Uitspraak 28 februari 2011
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen op de klacht van klaagster, tegen de arbeidsdeskundige, hierna te noemen beklaagde. Procesverloop Bij brief d.d. 28 september 2010 richt klaagster zich tot de SRA met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige betrokken bij haar re-integratietraject bij haar werkgever. Beklaagde heeft daarop, na herhaald uitstel, bij brief d.d. 9 december 2010 schriftelijk verweerd. Klaagster heeft daarop bij brief d.d. 12 januari 2011 gerepliceerd. De mondelinge behandeling van de Raad van Toezicht vond plaats op 15 februari 2011. Zowel klaagster als beklaagde hebben bij die gelegenheid hun standpunt nader toegelicht en vragen van de Raad beantwoord. Korte samenvatting van de feiten Klaagster, van beroep advocaat, heeft in september 2004 een auto-ongeluk gehad. Vanaf september 2006 kreeg zij aanspraak op een WGA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 65-80 %. Dit heeft niet tot een uitkering geleid, omdat zij is blijven doorwerken. Per 1 april 2008 treedt zij bij de huidige werkgever in dienst als advocaat voor 30 uur per week. Op 21 september 2009 valt zij uit i.v.m. een “bore-out”, omdat zij te weinig werk omhanden had. Deze omstandigheid had al enkele tijd tot collegiale spanningen geleid. Beklaagde heeft in januari 2010 van de werkgever opdracht gekregen een aantal personeeldossiers te onderzoeken om te bezien of daarin nog subsidiemogelijkheden resp. uitkeringsmogelijkheden waren. Dat is naar zijn zeggen zijn eigenlijke beroep. Tot die dossiers behoorde ook dat van klaagster. Met die invalshoek heeft hij onderzocht of klaagster in aanmerking kwam voor een uitkering met terugwerkende kracht op grond van de Ziektewet resp. de WAO. Een toekomstige beperking van de loonkosten van de werkgever was z.i. slechts mogelijk, indien voor klaagster het re-integratietraject bij eigen werkgever zou worden afgesloten en klaagster voor externe re-integratie zou worden overgedragen aan het UWV. Vanuit dat perspectief heeft hij “pro deo” een onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden van klaagster uitgevoerd, waarvoor hij blijkens zijn arbeidsdeskundige rapportage d.d. 25 mei 2010 een -aanvullende – opdracht heeft gekregen. Beklaagde komt in zijn rapportage tot de conclusie, dat er voor klaagster geen reële structurele mogelijkheden zijn m.b.t. een hervatting/re-integratie binnen de vestiging van werkgever, waar klaagster werkzaam was, mede in verband met de kans op snelle en herhaalde uitval, en evenmin in andere vestigingsplaatsen van de werkgever, mede vanwege de grote overschrijding van de wettelijk vastgestelde maximale afstand van 60 km woon-werkverkeer. In zijn slotconclusie stelt hij dat het uitgesloten is dat belanghebbende op korte termijn in eigen/dan wel aangepast werk kan hervatten/re-integreren; dat re-integratie spoor 1 kan worden afgesloten; dat werkgever volledig aan zijn wettelijke inspanningsverplichting heeft voldaan; dat externe re-integratie op grond van art. 30a SUWI niet verplicht is, en dat klaagster aan het UWV dient te worden overgedragen. Klaagster hervat haar werkzaamheden op 29 mei 2010, nadat de bedrijfsarts haar op 10 mei 2010 nagenoeg beperkingenvrij had verklaard. Vanaf 15 december 2010 is klaagster volledig arbeidsgeschikt verklaard door het UWV. Korte samenvatting van de klachten • Beklaagde heeft de feiten onzorgvuldig vastgesteld en daaruit verkeerde juridische conclusies getrokken. • Beklaagde is zijn rol als arbeidsdeskundige te buiten gegaan door psychische beperkingen aan te nemen, die in het medisch dossier niet zijn terug te vinden. • Beklaagde heeft zijn onderzoek niet onpartijdig/onafhankelijk verricht. Korte samenvatting van het verweer • Beklaagde had primair de opdracht een dossieronderzoek te verrichten. De arbeidsdeskundige rapportage in kwestie is “sluipend” aan de orde gekomen. • Beklaagde is door werkgever op het verkeerde been gezet, omdat deze hem onjuiste informatie heeft verschaft. Op basis van die onjuiste informatie heeft beklaagde de verkeerde juridische conclusies getrokken. De werkgever heeft ook toegegeven