Uitspraak 29 juli 2005

Uitspraak 29 juli 2005

Uitspraak naar aanleiding van de klacht van A, voorheen werkzaam als verzekeringsgeneeskundige, tegen register-arbeidsdeskundige B.

Inhoud van de klacht
B heeft in het kader van een WAO-keuring van A een arbeidsdeskundig rapport opgesteld zonder A te horen. Bovendien heeft hij  verzuimd de nevenbetrekking en neveninkomsten die A sinds 1991 had, in de beoordeling te betrekken. Het ging om gegevens die A in zijn WAO-aanvraag had opgegeven. Daardoor verkeerde A in de veronderstelling dat hij zonder opgave vrij was deze nevenfunctie en -inkomsten uit te breiden. Toen zijn werkgever daarvan kennis nam, is hij op staande voet ontslagen, waarna hij volledig arbeidsongeschikt is geworden.

Inhoud van het verweer
B was ten tijde van zijn arbeidsdeskundig onderzoek niet op de hoogte van deze nevenbetrekking en neveninkomsten. Omdat A een ervaren verzekeringsarts was, werd hij geacht te weten hoe een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsvond, zodat het niet nodig was hem op te roepen. Van zowel collega's als de manager van A kreeg hij te horen dat A met vakantie was. Omdat zijn rapport vóór einde wachttijd WAO gereed moest zijn en de tijd drong, heeft hij zijn rapportage afgerond zonder A te horen. Tegelijkertijd heeft hij A schriftelijk laten weten wat de uitkomst van zijn onderzoek was en hem in de gelegenheid gesteld daarover met hem contact op te nemen. Daarvan heeft A geen gebruik  gemaakt. De aard en omvang van de nevenbetrekking van A zou geen invloed hebben gehad op de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse. A heeft, na de toekenning WAO, gebaseerd op een beperking van zijn eigen arbeid als verzekeringsgeneeskundige met één dag tot vier dagen per week, zijn werkzaamheden in de nevenbetrekking uitgebreid en meer inkomsten daaruit gegenereerd zonder dit te melden. Om die reden is hij wegens verzekeringsfraude ontslagen.

Vaststaande en onweersproken feiten
A was sinds 1 mei 1997 fulltime werkzaam als verzekeringsgeneeskundige. Daarnaast werkte hij sedert 1991 op afroepbasis gemiddeld 3 tot 4 uur per week als arts bij een bloedbank tegen een aanzienlijk lager salaris. Nadat hij eerder in 1999/2000 arbeidsongeschikt was geweest, meldde hij zich in 2002 ziek. Tegen het einde van de wachttijd WAO en ten tijde van de keuring werkte hij weer vier dagen per week als verzekeringsarts bij zijn eigen werkgever. De keuringsarts is bij de keuring uitgegaan van deze feitelijke situatie en heeft A arbeidsgeschikt geacht voor 4 dagen per week voor het eigen werk. B is op basis van het dossier en uitgaande van de bekende loongegevens uitgegaan van de hierboven geschetste situatie. Hij heeft daarom de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 1/5 deel, d.w.z. 15 – 25 %.
Vaststaat dat A in zijn aanvraag melding heeft gemaakt van zijn nevenwerkzaamheden en inkomsten. Als vaststaand wordt aangenomen dat B dit formulier heeft gezien, maar om welke reden dan ook, niets met de opgegeven nevenwerkzaamheden en -inkomsten heeft gedaan.
B heeft geen poging ondernomen om rechtstreeks met A in contact te komen en heeft hem in het kader van zijn onderzoek niet gehoord. Hij vond dat, zoals hij aan A schreef, ook niet nodig. In diezelfde brief heeft hij A in kennis gesteld van zijn bevindingen. Voor A vormde dat geen aanleiding om daarover met B contact op te nemen, omdat hij er van uitging dat B kennis genomen had van zijn neveninkomsten en dat dit dus geen invloed had op zijn WAO-uitkering.
Als vaststaand feit moet worden aangenomen dat A, althans tijdelijk, na het toekennen van een gedeeltelijke WAO-uitkering zijn werkzaamheden met enkele uren voor de bloedbank heeft uitgebreid en meer inkomsten daaruit heeft genoten dan hij in de WAO-aanvraag had vermeld. A heeft deze extra werkzaamheden en inkomsten niet formeel gemeld. Als reden daarvoor voert hij aan dat hij op basis van informeel overleg met andere arbeidsdeskundigen   dacht dat hij vrij mocht bijverdienen, omdat de door hem opgegeven neveninkomsten door B bij de WAO-keuring buiten beschouwing gelaten waren.

