom de voorgelegde casuspositie zelfstandig beoordelen aan de hand van de "oude" Gedragsregels SRA.

De Raad kan beklaagde nageven dat hij op grond van de Gedragsregels niet klakkeloos is uitgegaan van de 9 maanden oude FML. Tevens kan de Raad beklaagde volgen in zijn stelling dat de nieuwe FML strikt genomen tot het oordeel moest leiden dat klager ongeschikt was voor leidinggevende functies en functies als bijvoorbeeld decaan binnen de scholengemeenschap, zoals klager had voorgesteld.

De bedrijfsarts heeft echter eveneens aangegeven dat op korte termijn een sterke verbetering van de belastbaarheid mogelijk was .Beklaagde heeft daarmee niets gedaan. De Raad is van oordeel dat het op de weg van beklaagde gelegen had om onder die omstandigheden wederom met de bedrijfsarts in overleg te treden over wat hij daarmee precies bedoelde, in het bijzonder hoe lang deze niet aan te geven korte termijn was. Pas dan zou hij een helder oordeel hebben kunnen vormen over de re-integratiekansen van klager bij eigen werkgever. Desnoods had hij zijn oordeel enige tijd moeten opschorten. Gelet op het uiterst ongelukkige re-integratieverloop tot dan toe was daarvoor alle aanleiding. Door dit na te laten heeft hij de belangen van klager ernstig geschaad.

De omstandigheid dat beklaagde in de conclusie van zijn rapportage heeft aangegeven, dat er in de toekomst weer passende mogelijkheden voor klager binnen de school zouden zijn, op het moment dat zijn belastbaarheid verbetert, acht de Raad niet voldoende en niet goed verenigbaar met zijn advies om een traject te volgen tot re-integratie elders. Beklaagde moest weten dat met een dergelijk advies de kans op re-integratie binnen de scholengemeenschap, waar klager ruim dertig jaar had gewerkt, slechts een theoretische was.

Het is niet ongebruikelijk om kort het standpunt van de cliënt te vermelden t.a.v. zijn re-integratie een rapportage dat over die re-integratiemogelijkheden gaat. De weigering om de grief van klager in zijn rapport op te nemen was daarom niet nodig geweest. Beklaagde heeft voor die weigering als argument aangevoerd dat "een arbeidsdeskundige die dit wel doet de objectiviteit van het onderzoek schaadt en niet meer door een opdrachtgever zal worden ingeschakeld."

Daarmee heeft beklaagde de schijn van partijdigheid op zich geladen met als logisch gevolg dat klager geen vertrouwen meer had in de objectiviteit van beklaagde.

Conclusie

Beklaagde heeft in strijd met de zorgvuldigheid gehandeld door zijn opdracht af te ronden zonder zich opnieuw met de bedrijfsarts te verstaan.

Beklaagde heeft de schijn van partijdigheid op zich geladen met hierboven omschreven motivering van zijn afwijzing het standpunt van klager in zijn conclusie te verwoorden.

Sanctie

De Raad legt beklaagde daarom als sanctie een waarschuwing op.