absoluut onjuist en incorrect jegens hem gehandeld te hebben. • Er bestond een sluimerend arbeidsconflict. Partners, medewerkers, direct leidinggevenden en de bedrijfsarts waren van mening dat werkhervatting tot herhaalde uitval zou leiden. Een situatie waarin terugkeer klip en klaar ge-contraindiceerd was. • Beklaagde betwist dat hij zijn onderzoek partijdig heeft uitgevoerd. Hij heeft klaagster uitvoerig gesproken en haar standpunt in zijn rapportage weergegeven. Overwegingen van de Raad Omdat de klacht is ingediend vóór 1 oktober 2010, heeft de Raad de klacht te beoordelen aan de hand van de Gedragsregels SRA, zoals zij tot die datum golden. Het enkele feit, dat de gebeurtenissen, nadat beklaagde op 25 mei 2010 zijn rapportage had afgesloten, kort nadien anders uitpakten dan beklaagde had voorzien, is voor de Raad op zich niet van belang. Ook het feit dat beklaagde, hoewel hij als registerarbeidsdeskundige bij het SRA is ingeschreven, in feite een ander beroep uitoefent, acht de Raad op zich niet in strijd met de Gedragsregels SRA. Het is voor de Raad evenmin een reden om het gedrag van beklaagde anders te beoordelen, indien hij op zijn rol van arbeidsdeskundige wordt aangesproken. Het onderzoek van beklaagde, waarop de klachten betrekking hebben, is naar zijn aard en presentatie onmiskenbaar een arbeidsdeskundig onderzoek. Gedaagde presenteert zich blijkens zijn rapportage als register-arbeidsdeskundige en noemt zijn onderzoek een arbeidsdeskundige rapportage (on)mogelijkheid hervatting 1-ste spoor eigen werkgever. M.b.t. tot de rapportage Klaagster heeft dienaangaande geen bezwaren kenbaar gemaakt. De Raad hoeft zich echter niet te beperken tot het door partijen aangedragen onderwerp van geschil. Uit de rapportage moet duidelijk zijn op te maken op basis van welke relevante feiten en omstandigheden de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen. Daarin passen geen verwijzingen naar andere rapportages zonder de relevante bevindingen kort aan te geven. Aan die voorwaarde voldoet het rapport d.d. 25 mei 2010 van beklaagde niet. Zo is niet duidelijk van welke medisch vastgestelde beperkingen en mogelijkheden beklaagde is uitgegaan, en door wie en wanneer deze beperkingen en mogelijkheden zijn vastgesteld. Louter verwijzingen naar gesprekken, waarbij de bedrijfsarts zou hebben gezegd dat terugkeer van klaagster binnen de vestiging de kans op herhaalde uitval serieus aanwezig is, is onvoldoende. Dat geldt nog meer ten aanzien van de door beklaagde onder het hoofdje “vastgestelde beperkingen”: “Zie medisch dossier belanghebbende bij de Arbodienst en de evaluatieverslagen van de bedrijfsarts”. Op deze manier is voor niemand na te gaan van welke beperkingen en mogelijkheden beklaagde is uitgegaan. Reeds om deze reden moet de Raad vaststellen, dat beklaagde in strijd met de Gedragsregels SRA heeft gehandeld. M.b.t. de zorgvuldigheid van onderzoek De rapportage van beklaagde bevat een groot aantal feitelijke onjuistheden. Een zorgvuldig onderzoek impliceert een verificatieplicht. Beklaagde is klakkeloos afgegaan op de door de werkgever aangevoerde deels onjuiste feiten. Hij heeft geen behoorlijk gesprek met klaagster over haar arbeidsverleden, arbeidsongeschiktheid en werkomstandigheden gehad, waarmee hij een groot aantal feitelijke onjuistheden had kunnen voorkomen. Hij heeft de vele, door klaagster schriftelijk aangedragen mogelijkheden tot re-integratie niet onderzocht. Beklaagde beschikte niet over een recent overzicht van de bedrijfsarts m.b.t. de mogelijkheden en beperkingen van klaagster. Hij heeft daar naar eigen zeggen ook niet om gevraagd. Hij heeft zelfs geen enkel overleg met de bedrijfsarts gehad noch getracht contact met hem te krijgen. Zo kon het gebeuren dat beklaagde vóór het afsluiten van zijn onderzoek op 25 mei 2010 geen kennis nam van het enkele weken eerder opgestelde rapport d.d. 10 mei 2010 van de bedrijfsarts, waarin klaagster nagenoeg geheel arbeidsgeschikt werd bevonden. De fouten in zijn rapportage kunnen daarom niet afgeschoven worden op de onjuiste, onvolledige en onzorgvuldige informatieverstrekking van zijn opdrachtgever. Deze