Tenslotte neemt de Raad van Toezicht als vaststaand feit aan dat werkgever de daardoor teveel betaalde WAO heeft teruggevorderd zonder het opleggen van een sanctie en dat A door werkgever als verzekeringsarts is ontslagen, waartegen A geen juridisch effectieve stappen heeft ondernomen.

Oordeel van de Raad van Toezicht
Hoewel B en A zeggen elkaar ten tijde van de gewraakte WAO-keuring niet gekend te hebben, waren zij collega's in dienst van dezelfde werkgever. Beiden waren zij o.a. belast met WAO-beoordelingen. Opvallend aspect in deze zaak is dat zowel B als A het niet nodig vonden om met elkaar in contact te treden, waar dit wenselijk c.q. noodzakelijk was en dat beiden in deze klachtenbehandeling de fouten van de ander sterk hebben uitvergroot, terwijl -met het oog op de door hen zelf gemaakte fouten- daarbij enige terughoudendheid passender was geweest.
Van een register-arbeidsdeskundige mag worden verwacht dat deze zich bij een claimbeoordeling een compleet beeld vormt van de klant, zijn opleiding, arbeidsverleden en arbeidsmogelijkheden. Hoewel de Gedragsregels SRA niet verplicht voorschrijven dat de registerarbeidsdeskundige de klant vóór of tijdens zijn onderzoek persoonlijk spreekt, neemt deze – zoals telkens opnieuw blijkt – een groot risico door dat na te laten.
In het kader van een goed arbeidsdeskundig onderzoek hadden de door A in zijn WAO-aanvraag opgegeven werkzaamheden en inkomsten aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek of deze voor de WAO-toekenning enige relevantie hadden. Dat B daaraan voorbij is gegaan – in zijn laatste versie omdat dat aan zijn aandacht is ontsnapt – is een hem verwijtbare slordigheid, evenals het feit dat hij geen poging heeft gedaan rechtstreeks daarover met A in contact te treden. Dat was een kleine moeite:  het telefoonnummer van A stond op de WAO-aanvraag vermeld. B had uit het oogpunt van de in acht te nemen zorgvuldigheid niet mogen afgaan op de telefonische mededelingen dat A met vakantie was.
De Raad gaat voorbij aan verdere slordigheden in het arbeidsdeskundig onderzoek van B. Op basis van bovenstaande moet reeds worden vastgesteld dat het onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is tot stand gekomen. B heeft daarmee in strijd gehandeld met de Gedragsregels dat het onderzoek met de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid moet worden verricht.
Anders dan A ziet de Raad geen aanleiding dit verzuim als zeer ernstig aan te merken.
A stelde dat indien B wél rekening had gehouden met zijn neveninkomsten en tot een samengesteld maatmanloon was gekomen, A het wel uit zijn hoofd had gelaten om extra nevenwerkzaamheden te accepteren omdat dat van invloed zou zijn geweest op zijn WAO-uitkering. Ook vond hijdat hij nu B deze werkzaamheden en inkomsten buiten beschouwing had gelaten – vrij was deze uit te breiden zonder dat dit enige invloed op zijn WAO-uitkering zou hebben.
De veronderstelling van A dat hij naast zijn werk en zijn WAO-uitkering meer mocht werken en bijverdienen dan hij in zijn WAO-aanvraag had vermeld, zonder dat dit van invloed zou kunnen zijn op zijn WAO-uitkering is juridisch onjuist.
Net als iedere WAO-gerechtigde was hij bovendien verplicht iedere wijziging in neveninkomsten en nevenarbeid aan de werkgever te melden. Dat heeft hij nagelaten.
Dat zijn twee inschattingsfouten van A die niet aan B zijn toe te rekenen.
Los daarvan kon B deze gedragingen van A niet voorzien, zodat er geen extra reden bestond om hem daarvoor in een gesprek te waarschuwen.
De Raad van Toezicht is daarom van oordeel dat een relevant causaal verband ontbreekt tussen de onzorgvuldigheden van B en de latere voor A zo ernstige gebeurtenissen (waaronder zijn ontslag en volledige arbeidsongeschiktheid).
De Raad zal daarom geen rekening houden met de door A gestelde gevolgen van de nalatigheden van B.

Sanctie
De Raad van Toezicht verbindt aan de geconstateerde schending van de Gedragsregels de sanctie van een schriftelijke waarschuwing en anonieme publicatie van deze uitspraak in het orgaan van de SRA. Wat bij de overweging meespeelt is de nonchalante houding van B en de wijze waarop hij de geschonden gedragsregels tijdens de zitting relativeerde.

Aldus besloten op 29 juli 2005