zijn integendeel geheel toe te schrijven aan beklaagdes onzorgvuldige wijze van onderzoek. De Raad kan slechts concluderen dat beklaagde aldus handelende de zorgvuldigheidsnorm ernstig geschonden heeft. Geen onderzoek doen waarvoor de arbeidsdeskundige de deskundigheid mist In het verleden heeft de Raad zich over deze Gedragsregel meer dan eens uitgelaten. Deze regel impliceert niet alleen, dat men zich dient te onthouden van een onderzoek waarvoor men specifieke deskundigheid mist. De arbeidsdeskundige dient zich eveneens te beperken tot het specifieke arbeidsdeskundig terrein. Zo mag hij zijn arbeidsdeskundig oordeel niet baseren op eigen medische, psychologische of juridische argumentatie. Beklaagde heeft zijn advies (afsluiten spoor 1 en overdracht aan het UWV op korte termijn voor re-integratie spoor 2) als volgt onderbouwd. a. Terugkeer eigen werkplek uitgesloten in verband met gespannen relatie collega’s en daardoor grote kans op herhaalde ziekte-uitval. b. Re-integratie in een andere vestiging van werkgever uitgesloten omdat het wettelijk voorschrift woon-werkverkeer maximaal 60 km overschreden wordt. c. geen re-integratieverplichting werkgever voor re-integratie extern op grond van art. 30a SUWI. Geen van deze argumenten zijn – de juistheid daarvan daargelaten – van arbeidsdeskundige aard. Daarmee staat vast dat beklaagde genoemde Gedragsregel heeft geschonden. (Schijn van) partijdigheid De primaire insteek van beklaagde om een dossieronderzoek te verrichten naar eventuele loonsubsidiemogelijkheden en/of uitkeringsmogelijkheden voor zijn opdrachtgever is voor de Raad onvoldoende aanknopingspunt om een partijdige houding aan te nemen. Ook met de stelling van klaagster dat beklaagde tijdens zijn gesprek met haar zou hebben gezegd, dat terugkeer naar de eigen werkplek op voorhand uitgesloten was, kan de Raad weinig aan, nu beklaagde de juistheid van die stelling betwist, en de lezing van partijen over dat gesprek op meer niet onbelangrijke punten elkaar tegenspreken. Beklaagde heeft, zoals hierboven al is vastgesteld, geen serieus gesprek met klaagster gevoerd. Beklaagde heeft in de schriftelijke toelichting van klaagsters standpunt geen aanleiding gevonden nader onderzoek te verrichten, hoewel daartoe voldoende aanleiding bestond. Beklaagde heeft klakkeloos de door de werkgever aangedragen feiten en omstandigheden voor juist aangenomen. Beklaagde heeft zowel in zijn verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling aangegeven, dat hij spoor 1 moest “afdichten”. De Raad heeft in het verleden bij herhaling kenbaar gemaakt, dat een arbeidsdeskundige, die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer bij de eigen werkgever, extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Dat kleurt hun relaas, zeker als er ook nog sprake is van een (sluimerend) arbeidsconflict. Beklaagde is daaraan geheel voorbij gegaan. Hij heeft het “arbeidsconflict” juist als uitgangspunt voor zijn oordeel gekozen. De Raad moet daarom vaststellen, dat beklaagde een volstrekt partijdig onderzoek heeft verricht en daarmee de Gedragsregel ten aanzien van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid ernstig heeft geschonden. Zoals de Raad in het verleden meerdere malen heeft overwogen is het voor het functioneren van de arbeidsdeskundige beroepsgroep onontbeerlijk, dat degene, die een arbeidsdeskundig onderzoek moet ondergaan, kan vertrouwen op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de arbeidsdeskundige in kwestie. Het optreden van beklaagde schaadt dat vertrouwen, brengt de gehele beroepsgroep in diskrediet en is daarom onaanvaardbaar, zelfs als het een eenmalig incident zou zijn geweest en pro deo zou zijn verricht. Uitsluitend door het adequate optreden van klaagster is de schade beperkt gebleven. Conclusie De Raad acht de klachten gegrond. Beklaagde heeft nagenoeg alle Gedragsregels SRA in ernstige mate geschonden en daarmee een smet geworpen op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Sanctie De Raad acht de zwaarste sanctie, die haar toestaat, gepast en gelast daarom de uitschrijving van beklaagde uit het register SRA. -6-